Tag Archives: soevereiniteit

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (VI) (slot)

  1. Tot besluit

Het is uiteraard niet per definitie zo dat Nederland een dergelijke positie zou kunnen of moeten overnemen. Vanuit constitutioneel-theoretisch perspectief verdient het juist de voorkeur een stap vooruit te maken, althans voor wie openstaat voor zekere parallellen tussen de Verenigde Staten in de tijd dat The Federalist Papers verschenen en het Europa van nu. De politieke omstandigheden van dit moment maken evenwel dat het weinig realistisch is een dergelijke optie te bepleiten.

Mede in het licht van deze situatie, kan het Nederlandse staatsrecht er profijt bij hebben de inhoudelijke meningsverschillen die ten aanzien van het onderwerp overdracht van soevereine bevoegdheden aan de EU ook wetenschappelijk wel degelijk bestaan te expliciteren. Bij divergentie tussen de geschreven constitutie en een gegroeide staatkundige praktijk, is aanpassing van de geschreven constitutie nu eenmaal niet de enig denkbare optie.

In augustus 2017 verscheen in The New York Times een artikel getiteld ‘New on This Fall’s Law School Syllabus: Trump’. De gedachte achter dit artikel was dat (staatsrecht)juristen in onder meer hun onderwijs de handen vol zouden krijgen aan de constitutionele misstappen van de president van de Verenigde Staten.

De verkiezing van Trump tot president in 2016 kan ook nog op een andere manier het onderwijs en onderzoek van staatsrechtjuristen stempelen. Dan gaat het minder om de persoon en diens concrete beleid, dan wel het gebrek daaraan, maar om de onderliggende mengeling van conservatieve en populistische ideeën die tot zijn verkiezing heeft bijgedragen.

Zo werden tijdens de jaarvergadering van de American Political Science Association in augustus 2017 in San Francisco diverse panels gewijd aan vragen als: ‘Does Trumpism exist?’ De antwoorden hierop liepen uiteen, maar zeker is dat er zoiets als constitutioneel conservatisme bestaat. Dit vormt een tegenhanger van de meer gangbare, progressief-liberale wijze waarop aan Amerikaanse law schools, en tot op zekere hoogte ook in Europa, het staatsrecht bedreven pleegt te worden. In het constitutionele conservatisme bestaat meer aandacht voor de klassieke constitutionele theorie, waarin een meer natuurrechtelijke benadering niet op voorhand achterhaald wordt geacht.

In deze bijdrage heb ik voor de variatie eens dit constitutionele conservatisme gebruikt als een handvat om de vraag te beantwoorden of in de 21ste eeuw staatsbestuur zonder overdracht van soevereine bevoegdheden mogelijk is. Speciale aandacht daarbij is uitgegaan naar de gevolgen van een dergelijke overdracht van soevereine bevoegdheden aan de EU voor de constitutionele verhoudingen in het algemeen en de positie van de wetgever in het bijzonder.

Meer aandacht voor deze gevolgen zou niet alleen de vitaliteit van de liberale democratie in Europa ten goede kunnen komen. Het maakt tevens de ontstane kloof tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk, die mede hierop betrekking had, kleiner, ongeacht of de Brexit nu wel of niet als onomkeerbaar wordt beschouwd. Binnen staatsrechtelijk Nederland kan hernieuwde aandacht voor de gevolgen van soevereiniteitsoverdracht aanleiding geven tot een herbezinning op de positie die het Duitse constitutionele hof inneemt jegens het proces van Europese integratie. Het is positief dat de Staatsrechtconferentie 2017 alleen al door het thema ‘Globalisering als uitdaging voor nationale soevereiniteit’ te agenderen hieraan een bijdrage heeft geleverd, ook al zullen de opvattingen te dien aanzien uiteen blijven lopen.

Zie voorts:

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (V)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (IV)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (III)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (V)

In december 2017 presenteerde ik een paper over bovengenoemd onderwerp tijdens de Staatsrechtconferentie aan de Universiteit Maastricht. Dit paper verschijnt binnenkort als hoofdstuk in de bundel ‘Begrenzende soevereiniteit’, onder redactie van Sascha Hardt, Aalt Willem Heringa en Antonia Waltermann.

In een serie van zes wekelijkse blogposts zal hier het paper alvast te lezen zijn. Voor de gefinaliseerde versie, voorzien van notenapparaat, zij verwezen naar de bundel. Het behoeft geen betoog dat het onderwerp hernieuwde actualiteitswaarde heeft, onder meer met het oog op de a.s. verkiezingen voor het Europees Parlement.

  1. Hoe nu verder? (vervolg)

Voor wie bovenstaande nog altijd te abstract blijft, is er inmiddels door het Tweede-Kamerlid Bisschop (SGP) een initiatiefnota gepresenteerd, waarin maar liefst 20 min of meer concrete stappen worden geformuleerd om in de richting van een statenbond te gaan. De nota, getiteld ‘De lidstaten weer aan het roer!’, is bedoeld als alternatief voor de toekomstscenario’s die de Europese Commissie in 2017 heeft geformuleerd. Kenmerkend voor deze scenario’s is dat de politieke en economische integratie alleen nog maar zal worden geïntensiveerd. Hiertegenover doen onder meer in populistische partijen scenario’s de ronde waarin Nederland de EU verlaat of de EU als geheel desintegreert. Bisschop beoogt in zijn nota een tussenweg te schetsen tussen deze beide uitersten.

Alvorens deze tussenweg in meer detail weer te geven, verdienen de ‘constructiefouten’ aandacht, die de initiatiefnota waarneemt als het gaat om de EU. Als gevolg van deze fouten, kan het proces van sluipende Europeanisering en daarmee uitholling van de soevereiniteit van de nationale lidstaten doorgang blijven vinden. Het betreft achtereenvolgens: ‘Onduidelijke grenzen aan de bevoegdheden van de Europese Unie (…) Té politieke rol van de Europese Commissie (…) Europees Hof als politieke macht (…) Geringe formele invloed nationale parlementen op Europese besluitvorming’. Het gaat mij er hier nu niet om deze punten stuk voor stuk te bespreken. Op onderdelen worden zij weersproken door en in de staatsrechtelijke literatuur. Wel kan worden geconstateerd dat het hier stuk voor stuk om kernpunten gaat, waarover het staatsrechtelijke debat meer dan nu zou behoren te gaan.

