Bijdrage ‘Onthoud de PVV het initiatief in de kabinetsformatie’ in Nederlands Juristenblad

human-rights-1714496_960_720

Bij de a.s. Tweede-Kamerverkiezingen is de, op afstand, belangrijkste vraag of de PVV als grootste uit de stembus zal komen. Als dat het geval is, ligt het volgens staatkundige conventie in de rede dat de Tweede Kamer deze partij ook het initiatief zal geven in de kabinetsformatie. Overigens is het ook denkbaar dat, al dan niet op suggestie van de PVV, ‘alleen’ een persoon wordt aangezocht die de mogelijkheid van een kabinet met deelname van de PVV gaat onderzoeken. In beide gevallen is het, hoewel vooralsnog onwaarschijnlijk, denkbaar dat op enig moment daadwerkelijk een dergelijk kabinet wordt geformeerd.

Politiek columnist Hans Goslinga heeft zich uitgesproken tegen een dergelijk scenario. Hij stelt, dat het een ‘wezensvreemde figuur’ zou opleveren indien de antisysteempartij PVV het voortouw zou krijgen bij de machtsvorming op nationaal niveau. Emeritus hoogleraar parlementaire geschiedenis en parlementair stelsel J.Th.J. van den Berg, daarentegen, wijst erop dat er tijdens kabinetsformaties vanouds nu eenmaal ‘verplichte figuren’ moeten worden gemaakt, al was het maar om mogelijkheden te elimineren. De vraag is echter of een verdergaande ‘normalisering’ van de PVV, die hiervan het gevolg zou zijn, wel gewenst is.

Lees mijn eigen antwoord op deze vraag hier:

Democratie: Verkiezingen, vertegenwoordiging en parlementair stelsel – 32 denkrichtingen

Lid werkgroep Studentenparlement, Staatsrechtkring (2002-2012)

5

Over het Studentenparlement:

‘Het Studentenparlement is een landelijke wedstrijd die één keer in de twee jaar wordt georganiseerd op initiatief van de Staatsrechtkring. In de editie 2014/2015 namen negen fracties, bestaande uit studenten van de Nederlandse rechtenfaculteiten, het tegen elkaar op in de strijd om de Zilveren Thorbeckepenning. Winnaar was de Universiteit Utrecht. Bekijk hier het verslag van het Studentenparlement 2014/2015.

In het Studentenparlement wordt de behandeling van een wetsvoorstel in de Tweede Kamer gesimuleerd. Elk facultair team zal als fractie met een door loting te bepalen politieke kleur deelnemen aan de wedstrijd. De teams worden begeleid door staatsrechtdocenten van de betreffende faculteiten.

Het wetsvoorstel wordt ingediend door een fictieve regering, die bestaat uit experts op het gebied van het staatsrecht. Dit jaar heeft de regering een conflictregeling tussen de Tweede en Eerste Kamer ontworpen. Bekijk hier het wetsvoorstel.

Gedurende de wedstrijd dienen de fracties niet alleen te laten zien dat zij de juridische inhoud van het wetsvoorstel doorgronden, maar ook dat zij het politieke spel goed beheersen. De behandeling van het wetsvoorstel vindt plaats in een schriftelijke ronde en een mondelinge ronde. De schriftelijke ronde begint in oktober 2014, als de regering haar wetsvoorstel bij de Kamer indient. In deze voorbereidende fase leveren de fracties hun schriftelijk commentaar op het wetsvoorstel. Ook kunnen amendementen worden voorgesteld. De afsluitende mondelinge behandeling van het wetsvoorstel vindt plaats op vrijdag 29 mei 2015. Na het debat met de regering volgt de stemming over amendementen, moties en het wetsvoorstel. De mondelinge behandeling vindt traditiegetrouw plaats in de plenaire zaal van de Tweede Kamer.

