Tag Archives: Montesquieu

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (VI, slot): Levinson, de bloedverwant

Dit is het zesde en laatste deel van een nieuwe serie blogposts gebaseerd op een bijdrage die ik een jaar geleden, op 20 april 2017, leverde aan een symposium over The Federalist Papers. Het symposium, dat plaatsvond in Brussel, was georganiseerd door De Debatten. ‘De Debatten is een initiatief van de Vrije Universiteit Brussel met de Universiteit Leiden en als Nederlandstalig forum een vaste waarde onder rechtsfilosofen en rechtshistorici uit de Lage Landen en een groeiende waarde binnen de wereld van de politieke filosofie.’ De bijdrage is onlangs ook, in definiteve vorm en voorzien van notenapparaat, gepubliceerd. Meer informatie daarover volgt nog.

De laatste opmerking, te weten dat ook het pleidooi van Levinson voor ‘popular constitutionalism’ aandacht verdient, brengt mij tenslotte op een evaluerende opmerking ten aanzien van het boek van Levinson over de Federalist Papers. De ontegenzeggelijk ernstige ondertoon van de mailwisseling tussen Balkin en Levinson kan een aanwijzing zijn dat niet alleen progressieve liberalen onderling, maar ook conservatieve en progressieve liberalen elkaar in de huidige tijd beter kunnen vasthouden dan elkaar vliegen afvangen. Uiteraard zal tussen hen de waardering van het verschijnsel Trump, en daarmee ook die van de toestand waarin de Amerikaanse constitutionele democratie verkeert, uiteenlopen. Toch konden liberalen van uiteenlopende signatuur elkaar wel eens nodig hebben om bepaalde waarden in het staatsbestel die hen allen dierbaar zijn, in stand te houden. Niet alleen staat de liberale democratie wereldwijd onder druk, maar ook binnen het Westen is haar voortbestaan, zoals Balkin terecht opmerkt, nooit vanzelfsprekend. Dat geldt ook nu.

Dat er van de kant van een uitgesproken progressieve liberaal als Levinson openheid bestaat richting conservatieve stromingen, mag blijken uit het feit dat hij recentelijk voor de American Society for Political and Legal Philosophy een bundel hielp redigeren, getiteld American Conservatism (2016). Deze bundel bevat o.a. een hoofdstuk over constitutioneel conservatisme, welke richting wordt uiteengezet met behulp van de begrippen ‘balance’, ‘restraint and the rule of law’, ‘education, recurrence to first principles, and reverence’, ‘preservation in an emergency’, ‘political limits, effective government, and preservation by adaption’. Het zijn stuk voor stuk begrippen die een andere sfeer ademen dan An Argument Open to All. Het is een spannende vraag hoe het Amerikaanse conservatisme, en het constitutionele conservatisme in het bijzonder, zich de komende periode verder zullen ontwikkelen. De opkomst van het eerdergenoemde populistische constitutionalisme, en een ‘Trumpisme’ als mogelijk uitvloeisel daarvan, stelt deze denkrichting immers voor vragen, al is er zeker niet alleen maar sprake van bedreigingen. Voor de beantwoording van dergelijke vragen is Levinson niet de aangewezen persoon. Daarvoor is hij te weinig een geestverwant van het conservatisme.