De ‘concrete aanbevelingen en beslispunten’ die Bisschop vervolgens formuleert, zijn het waard hier volledig weer te geven. Te vaak gaapt er een kloof tussen inzichten ontleend aan de constitutionele theorie en de dagelijkse parlementaire en politieke praktijk. Het lijstje uit de initiatiefnota laat, hoe men ook aankijkt tegen de diverse punten, tenminste zien dat operationalisering niettemin een haalbare kaart is:

‘Hervorming van de Europese Unie

  1. Gebaseerd op de principes subsidiariteit, proportionaliteit, optimale verscheidenheid en gedifferentieerde samenwerking, maakt het kabinet in samenwerking met gelijkgezinde lidstaten een gedegen alternatief voor het voorkeursscenario van de Europese Commissie, zoals uiteengezet in het Witboek en de discussienota’s.
  2. Het kabinet streeft naar het schrappen van de zinsnede “een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa” uit de preambule en artikel 1 van het VEU. Als hiervoor onvoldoende steun blijkt te zijn onder de andere lidstaten, streeft het kabinet naar een overeenkomst met de EU waarin Nederland wordt uitgesloten van de zinsnede “een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa”, dan wel naar een andere interpretatie van deze zinsnede die benadrukt dat er binnen de EU ruimte is voor gedifferentieerde vormen van samenwerking, vastgelegd in een protocol dat toegevoegd wordt aan de Verdragen.
  3. Om de sluipende bevoegdheidsoverdracht van de lidstaten naar de EU een halt toe te roepen, verdient de bevoegdheidsverdeling tussen de EU en de lidstaten in artikelen 2–6 VWEU te worden aangescherpt. In plaats dat artikel 6 VWEU de aanvullende bevoegdheden van de EU beschrijft, somt het nieuwe artikel de exclusieve bevoegdheden van de lidstaten op.
  4. Bij iedere nieuwe wijziging van VEU en/of VWEU wordt een document opgesteld, vergelijkbaar met de Nederlandse “memorie van toelichting” en de Franse “Exposé des motifs”, waaruit kan worden opgemaakt wat de reikwijdte van het handelen van de EU mag zijn. Deze “memorie van toelichting” vormt het kader waarbinnen de Europese Commissie en het Europees Hof van Justitie nieuwe Europese wet- en regelgeving gaat opstellen en interpreteren.
  5. Nederland gaat zich sterk maken voor een meer ambtelijke en minder politieke rol voor de Europese Commissie.
  6. De Europese Commissie verliest het recht om op eigen initiatief de lidstaten te ondersteunen, te coördineren of aan te vullen op beleidsterreinen waarvoor de lidstaten primair verantwoordelijk zijn (op basis van artikel 6 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie, VWEU). Dit kan in de toekomst enkel nog na een expliciet verzoek daartoe van de Raad waarover het met gekwalificeerde meerderheid besluit.
  7. Nederland neemt het initiatief om de omvang van het Meerjarig Financieel Kader na 2020 naar beneden bij te stellen en blokkeert voorstellen waardoor de EU-begroting groeit.
  8. Het kabinet onderzoekt de mogelijkheden om in Europees verband vaker gebruik te maken van “horizonbepalingen”. Europese regelgeving zou periodiek moeten worden geëvalueerd, eventueel worden beëindigd of aangepast en opnieuw bekrachtigd. Ten minste het VEU en het VWEU zouden een begrensde geldigheidstermijn moeten krijgen.
  9. Het kabinet bepleit dat de EU door middel van het “one in, two out”-systeem gaat kappen in de Europese regelgeving. Bij de invoering van elke nieuwe bepaling worden er twee bestaande geschrapt.
  10. Een permanente werkgroep, bestaande uit vertegenwoordigers van de Raad en de nationale parlementen, gaat onderzoeken of in het licht van subsidiariteit, proportionaliteit en optimale verscheidenheid, Europese wetten, regels of programma’s moeten worden geschrapt of dat de verantwoordelijkheid hiervoor weer terug kan worden gegeven aan de lidstaten.
  11. Door de toevoeging van een speciale procedure aan het VEU wordt het veel gemakkelijker voor een lidstaat om gebruik te maken van een zogenaamde opt-out.
  12. Er worden geen verdere stappen gezet in het wijzigen van unanimiteitsbesluitvorming naar (gekwalificeerde) meerderheidsbesluitvorming.
  13. In nieuwe Europese regelgeving komt veel meer nadruk te liggen op de diversiteit van de lidstaten en de ruimte voor de lidstaten om wetten en regelgeving verschillend uit te voeren, naar gelang de bestuurlijk-juridische of cultuur-historische kenmerken van een lidstaat dit vergen.
  14. Het kabinet treedt in overleg met andere EU-lidstaten om de drempel voor de gele- en oranje-kaart-procedures te verlagen en daarnaast een rode-kaart-procedure in te voeren.
  15. Goedkeuring en wijziging van EU-verdragen moet plaatsvinden met een twee-derde meerderheid van stemmen in beide Kamers der Staten-Generaal.
  16. Het kabinet houdt voorstellen tegen waarin het Europees parlement een meer “transnationaal” karakter krijgt, zoals de invoering van Europese kieslijsten bij Parlementsverkiezingen.Hervorming van de Economische en Monetaire Unie
  17. Het kabinet stelt een wijziging van het VEU voor waardoor het lidmaatschap van de EU wordt losgemaakt van deelname aan de EMU en de onomkeerbaarheid van de euro wordt geschrapt.
  18. Het kabinet werkt samen met gelijkgezinde lidstaten om het oprichten van nog meer impliciete of expliciete transferstructuren te voorkomen. 

  19. Het kabinet treedt in overleg met de andere eurolanden over het gewenste kader voor het beleid en mandaat van de Europese Centrale Bank (aanbeveling initiatiefnota-Omtzigt).
  20. De Nederlandse regering stelt in de Europese Raad / Eurogroep voor om een adequate exit-strategie op te stellen voor het verlaten van de EMU, zodat het voor eurolanden die zonder transfers geen toekomst hebben zowel juridisch (zie aanbeveling 17) als praktisch mogelijk wordt de eurozone te verlaten.’

Zie ook:

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (IV)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (III)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (II)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (IV)

In december 2017 presenteerde ik een paper over bovengenoemd onderwerp tijdens de Staatsrechtconferentie aan de Universiteit Maastricht. Dit paper verschijnt binnenkort als hoofdstuk in de bundel ‘Begrenzende soevereiniteit’, onder redactie van Sascha Hardt, Aalt Willem Heringa en Antonia Waltermann.