De winnende fractie wordt na de plenaire behandeling aangewezen door de jury. Deze bestaat doorgaans uit een hoogleraar staatsrecht, een politicus en een parlementair journalist. De winnaars gaan naar huis met de Zilveren Thorbeckepenning van de Staatsrechtkring.’

Bron, en meer informatie: http://www.staatsrechtkring.nl/studentenparlement/.

In de periode 2000-2013 trad ik voorts om het jaar op als begeleider van de Leidse fractie.

Zie: http://www.law.leidenuniv.nl/org/publiekrecht/sbrecht/nieuws/leids-team-presteert-goed-in-studentenparlement-2013.html;

http://www.mareonline.nl/2003/32/03.html.

 

Redactie themanummer ‘Democratie in ademnood?’ van CDV (2012)

cover-bottom-bg

‘Democratie is kostbaar cultureel erfgoed dat voor haar eigen behoud constant onderhoud en vernieuwing nodig heeft. Dat is de boodschap van Rein Jan Hoekstra, oud-lid van de Raad van State en oud-informateur, in het nieuwe nummer van Christen Democratische Verkenningen (CDV) dat vandaag verschijnt.

Er wordt volgens hem te gemakzuchtig met de democratie omgegaan. Alsof deze af is, vanzelfsprekend is, en geen cultivering behoeft. Ondertussen wordt er stevig gemorreld aan het gebouw van de democratie en dreigen we de spelregels van de democratie uit het oog te verliezen.

Hoekstra maakt zich “ernstige zorgen” over de staat van de democratie in Nederland en de wijze waarop politieke partijen ermee omgaan. Volgens hem dreigen politici en bestuurders de orde, een van de meest fundamentele rechtsprincipes, uit het oog te verliezen. ‘Het geklaag over de “kaasstolp in Den Haag” en “de zakkenvullers op het Binnenhof” in combinatie met lage opkomstcijfers bij verkiezingen en de geringe participatiegraad van politieke partijen ondermijnt de legitimiteit van het democratisch stelsel’, aldus Hoekstra in CDV, het kwartaalmagazine van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA. “We leven niet in een mediapolitiek landschap zoals in het Italië van Berlusconi. Maar ook hier heeft degene die via de media de publieke opinie het best weet te bespelen politiek succes. Ook de onzorgvuldige wijze waarop we met de spelregels van onze democratie omgaan, past in dat beeld. De oude spelregel is: er gaat eerst een brief naar de Kamer en dan wordt de pers geïnformeerd. Maar nu wordt daar steeds vaker de hand mee gelicht.”
De Tweede Kamer zelf draagt bij aan een ondergraving van het politieke systeem, betoogt Hoekstra. “Niet alleen de vertegenwoordigende en de controlerende functie, maar ook de wetgevende taak van het parlement wordt onvoldoende serieus genomen. Waar zijn de wetgevingsspecialisten gebleven in de Tweede Kamer? Dat de Eerste Kamer de laatste decennia steeds politieker is geworden, komt doordat de wetgevingstaak van de Tweede Kamer onvoldoende inhoud krijgt.”

Hoekstra toont zich een voorstander van herinvoering van het districtenstelsel zoals dat tot 1917 functioneerde. “Ik zie dat als adequate kanalisatie van de wederzijdse betrokkenheid van de volksvertegenwoordiger met zijn of haar kiezers in het betrokken district. In zoverre zou herinvoering een meerwaarde hebben voor ons parlementaire stelsel.” Ook pleit de christendemocraat voor het correctief wetgevingsreferendum, zodat na aanneming van een wetsvoorstel door Tweede en Eerste Kamer een bindend referendum over dat wetsvoorstel kan worden gehouden. “Mijn opvatting is dat daardoor ten eerste de bevolking in staat wordt gesteld om via een ordelijke procedure haar oordeel te geven, en ten tweede denk ik dat dit preventief positief zal uitwerken voor wat betreft de behandeling van wetsvoorstellen in Tweede en Eerste Kamer. Naar mijn inschatting zou dat kunnen betekenen dat Tweede en Eerste Kamer nog meer gaan letten op de kwaliteit van de inhoud en op problemen bij de uitvoering. Kortom, bezint eer ge begint.”

***
Het nieuwe CDV-nummer, met als titel Democratie in ademnood?, gaat op zoek naar een waardevolle, christendemocratische opvatting van democratie in een tijd dat deze volgens vele onderzoekers onder druk staat. De bundel bestaat uit drie delen. In het eerste deel gaat het over “de staat van de democratie”. Rien Fraanje, senioradviseur bij de Raad voor het openbaar bestuur, en Hans-Martien ten Napel, universitair docent staats- en bestuursrecht, laten zien dat achter de nog altijd redelijk onbezorgde vertrouwenscijfers ten aanzien van de Nederlandse democratie belangrijke problemen schuilgaan. Zo voelt een groot deel van de Nederlandse samenleving zich niet goed gerepresenteerd door politieke partijen. Labuschagne, universitair docent rechtsfilosofie, wijst op de gevolgen van een verregaande secularisering voor een waardevolle democratie. Hoogleraar recht Jan Willem Sap toont aan dat confessionele partijen, ondanks hun scepsis in het verleden tegenover democratie en in het bijzonder tegenover de leer van de volkssoevereiniteit, volop hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van de democratische rechtsstaat.
In het tweede deel staan de “voorwaarden voor democratie” centraal. Zo wijst Marin Terpstra, universitair docent politieke filosofie, op de noodzakelijke religieuze dimensie van democratie, zoals die zich uit in de gezamenlijke viering van de toewijding en overgave van mensen aan de publieke zaak. De directeur van ProDemos, Kars Veling, benadrukt het belang van democratisch burgerschap en betoogt dat democratie niet moet worden versmald tot een besluitvormingsprocedure waarbij de meerderheid het voor het zeggen heeft. Advocaat Bart Fleuren laat zien waarom checks and balances tussen de staatsmachten noodzakelijk zijn. Volgens hem geeft het voorstel om de formateur voortaan niet meer door de Koning te benoemen blijk van een beperkte kijk op democratie.

In het laatste deel worden aanzetten gedaan voor een christendemocratische invulling van democratie. Politicologe Emma Cohen de Lara laat zien dat een bloeiende civil society van vitaal belang is voor de gezondheid van de vertegenwoordigende democratie. Hoogleraar filosofie, Guido Vanheeswijck, gaat in op de nobele opdracht tot tolerantie. Lex Oomkes, politiek commentator bij dagblad Trouw, betoogt dat de neiging tot partijdemocratisering bij partijen als het CDA gepaard gaat met ‘antidemocratische tendenzen’. Het kiezersmandaat wordt volgens hem “meer en meer een verpersoonlijkt mandaat, met ondermijnende gevolgen voor het precaire stelsel van macht en tegenmacht dat het Nederlandse stelsel kenmerkt”.’

Bron: https://www.cda.nl/wi/actueel/toon/verschijning-cdv-winternummer-democratie-in-ademnood/.

Voor dit themanummer schreef ik, samen met Maurice Adams en Maarten Neuteboom, de inleiding: ‘Over de voorwaarden van democratie en het herstel van de vertrouwensrelatie tussen burger en overheid’.

Tevens schreef ik mee aan een bijdrage getiteld ‘De beste, maar niet goed genoeg’, samen met Rien Fraanje: http://www.rob-rfv.nl/documenten/artikel_fraanje_en_ten_napel_voor_cdv.pdf.

Het hele themanummer is hier te downloaden: http://pubnpp.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/tijdschrift/CDV/CDV2012/CDV_2012_winter.pdf.

Voor meer (bestel)informatie over CDV, zie: https://www.tijdschriftcdv.nl.