In een serie van vijf à zes wekelijkse blogposts zal hier het paper alvast te lezen zijn. Voor de gefinaliseerde versie, voorzien van notenapparaat, zij verwezen naar de bundel. Het behoeft geen betoog dat het onderwerp hernieuwde actualiteitswaarde heeft, onder meer met het oog op de a.s. verkiezingen voor het Europees Parlement.

  1. Hoe nu verder?

Onder deze omstandigheden lijken de auteurs van de Mastermonografie, in een reflex die representatief lijkt voor het staatsrechtelijke denken in Nederland, te opteren voor grondwetswijziging teneinde de Grondwet weer in overeenstemming te brengen met de gewijzigde omstandigheden. Een daartoe strekkend voorstel van de Staatscommissie Grondwet uit 2010, dat ertoe strekte in art. 90 Gw toe te voegen dat de regering niet alleen de internationale, maar ook de Europese rechtsorde bevordert, zou volgens Van der Burg en Voermans de ‘grondwettelijke eenkennigheid’ niet voldoende hebben weggenomen: het voorstel gaf ‘duidelijk blijk van een Haagse, “Binnenhofcentrische” benadering. De voornaamste kenmerken van de EU: de samenwerking met gelijkgezinde staten en de overdracht van bevoegdheden worden niet genoemd.’

De reden om, ondanks het feit dat deze niet wezenlijk afwijkt van het Nederlandse staatsrechtelijke denken, juist de Mastermonografie hier aan te halen, is dat deze vervolgens een boeiende relatie legt met de Duitse houding jegens de Europese integratie: ‘In de Bondsrepubliek Duitsland is men nog steeds niet bereid de voorrang van het Unierecht volledig te aanvaarden. Daar gaat men uit van de gedachte dat het volk bij de Grondwet een aantal machten in het leven heeft geroepen en dat de geconstitueerde machten gebonden zijn aan de Grondwet, ook wanneer zij meewerken aan de totstandkoming en het functioneren van internationale organisaties. In Duits perspectief zijn de instellingen van de E(E)G en van de EU overheidsinstellingen die althans gedeeltelijk gebaseerd zijn op de Duitse Grondwet en de soevereiniteit van het Duitse volk. Zij ontlenen hun gezag aan de Duitse Grondwet en zijn daarom ook aan die Grondwet gebonden.’

Over het Bundesverfassungsgericht (BVerfGE) stelt de mastermonografie dat dit ‘een eigen opvatting [heeft] over het Europees Parlement, die verder in Europa weinig weerklank zal vinden. De eigen opvatting van het BverfGE komt ongeveer op het volgende neer: Duitsland mag en moet meewerken aan de Europese integratie, maar zij moet wel baas blijven in eigen land. De Grondwet staat niet toe dat Duitsland opgaat in een Europese bondsstaat. Volgens het Bundesverfassungsgericht wordt de Europese Unie in het Verdrag van Lissabon ook niet als een bondsstaat geconstrueerd. De EU is een samenwerkingsverband van soevereine staten.’

De vraag die ik in deze bijdrage zou willen opwerpen, is of dit staatsrechtelijk gesproken nu wel zo’n vreemde opvatting is van het Bundesverfassungsgerichten, zo ja, waarom precies? Dit temeer, daar het Hof hier direct aan toevoegde, dat zijn positie geen afbreuk beoogde te doen aan het beginsel van loyale samenwerking zoals dit verankerd is in het Unierecht. Een van de rechters die heeft meegeschreven aan de betreffende arresten van het Duitse constitutionele hof, Udo Di Fabio, schreef in dit verband reeds in 2005 ‘dass das politische Europa vor der Frage steht, ob es um eine eigene Identität als originäre Gemeinschaft ringen und auf diese setzen soll oder ob es weiterhin Staatengemeinschaft, also eine abgeleitete Gemeinschaft zweiter Ordnung bleiben und für deren Stärkung werben soll’.

Deze formulering van het dilemma waarvoor de EU zich gesteld ziet, sluit nauw aan bij hetgeen hierboven werd opgemerkt over hoe vanuit de klassieke constitutionele theorie tegen de huidige EU wordt aangekeken. Maar het is bijvoorbeeld ook een positie die gelijkenis vertoont met het conservatievere staatsrechtelijke denken in de Verenigde Staten. Zo kraakt de voormalige Amerikaanse diplomaat in Europa Todd Huizinga in een recent, provocatief boek kritische noten over wat hij de ideologie van het ‘global governance’-denken noemt. Volgens deze ervaringsdeskundige komt ‘global governance’ uiteindelijk neer op ‘the usurpation of democratic self-government by a democratically unaccountable group of globalist elites’. Volgens Huizinga, ‘the global governance ideology is engaging the Western democracies in a zero-sum conflict between two irreconcilable visions for political life, a conflict centering on the most basic question of politics: “Who determines the laws under which we shall live?”Again, this is “a moral struggle over the first principles of government and politics”’.

Kort en goed, is het de stelling van Huizinga dat een overdracht van soevereine bevoegdheden zoals binnen de EU heeft plaatsgevonden een bedreiging vormt voor de uitgangspunten van de liberale democratie. Dat staatsbestuur in de 21steeeuw mogelijk is zonder een dergelijke overdracht van soevereine bevoegdheden, bewijzen onder meer de Verenigde Staten, die bij verdragen min of meer standaard het volgende voorbehoud opnemen: ‘The United States will not accept any treaty requirement incompatible with the Constitution of the United States of America.’

Aldus wordt tevens duidelijk wat de Verenigde Staten als de onopgeefbare kern van hun nationale soevereiniteit zien, alsmede de constitutioneel-theoretische grondslag daarvoor: ‘the Constitution is the supreme law to which the American people are subject. Anything that conflicts with the Constitution cannot be binding on the American people nor on the American government which serves them.’

Voor Huizinga betekent dit, net zomin als voor het Duitse constitutionele hof, dat hij tegen de EU als zodanig is. Integendeel, hij geeft aan zijn boek juist te hebben geschreven uit bewondering voor de EU en de bijdrage die deze na de Tweede Wereldoorlog heeft geleverd aan de hechte en vriendschappelijke samenwerking tussen Europese mogendheden. Een hervormde EU die zich organiseert als een verbond van soevereine staten zou volgens hem op dat fundament kunnen voortbouwen. Zonder een dergelijke hervorming ziet het perspectief voor Europa er echter een stuk somberder uit: in dat geval hebben de lidstaten ‘a choice between self-government and the slow suicide of liberal democracy’.

Men zou hiertegen in kunnen brengen dat de plaats van de Grondwet in het constitutionele bestel in de Verenigde Staten, en ook in Duitsland, een andere is dan in Nederland. Dat is juist, aangezien in Nederland vanouds een tamelijk minimalistische opvatting heeft geheerst aangaande het belang van de Grondwet. Parlementair historicus J.Th.J. van den Berg heeft er onlangs echter niet ten onrechte op geattendeerd dat het wellicht tijd is deze visie te heroverwegen. Wat dat betreft, had de taakopdracht van de Staatscommissie parlementair stelsel nog wel wat ruimer gekund.

Zie voorts:

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (III)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (II)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (I)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (III)

In december 2017 presenteerde ik een paper over bovengenoemd onderwerp tijdens de Staatsrechtconferentie aan de Universiteit Maastricht. Dit paper verschijnt binnenkort als hoofdstuk in de bundel ‘Begrenzende soevereiniteit’, onder redactie van Sascha Hardt, Aalt Willem Heringa en Antonia Waltermann.

In een serie van vijf à zes wekelijkse blogposts zal hier het paper alvast te lezen zijn. Voor de gefinaliseerde versie, voorzien van notenapparaat, zij verwezen naar de bundel. Het behoeft geen betoog dat het onderwerp hernieuwde actualiteitswaarde heeft, onder meer met het oog op de a.s. verkiezingen voor het Europees Parlement.

  1. De kloof tussen norm en werkelijkheid

Wanneer we nu vanuit het perspectief van de wat meer natuurrechtelijke constitutionele theorie naar de Europese Unie (EU) kijken, dan is het eerste gebrek dat opvalt, dat er geen duidelijk identificeerbare ‘regering’ valt aan te wijzen. Dit is vanouds wel een belangrijke voorwaarde voor in elk geval democratische legitimiteit. Binnen nationale staten als Nederland is er dan ook sprake van dergelijke regeringen. Zoals Möllers betoogt, is er welbeschouwd in Europees verband geen oplossing voor deze tekortkoming. Het is een gevolg van de fase van integratie waarin de EU zich bevindt, of eigenlijk: is blijven steken.

De rechtsfilosoof Andreas Kinneging heeft er ruim tien jaar geleden reeds op gewezen, dat een dergelijke onvoltooid karakter van de Europese staatsvorming vanuit klassiek constitutioneel theoretisch perspectief als problematisch valt aan te merken. Historisch gezien zijn er, naast eenheidsstaten, welbeschouwd slechts federale staten en statenbonden te onderscheiden. De gedachte dat de EU een nieuw soort tussenvorm zou kunnen vormen tussen deze twee, dan wel een voortdurend voorschrijdend proces zou inhouden, valt in het gunstigste geval als postmodern aan te merken: ‘Unidentified political objects do not and cannot exist.’ Toch is dit de mythe waarmee de Europese integratie nu al verscheidene decennia, ook staatsrechtelijk, wordt gerechtvaardigd.

Inmiddels heeft deze Europese schemertoestand, die vanuit het oogpunt van democratische legitimiteit derhalve niet verkiesbaar is, ‘de invloed en de zelfstandige beslissingsmacht van het Nederlandse parlement verkleind’. Onder deze omstandigheden is een dergelijke overdracht van bevoegdheden echter, zoals de Staatscommissie parlementair stelsel in haar probleemverkenning vaststelde, ‘niet vrij van problemen’: ‘Zo is er nog steeds sprake van een democratisch tekort, vooral omdat op EU niveau een volwaardig parlementair stelsel ontbreekt: het ontbreekt aan een Europese regering die op alle beleidsterreinen verantwoordelijk is aan en het vertrouwen behoeft van het         Europees Parlement. Burgers in Nederland ervaren het Europees Parlement bovendien ook niet als hùn parlement. Hoewel het verdrag van Lissabon het Europees Parlement meer bevoegdheden heeft gekregen [sic], is het door de Tweede Kamer gehanteerde argument dat de Nederlandse parlementaire zeggenschap is overgenomen door het Europees Parlement niet houdbaar. Nog steeds geldt immers voor het optreden van een Nederlandse bewindspersoon in een vergadering van de Europese Raad van Ministers ministeriële verantwoordelijkheid ten opzichte van het Nederlandse parlement. Kortom het juiste samenstel van checks and balances ontbreekt op het niveau van de EU.’

Dit laatste werd in de staatsrechtelijke literatuur reeds eerder beaamd, en vormt naast de afwezigheid van een duidelijk identificeerbare regering een tweede gebrek, hoewel er zeker ook tegengeluiden waarneembaar zijn. Ik noem hier, in chronologische volgorde, drie voorbeelden van auteurs die de gevolgen van het proces van Europese integratie voor de trias politica hebben besproken. Allereerst heeft Leonard Besselink er in een artikel over de invloed van Europa op de binnenlandse constitutionele verhoudingen op gewezen, dat de traditionele trias mede daardoor op de kop is gezet. Vanouds stond de wetgevende macht daarin centraal. De uitvoerende macht had tot taak de door de wetgever vastgestelde wetten uit te voeren en de rechterlijke macht diende ertoe daarbij rijzende geschillen te beslechten. Inmiddels zijn de uitvoerende en de rechterlijke macht echter de twee dominante staatsmachten geworden, terwijl de wetgevende macht in de verdrukking is geraakt. Dit is zeker niet exclusief het gevolg van de Europese integratie. De opkomst van de sociale rechtsstaat is een eerdere en minstens zo belangrijke oorzaak. De Europeanisering heeft dit proces wel versterkt. Ook in 2005, het jaar van het referendum over de Europese Grondwet, signaleerde Besselink reeds een gebrek aan debat over deze toch wezenlijke zaken.

Op het Europese vlak zelf is de situatie, volgens zijn voormalige Utrechtse collega Deirdre Curtin, niet veel beter: ‘At the international and European level the principle of separation of powers is not applied and has never been. In the context of the European Union there has never even been lip service paid to the principle of separation of powers.’