 

Artikel ‘De formatie van de verrassende wendingen’. Het parlement over de kabinetsformatie 2010 (2011)

533

De inleiding op dit artikel, verschenen in het Tijdschrift voor Constitutioneel Recht, luidt als volgt:

‘Het jaar 2010 is niet alleen een politiek veelbewogen jaar geweest, maar ook vanuit staatsrechtelijk oogpunt roepen verloop en uitkomst van de jongste kabinetsformatie tal van vragen op. Te denken valt aan de gevolgde spelregels bij de formatie, de figuur van het minderheidskabinet, de discussie over het rechtsstatelijk en democratisch karakter van de PVV, de rol van het staatshoofd, de positie van de Eerste Kamer, het vrij mandaat van de volksvertegenwoordiger, de inhoud van het regeer- en gedoogakkoord en de uitwerking voor het politieke en constitutionele bestel als geheel. In deze bijdrage passeren niet al deze aspecten systematisch de revue. Het artikel beperkt zich, aan de hand van een beschrijving van het formatieproces, tot de staatsrechtelijke kanttekeningen die in het Nederlandse parlement (Tweede en Eerste Kamer) bij het verloop en de uitkomst van de kabinetsformatie zijn geplaatst. Daarbij wordt onder “staatsrechtelijke kanttekeningen” ook verstaan kanttekeningen die betrekking hebben op de formatieprocedure als zodanig, die strikt genomen niet wordt beheerst door regels van geschreven dan wel ongeschreven staatsrecht maar veeleer door meer of minder vaste praktijken. De focus van dit artikel ligt daarmee op hetgeen in het parlement is gewisseld. Daarmee wil niet gezegd zijn dat de doctrine oninteressant is, maar voor het politieke staatsrecht is van belang dat het laatste instantie bepaald wordt door de belangrijkste actores zelf, zijnde regering en parlement. Juist om die reden is het waardevol het verloop van het proces vanuit het perspectief van de betrokken actoren te reconstrueren. Bovendien behoort slechts in het geval van enigerlei vorm van interactie tussen de staatsrechtbeoefening en onderscheiden politieke stromingen beïnvloeding tot de mogelijkheden.

Gelet op het primair beschrijvende, reconstruerende karakter van deze bijdrage, vormen de voornaamste bron voor dit artikel de Kamerdebatten zoals deze respectievelijk zijn gevoerd met de informateurs en in het kader van de algemene politieke beschouwingen naar aanleiding van de Miljoenennota voor het jaar 2011, in het laatste geval ook in de Eerste Kamer. Tevens wordt – bij wijze van intermezzo – stilgestaan bij de tijdens de behandeling van de begroting Algemene Zaken voor het jaar 2011 gevoerde discussie. De slotparagraaf bevat een poging tot waardering van de in het parlement geplaatste staatsrechtelijke kanttekeningen bij het verloop en de uitkomst van de kabinetsformatie 2010, mede in het licht van de soms “heftige stukken” die over de formatie zijn verschenen vanuit de doctrine.’

Het artikel,  is hier raadpleegbaar:

https://openaccess.leidenuniv.nl/handle/1887/18638;

http://www.tvcr.nl/basis.aspx?Lid=2&Lit=VIEW&Query=TVCRU_Editions.Id=9 (onder ‘artikelen’).

Artikel over kabinetsformatie 2012 in Tijdschrift voor Constitutioneel Recht (2013)

533

‘In een preadvies over kabinetsformaties constateert hoogleraar parlementaire geschiedenis Van Baalen dat er in de loop van de twintigste eeuw een ontwikkeling heeft plaatsgevonden waarbij de rol van de Tweede Kamer in het formatieproces geleidelijk is toegenomen. Binnen deze ontwikkeling onderscheidt Van Baalen vijf cruciale ‘gebeurtenissen’ waarin het parlement zijn positie heeft versterkt. Zo is het sinds 1939 onaanvaardbaar als een kabinet in spe geen (gedoog)steun vindt bij een Kamermeerderheid en is het sinds 1963 gewoonte dat de Kamerfracties van de politieke partijen die deel gaan nemen aan het kabinet, een regeerakkoord sluiten.