Tenslotte signaleren ook de auteurs van de mastermonografie Unierecht in de Nederlandse rechtsorde een onmiskenbare kloof tussen de suggestie die de Nederlandse Grondwet wekt aangaande soevereiniteit en de wetgevingspraktijk: ‘Wie als buitenstaander de Nederlandse Grondwet leest, zou de indruk kunnen krijgen dat Nederland een soevereine staat is, waar de wetgever de hoogste staatsmacht is en waar de overheid overeenkomstig de bepalingen betreffende de sociale grondrechten zorgt voor het welzijn van de ingezetenen. In werkelijkheid wordt de inhoud van de Nederlandse wetgeving in sterke mate beheerst door Europese bepalingen en heeft de lidstaat Nederland op het gebied van bijvoorbeeld de sociale grondrechten nog maar een beperkte zelfstandigheid.’

Zie voorts:

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (I)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (II)

Paper-presentatie tijdens Staatsrechtconferentie over ‘Globalisering als uitdaging voor nationale soevereiniteit’ in Maastricht

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (II)

In december 2017 presenteerde ik een paper over bovengenoemd onderwerp tijdens de Staatsrechtconferentie aan de Universiteit Maastricht. Dit paper verschijnt binnenkort als hoofdstuk in de bundel ‘Begrenzende soevereiniteit’, onder redactie van Sascha Hardt, Aalt Willem Heringa en Antonia Waltermann.

In een nieuwe serie van vijf à zes wekelijkse blogposts zal hier het paper alvast te lezen zijn. Voor de gefinaliseerde versie, voorzien van notenapparaat, zij verwezen naar de bundel. Het behoeft geen betoog dat het onderwerp hernieuwde actualiteitswaarde heeft, onder meer met het oog op de a.s. verkiezingen voor het Europees Parlement.

  1. De norm

Er valt, zoals wij hierna nog zullen zien, een neiging in het Nederlandse staatsrecht te bespeuren om – enigszins positivistisch – de gevolgen van het Europese integratieproces te accepteren voor wat die zijn. Hiertegenover wordt in deze bijdrage juist, bij wijze van gedachtenexperiment, een meer natuurrechtelijke benadering beproefd. Het natuurrecht heeft, mede als gevolg van het sinds de 20steeeuw overheersende positivisme, geen goede naam. Daarom is het extra van belang te omschrijven wat ik er in het bestek van deze serie blogposts onder versta. Dan moet allereerst worden vastgesteld dat de verscheidenheid binnen het natuurrechtelijke denken aanzienlijk is. Het verbindende idee tussen de diverse benaderingen is evenwel, zoals een Amerikaanse website het verwoordt, ‘an agreement as to the natural (as distinguished from conventional or man-made) character of principles of right and wrong, and of justice and injustice. Philosophers and statesmen who think and act within this shared understanding agree that the standards that ought to guide the ordering of political and social life are accessible to human reason.’

Wanneer we deze omschrijving hanteren, dan vallen binnen deze traditie zowel klassieke en middeleeuwse denkers als Aristoteles, Plato, Cicero en Thomas van Aquino, als denkers die aan de basis hebben gestaan van het moderne constitutionalisme, zoals Thomas Hobbes, John Lockeen Montesquieu. Het is tevens zo dat een klassieker van het staatsrecht als The Federalist Papers, hoewel het eerste voluit moderne constitutionele tractaat, niettemin nog voluit in deze traditie staat.

Voor werken in de natuurrechtelijke traditie, in de hierboven bedoelde ruime zin van het woord, hoeft evenwel niet altijd relatief ver te worden teruggegaan in de tijd. Zo zijn er ook hedendaagse auteurs die bewust klassieke leerstukken van het staatsrecht, zoals dat van de trias politica, trachten te actualiseren voor de huidige tijd. Een voorbeeld daarvan is Christoph Möllers. In zijn standaardwerk The Three Branches (2013) merkt Möllers op, dat ‘[c]ombining the normative idea of liberty with the institutional preconditions of liberty – a project that the American constitutional fathers set out in the Federalist Papers – seems today to be an exceptional quest. Pursuing it, however, is as worthwhile today as it was back then’. Hoewel het dus tegenwoordig niet bepaald in de mode is om constitutioneel recht en constitutionele theorie met elkaar te verbinden, beproeft hij dit niettemin. De reden hiervoor is gelegen in het feit dat, volgens Möllers, ‘comparative constitutional law needs a theoretical and normative framework beyond both empirical quantitative research and individual comparative case analysis: it needs a move to conceptualism’.

Zie voorts:

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (I)

Call for Papers, Panel on Public Theology and its potential for Law and Religion scholarship

Co-editor and co-author, volume The Powers That Be. Rethinking the Separation of Powers. A Leiden Response to Möllers (2015)

 

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (I)

In december 2017 presenteerde ik een paper over bovengenoemd onderwerp tijdens de Staatsrechtconferentie aan de Universiteit Maastricht. Dit paper verschijnt binnenkort als hoofdstuk in de bundel ‘Begrenzende soevereiniteit’, onder redactie van Sascha Hardt, Aalt Willem Heringa en Antonia Waltermann.

In een nieuwe serie van vijf à zes wekelijkse blogposts zal hier het paper alvast te lezen zijn. Voor de gefinaliseerde versie, voorzien van notenapparaat, zij verwezen naar de bundel. Het behoeft geen betoog dat het onderwerp hernieuwde actualiteitswaarde heeft, onder meer met het oog op de a.s. verkiezingen voor het Europees Parlement.

  1. Inleiding

Op 9 februari 2018 meldde SC Online, dat de Europese begrotingsdans weer was begonnen. Een dag eerder had dezelfde publicatie onder de titel ‘Parlement vroegtijdig betrekken bij begrotingsplannen’ aandacht geschonken aan het proefschrift van Michal Diamant over de invloed van het Europees economisch bestuur op het budgetrecht van het Nederlandse parlement. Hoewel het budgetrecht formeel intact is gebleven, dreigt het materieel als gevolg van dit Europees economisch bestuur geleidelijk verder uitgehold te raken. Dezelfde Diamant waarschuwde op 13 februari 2018 tijdens een deskundigenbijeenkomst de Eerste Kamer voor het gebrek aan democratische legitimiteit van de nieuwe voorstellen van de Europese Commissie om de Economische en Monetaire Unie verder te verdiepen.

De trend dat een nationaal parlement als het Nederlandse de begroting inhoudelijk steeds minder kan beïnvloeden, roept de vraag op hoe dit vanuit staatkundig perspectief moet worden beoordeeld. Het politieke staatsrecht kan, wil het betekenis houden, immers niet volstaan met het beschrijven van de ontwikkelingen die zich voordoen. Er dient ook een evaluatie te volgen. Dit geldt zeker ook voor een zo ingrijpend fenomeen als de Europese integratie en de hieruit voortvloeiende Europese rol van regering en Staten-Generaal. Het budgetrecht betreft een kernrecht van het parlement. Historisch heeft het ten grondslag gelegen aan de opkomst ervan: ‘no taxation without representation’. De vraag rijst of het vroegtijdig betrekken van het parlement bij de begrotingsvoornemens, zoals geopperd door Diamant en anderen, voldoende helpt. Afgezien hiervan, wordt het probleem nog vergroot door het feit dat niet alleen het budgetrecht in het geding is. Ook meer in het algemeen dreigt de Europese integratie de rol van nationale parlementen verder uit te hollen dan op grond van andere ontwikkelingen internationaal reeds het geval was. Dit heeft te maken met het feit dat het een vorm van transnationale samenwerking betreft, die vergaande gevolgen heeft voor de soevereiniteit van de lidstaten.

In hetgeen volgt, ga ik allereerst in op de vraag wat als norm kan gelden bij de evaluatie van ontwikkelingen in het politieke staatsrecht als de hierboven geschetste. Vervolgens wordt geconstateerd dat er een kloof is ontstaan tussen norm en werkelijkheid als het gaat om het Europese integratieproces in zijn huidige vorm. Op deze probleemanalyse volgt een paragraaf waarin een suggestie wordt gedaan over hoe nu verder. De bijdrage sluit af met een conclusie.

Wordt vervolgd.

Zie ook:

Paper-presentatie tijdens Staatsrechtconferentie over ‘Globalisering als uitdaging voor nationale soevereiniteit’ in Maastricht

Contribution to volume on ‘Rethinking Europe’s Constitution’ (2007)

Co-redacteur en co-auteur, bundel De betekenis van de Europese Grondwet voor de Nederlandse staatsinstellingen (2005)

 

 

Geloof in de liberale democratie (IV): constitutionalisme

Dit is het vierde deel van een nieuwe serie blogposts, die tevens – in definitieve vorm en aangevuld met een notenapparaat – als artikel zal verschijnen in het eerstvolgende nummer van het Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid. Voor de eerste drie delen, zie de links onderaan deze blogpost.

Welke consequenties heeft de door Vorster voorgestane antropologie voor zijn visie op wat constitutionalisme precies inhoudt? Het is nauwelijks overdreven om te stellen dat de meeste binnen het (vergelijkende) constitutionele recht gangbare definities van constitutionalisme eerder aansluiten bij de benadering van Cohen dan bij die van Vorster. Dat geeft aan dat Cohen bepaald geen sectarische minderheidsopvatting vertolkt, maar eerder aansluit bij de mainstream opvattingen dienaangaande. Het nieuwe schuilt er dan eerder in dat zij er consequenties aan verbindt voor het recht op vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. Dat Cohen aansluit bij de heersende leer betekent echter nog niet dat zij ook gelijk heeft. Zoals de titel van haar artikel aangeeft, is zij geinteresseerd in de vraag ‘Whose Sovereignty?’ Zij stelt de vraag bij wie de soevereiniteit berust en voor haar is het duidelijk dat dit bij de staat moet zijn. Alleen op die manier is het mogelijk haar visie op de liberale democratie te realiseren. Dit is echter wel enigszins paradoxaal. Constitutionalisme kan immers vrij worden omschreven als het geheel van staatsrechtelijke arrangementen dat erop gericht is om de rechten en vrijheden van de burgers tegenover de staat te waarborgen. Als het dan vervolgens zo is dat alle touwtjes uiteindelijk in handen van de staat worden gelegd, aangezien alleen op die manier het liberalisme kan worden gerealiseerd, wordt de liberale democratie eigenlijk belangrijker gemaakt dan de rechten en vrijheden van de burgers in wier naam het liberalisme wordt aangehangen. Is een volledige soevereiniteit van de staat welbeschouwd in het belang van de bescherming van de rechten en vrijheden van burgers?

De katholieke rechtswetenschapper Richard W. Garnett is enige jaren geleden met een alternatieve definitie van constitutionalisme gekomen, die het overwegen waard lijkt. In de visie van Garnett is constitutionalisme:

‘the enterprise of protecting human freedom and promoting the common good by           categorizing, separating, structuring, and limiting power in entrenched and enforceable ways’.

Op het eerste gezicht komt deze omschrijving behoorlijk in de buurt van standaardomschrijvingen van het principe van machtenscheiding, zoals ook Cohen dat zal omschrijven. Het is begrijpelijk dat de omschrijving van Garnett hier raakvlakken mee vertoont, aangezien de machtenscheiding de klassieke manier is om de rechten en vrijheden van burgers te beschermen, gegeven het feit dat er enigerlei vorm van staatsgezag nodig is. Het idee is dat het kan helpen om dat staatsgezag niet absoluut te laten zijn, maar het op te delen in verschillende onderdelen, die elkaar kunnen beteugelen en controleren. De vraag die hier echter speelt, is welke macht als uitgangspunt geldt.

Bij nadere beschouwing bevat Garnett’s omschrijving van machtenscheiding een element dat in veel klassieke definities van constitutionalisme ontbreekt, te weten de bevordering van het algemeen welzijn. Garnett laat zich hier kennen als een katholieke auteur, want de notie van het algemeen welzijn neemt vanouds een belangrijke plaats in binnen de katholieke sociale leer. In het liberalisme, daarentegen, wordt er eerder vanuit gegaan dat de staat onder alle omstandigheden neutraal dient te zijn en dat dit uitgangspunt eraan in de weg staat dat de staat zou trachten het algemeen welzijn te bevorderen. Hoe kan de staat immers bepalen wat het algemeen welzijn bevordert, wanneer zijn neutraliteit het hoogste goed is? Neutraliteit neemt zo de plaats van algemeen welzijn over. Een vraag die de omschrijving van Garnett oproept, is of er binnen het liberale constitutionalisme niet toch ook meer ruimte kan en moet worden gemaakt voor de notie van het algemeen welzijn. Is het immers wel zo vanzelfsprekend dat het liberalisme in de praktijk uitmondt in een vrijwel volledig waardenrelativisme?