In het preadvies noemt Van Baalen ook twee manieren om de invloed van de Kamer op de kabinetsformatie verder te versterken. De eerste manier is de mildere variant die al enige tijd bestaat: de Kamer beraadslaagt in een debat over de verkiezingsuitslag, teneinde op deze wijze het initiatief te nemen in de kabinetsformatie (gecodificeerd in haar Reglement van Orde sinds 2010, door het voorstel Van der Ham en Duyvendak/Van Gent) of de Kamer draagt zelf een formateur voor bij het staatshoofd (sinds 1971 mogelijk door de motie-Kolfschoten).

De tweede manier om de invloed van de Tweede Kamer op de kabinetsformatie te vergroten is de reglementswijziging die in maart 2012 is doorgevoerd. Deze gaat verder omdat zij niet alleen de gehele formatieprocedure in handen van de Kamer legt, maar hiertoe – anders dan de hiervoor genoemde mogelijkheden – ook nog eens verplicht. Volgens Van Baalen is hiermee de parlementarisering van de kabinetsformatie voltooid: het is de laatste stap in de in 1939 begonnen toename van de rol van de Tweede Kamer gedurende het proces van kabinetsformatie.

In dit artikel wordt allereerst bezien hoe deze voltooiing van de parlementarisering van de kabinetsformatie, in de woorden van Van Baalen, is totstandgekomen. Vervolgens gaan wij na hoe de gewijzigde procedure bij de formatie van het kabinet-Rutte-II uitpakte. Tenslotte evalueren wij deze kabinetsformatie aan de hand van de gezichtspunten zoals deze in het debat over de reglementswijziging door de Kamer zelf zijn verwoord, waarbij ook de meer traditionele kritiek op de formatie aan de orde komt alsmede de vraag in hoeverre het huidige art. 139a RvOTK in de huidige redactie voor de komende jaren houdbaar is.’

Lees hier (onder ‘artikelen’) het artikel als geheel, dat ik samen schreef met J.A.H. Heijne en J.V. Veldwijk:

http://www.tvcr.nl/basis.aspx?Lid=2&Lit=VIEW&Query=TVCRU_Editions.Id=17.

Opinieartikel ‘Burgerinitiatief nuttige aanvulling op representatieve democratie’

 

‘Oud-premier Van Agt overhandigde dinsdag 65.000 handtekeningen aan de Tweede Kamer. Een aantal organisaties heeft dit zogeheten burgerinitiatief opgezet om een Kamerdebat te krijgen over de muur die Israël bouwt om Palestijnse terroristen tegen te houden.

Het burgerinitiatief is in Nederland een relatief onbekend fenomeen. Sommige media wisten dan ook niet direct hoe ze dit moesten duiden en gebruikten bijvoorbeeld de term ”petitie”. Het burgerinitiatief verschilt echter in een aantal opzichten wezenlijk van een petitie of verzoekschrift.’

Aldus de opening van een opinieartikel dat ik, samen met Maarten van Nijendaal, schreef op uitnodiging van de redactie van het Reformatorisch Dagblad. Maarten van Nijendaal vervult  een student-assistentschap onderzoek in het kader van het Leidse Honours College Law.

De conclusie van het artikel luidt als volgt: ‘Hoewel het burgerinitiatief de vertegenwoordigende democratie niet kan vervangen, vormt het er met de nodige aanpassingen potentieel een nuttige aanvulling op.’

Lees het volledige artikel op http://www.refdag.nl/opinie/burgerinitiatief_nuttige_aanvulling_op_representatieve_democratie_1_710048.

Zie voorts http://hmtennapel.weblog.leidenuniv.nl/2012/07/03/deelname-aan-expertmeeting-over-evaluati. en http://hmtennapel.weblog.leidenuniv.nl/2012/07/17/can-the-citizens-initative-revitalize-re/.

.