Het verschil tussen de opvattingen van Cohen en Garnett over constitutionalisme wordt nog duidelijker, wanneer een toevoeging in aanmerking wordt genomen die Garnett aanbrengt bij zijn hierboven weergegeven definitie. Garnett schrijft namelijk tevens dat:

‘[c]onstitutionalism relies, both in theory and in fact, not only on the separation and        limitation of the powers of the political authority, but also on the existence and the       health of authorities and associations outside, and meaningfully independent of, the        state.’

Dit nu is een gevoelig element, want Garnett breidt hier de werking van het principe van machtenscheiding uit van staatsmachten tot organisaties van burgers welke onafhankelijk zijn van de staat. Dit past echter niet goed binnen een doctrinaire opvatting van het staatsrecht, waarin dit recht alleen betrekking heeft op de staat en instituties die door publiekrecht in het leven zijn geroepen. Bovendien wordt hiermee de algehele soevereiniteit van de staat doorbroken en ontstaat een nieuwe constellatie waarin de soevereiniteit gedeeld wordt tussen de staat en van diezelfde staat onafhankelijke organisaties van de civil society. Zoals we hebben gezien, is dit precies waar Cohen zich zorgen over maakt.

Toch is het de vraag of het zo’n vreemde gedachte is om, zeker in de 21ste eeuw, het principe van machtenscheiding op deze manier uit te breiden. Door de opkomst van de sociale rechtsstaat is het aantal taken van de staat immers gegroeid. Het helpt dan niet meer voldoende om de staatsmacht op te delen in drie machten. Het is hiernaast noodzakelijk om tegenmacht in het leven te roepen tegen de staatsmacht als zodanig, ongeacht of het nu de wetgevende, de uitvoerende of de rechterlijke macht betreft. Door de opkomst van de sociale rechtsstaat is immers het verschil tussen de drie machten vervaagd, aangezien de uitvoerende macht ook aan wetgeving is gaan doen, terwijl de rechterlijke macht zich bij wijze van compensatie intensiever is gaan bezighouden met de controle van bestuurshandelen. Naast de opkomst van de sociale rechtsstaat, heeft ook de internationalisering bijgedragen aan een versterking van de positie van het bestuur binnen de trias politica. De wetgever is onvoldoende in de gelegenheid controle uit te oefenen op een en ander, aangezien de besluitvorming zich voor een deel heeft verplaatst naar internationale gremia.

Afgezien van staatsrechtelijke overwegingen die voortvloeien uit de trias politica, sluit een uitbreiding van de omschrijving van constitutionalisme met maatschappelijke organisaties aan bij de in de vorige paragraaf uiteengezette mensvisie. Indien het immers zo is dat mensen alleen dan tot hun bestemming komen wanneer zij hun activiteiten zowel in het publieke als in het privé-domein stoelen op hun geloof of andere levensovertuiging, dan moeten die activiteiten in het publieke domein ook zin kunnen hebben.

Voor de eerste drie delen van deze serie, zie:

Geloof in de liberale democratie (I): Inleiding

Geloof in de liberale democratie (II): de kritiek van Jean L. Cohen

Geloof in de liberale democratie (III): de rol van antropologie

 

Geloof in de liberale democratie (II): de kritiek van Jean L. Cohen

Dit is het tweede deel van een nieuwe serie blogposts, die tevens – in definitieve vorm en aangevuld met een notenapparaat – als artikel zal verschijnen in het eerstvolgende nummer van het Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid. Voor het eerste deel, zie de links onderaan deze blogpost.

Het is niet mogelijk op deze plaats recht te doen aan het, zoals gezegd, gedegen artikel van Cohen. Voor de doeleinden van deze bijdrage volstaan enkele punten. Het eerste is de concrete aanleiding voor Cohen om haar artikel te schrijven. Deze wordt gevormd door twee rechtszaken bij het Amerikaanse Hooggerechtshof, die in de periode dat ik in de Verenigde Staten onderzoek verrichtte ook inderdaad de maatschappelijke en wetenschappelijke discussie over het onderwerp godsdienstvrijheid beheersten. De eerste rechtszaak is die van een behoudende evangelisch-lutherse school, die een lerares ontsloeg, omdat zij onvoldoende bij de identiteit van de school zou passen. In deze zaak, uit 2012, gaat het om het leerstuk dat in de Verenigde Staten bekend staat als de ‘ministerial exception’. In Europa is de doctrine eerder bekend onder de aanduiding ‘church autonomy’, dat wil zeggen de vrijheid van religieuze organisaties als kerken om bijvoorbeeld een eigen personeelsbeleid te voeren. In bepaalde gevallen ontvangen religieuze instellingen op grond van dit leerstuk inderdaad een vrijstelling van overigens algemeen geldende non-discriminatievoorschriften. Dit geldt in het bijzonder voor voorgangers, vandaar de naam ‘ministerial’ in de Verenigde Staten. De vraag is echter hoever het begrip ‘voorganger’ kan en moet worden opgerekt. Het Amerikaanse Hooggerechtshof geeft geen precieze omschrijving, maar stelde toch ook in dit geval de school in het gelijk. De betreffende lerares was immers geen lekenleerkracht, maar kon vanwege de training die zij had ontvangen zelf als geestelijke gelden.

De tweede rechtszaak betreft die van een christelijke onderneming, Hobby Lobby, die zich met een beroep op de vrijheid van godsdienst onttrok aan de door de Obama-regering opgelegde verplichting om aan haar personeel een ziektekostenverzekering aan te bieden waarin tevens anticonceptiemiddelen waren opgenomen. Ook in deze zaak stelde het Hof de onderneming in het gelijk. Nog meer dan de eerste zaak, heeft het Hobby Lobby-arrest een gevoelige zenuw geraakt. In een bekend geworden artikel in de Harvard Law Review sprak de auteur van een ‘Hobby Lobby-moment’. Hij suggereerde daarmee dat deze zaak achteraf weleens een keerpunt kon blijken te zijn geweest in de publieke opinie over de godsdienstvrijheid. Kon dit recht voorheen op betrekkelijk algemene instemming rekenen in de Amerikaanse samenleving, afgezien van de eerdergenoemde groep van nieuwe critici van de godsdienstvrijheid, een uitspraak ten gunste van een onderneming die zich beroept op een recht dat primair bedoeld is voor individuen tegenover de staat zou slecht begrepen worden.

Dit laatste geldt zeker voor Cohen, die zoals gezegd haar artikel begint met een behandeling van deze beide rechtszaken. In de uitspraken leest zij een wederopleving van een oude, middeleeuwse benadering van religieuze corporaties als zouden deze een bepaalde mate van autonomie of zelfs soevereiniteit bezitten. In een iets moderner jasje valt dit gedachtengoed ook te herleiden tot het Britse, pluralistische denken zoals zich dat rond het begin van de twintigste eeuw manifesteerde. Het is inderdaad al vaker opgemerkt dat de individuele godsdienstvrijheid zoals wij deze thans kennen haar wortels heeft in een meer collectieve vorm van godsdienstvrijheid zoals deze tijdens de late Middeleeuwen ontstond. Dit laatste idee staat bekend als dat van ‘freedom of the church’. Ook is er in later tijd een pluralistische school van denken geweest over de staat, die deels teruggreep op dergelijke noties. Nog recentere stromingen als het liberale pluralisme, waartoe bijvoorbeeld William A. Galston behoort, grepen op hun beurt weer terug op dit Britse, pluralistische denken.

Cohen heeft moeite met deze denkrichting. Zij meent dat rechterlijke uitspraken als hiervoor genoemd eerder een bedreiging vormen voor, dan een uitbreiding van de vrijheid, de democratische legitimiteit en de vorm van pluralisme die een liberale democratie volgens haar dienen te kenmerken. In het kort komt haar kritiek erop neer dat we een terugkeer meemaken van een liberaal constitutionele benadering die vragen als die over de evangelisch-lutherse school en de christelijke onderneming inmiddels gewoon was te behandelen in termen van rechtvaardigheid, naar een benadering die deze weer opvat in termen van bevoegdheid van levensbeschouwelijke organisaties tegenover de staat. Zij spreekt van een opvatting als zouden deze organisaties over een eigen jurisdictie beschikken, die hen ten onrechte immuun maakt voor bepaalde door de staat uitgevaardigde regelgeving. Vervolgens komt zij tot de terechte vaststelling, dat een en ander voortkomt uit een politiek-theologische visie op de waarde van instituties en ook van soevereiniteit. Het is voor onderzoekers op het terrein van recht en religie soms noodzakelijk om de theologische achtergronden van bepaalde regels, of zoals in dit geval de uitzondering op dergelijke regels, in de beschouwing te betrekken. Hoewel zelf niet theologisch geschoold of geëngageerd, geeft Cohen er blijk van dit goed te begrijpen. De collectieve dimensie van godsdienstvrijheid heeft haar wortels in de strijd tussen pausen en vorsten in de 11e en 12e eeuw over de vraag wie het recht had hoge geestelijken te benoemen.

In de beleving van Cohen leidt de hedendaagse variant van deze theologisch-politieke visie tot ongerechtvaardigde privileges van religieuze instellingen, zoals de behoudende evangelisch-lutherse school, en zelfs bedrijven. Deze kunnen zich bijgevolg onttrekken aan juridische verplichtingen. Dat is voor Cohen geen kwestie van eerlijke of gelijke behandeling, maar een inbreuk op hoe liberale rechten in de praktijk behoren uit te werken. Daarmee levert de theologisch-politieke opvatting volgens haar een bedreiging op van democratisch-rechtsstatelijke verworvenheden. Het maakt het er voor Cohen begrijpelijkerwijze niet beter op dat die situatie zich niet tot de Verenigde Staten beperkt. Hoewel zij begon met het behandelen van twee Amerikaanse arresten, worden dezelfde argumentaties wereldwijd gebruikt onder de noemer van de ‘vrijheid van godsdienst’. Dit levert potentieel bijvoorbeeld ook een risico op voor Nederland, waar Cohen de lezing gaf waarop haar in deze paragraaf besproken artikel is gebaseerd.

Zoals duidelijk mag zijn, kwalificeert Cohen zich met haar kritiek op de vrijheid van religieuze organisaties om bijvoorbeeld een eigen personeelsbeleid te voeren als ‘new critic of religious freedom’. Maar beperkt de kritiek van Cohen zich eigenlijk nog wel tot de godsdienstvrijheid of gaat het haar in de kern om een bepaald ideaal van liberale democratie? Naar mijn oordeel is dit laatste het geval.

Geloof in de liberale democratie (I): Inleiding

Presentation during Cardiff Festival for Law and Religion

New Facebook Page on Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom. To Be Fully Human

Honours Class ‘Constitutionele concepten en praktijk’

5

Deze Honours Class hoop ik komende zomer aan te bieden, samen met prof. mr. J.P.H. Donner, vice-president van de Raad van State en dit academisch jaar als Cleveringa-hoogleraar verbonden aan de Universiteit Leiden.

De vakbeschrijving luidt als volgt:

‘Belangrijke staatsrechtelijke begrippen, zoals democratie, scheiding van machten en soevereiniteit, zijn historisch tot ontwikkeling gekomen binnen de grenzen van de natiestaat. Deze Honours Class zal allereerst onderzoeken wat de functies van deze begrippen waren binnen het nationale bestel en welke invulling zij in de praktijk hebben gekregen.

In de afgelopen decennia is de “beschermende” functie van natiestaten zoals Nederland verminderd. Een tweede vraag die de Class zal pogen te beantwoorden is dan ook: gegeven de nieuwe praktische werkelijkheid van Europese integratie in het bijzonder, hoe kan de essentie van deze, oorspronkelijk nationale staatsrechtelijke begrippen, ook in het vervolg gewaarborgd blijven?’

Dit vak is een Honours Class en alleen beschikbaar voor studenten van het Honours College. Zij kunnen zich tot 1 april voor het vak inschrijven.

Zie voor de volledige vakbeschrijving:

https://studiegids.leidenuniv.nl/courses/show/56319/constitutionele-concepten-en-praktijk.

Voor het nieuwsbericht over de benoeming van prof. mr. J.P.H. Donner, zie:

http://nieuws.leidenuniv.nl/nieuws-2015/piet-hein-donner-houdt-cleveringa-oratie-2015.html.

De Cleveringa-oratie 2015 van vice-president Donner is hier raadpleegbaar:

https://www.raadvanstate.nl/agenda/nieuws/tekst-nieuwsbericht.html?id=797&summary_only=&category_id=9.

In de Mare verscheen op 19 november 2015 een interview met de Cleveringa-hoogleraar, getiteld ‘Ik mis het debat met de Kamer’:

http://www.mareonline.nl/archive/2015/11/18/ik-mis-het-debat-met-de-kamer.