In een andere bijdrage aan de bundel over conservatisme merkt Patrick J. Deneen van de University of Notre Dame echter, in navolging van Louis Hartz, op dat er welbeschouwd slechts een filosofische traditie heeft bestaan in de Verenigde Staten. Daarmee doelt hij op de vraag of aldaar eigenlijk wel kan worden gesproken van een conservatieve traditie en dat er het nodige te zeggen valt voor de gedachte dat hetgeen er doorgaat voor conservatisme niet veel meer dan een variant van het alom aanwezige liberalisme is. Het is in dit verband veelzeggend dat de Federalist Papers als basisdocument van het Amerikaanse bestel, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het werk van Montesquieu, in hun geheel als ‘modern’ kunnen worden beschouwd. Volgens Deneen voert het al met al niet te ver om te stellen dat er in de Verenigde Staten slechts onderscheiden kan worden tussen een klassiek liberalisme, in de traditie van denkers als John Locke en Adam Smith, enerzijds en een progressief liberalisme in de lijn van filosofen als J.S. Mill, Rousseau, Kant en, later, Rawls en Habermas anderzijds. Het debat zou daarmee in de kern gaan tussen de eerste twee ‘waves of modernity’ (Leo Strauss). En dan volgt de zin waaraan deze slotparagraaf haar titel ontleent: of er in de Verenigde Staten al dan niet een conservatieve traditie bestaat, blijft volgens Deneen een dankbaar onderwerp voor discussie en nader onderzoek naar de vraag op welke manieren het Amerikaanse conservatisme ten principale liberaal blijft, kan gemakkelijk wederom tot de vaststelling leiden dat ‘the fiercest battles are those fought between brothers’.

Deneen zelf trekt hieruit zijn consequenties door zich in toenemende mate buiten het liberalisme te positioneren. Hij is echter niet de enige intellectueel die bezig is of lijkt afscheid te nemen van het liberalisme en het zal interessant zijn het debat hierover, dat naar verwachting niet zal verstommen in de voor ons liggende jaren, te volgen. Opnieuw zou het te ver voeren het debat hier verder weer te geven, laat staan er een bijdrage aan te leveren.

Voor de doeleinden van deze serie blogposts is het toereikend om vast te stellen dat klassieke en progressieve liberalen, zoals Levinson, ondanks dat zij misschien niet in alle opzichten geestverwanten zijn, toch bloedverwanten van elkaar blijven. Het boek An Argument Open to All vormt hiervan het overtuigende bewijs. Het mag uitzonderlijk heten dat een staatsrechtswetenschapper de moeite neemt om alle 85 oorspronkelijke essays van een commentaar te voorzien, met als leidende vraag wat de mogelijke relevantie ervan is in de huidige tijd. Levinson komt vervolgens ook nog tot de conclusie dat deze actuele relevantie er in alle 85 gevallen is. De centrale boodschap die hij uit de Federalist Papers meent te mogen afleiden, te weten dat ook thans politiek bewuste burgers moeten nadenken over de Grondwet en deze waar nodig weer in rapport dienen te brengen met de tijd, sluit goed aan bij een momenteel sterke stroming binnen het vergelijkende constitutionele recht die aandacht heeft voor ‘constitutional design’. Zijn these dat hij welbeschouwd Publius aan zijn zijde heeft, wanneer hij een pleidooi houdt voor voortdurende kritische reflectie op het constitutionele bestel, is een handschoen die andere wetenschappers gelet op de door Levinson aangehaalde passages uit de Federalist Papers nog niet zo eenvoudig zullen vinden om op te pakken.

Dat Levinson hierbij ook zijn stellingname potentieel complicerende kwesties, zoals die van de heterogeniteit van de hedendaagse Amerikaanse bevolking en de menselijke natuur, niet uit de weg gaat, valt eveneens te prijzen. Levinson is vervolgens enigszins in het defensief geraakt met zijn pleidooi voor ‘populistisch constitutionalisme’ als gevolg van de verkiezing van Trump tot president. Deze uitslag kwam ook voor anderen onverwacht. Het heeft bij Levinson nog niet tot een aanwijsbare verandering van standpunt geleid met betrekking tot ‘popular constitutionalism’. In eerste instantie leidde het wel tot een enigszins opportunistische aandoende oproep aan het Electoral College om het tij te keren nu dat mogelijk was.

Dat een dergelijk opstelling niet representatief is voor het hele progressieve liberalisme, bewijst de op het eerste gezicht bedachtzamere stellingname van Balkin. Balkin is, evenals Levinson, bezorgd over de ‘constitutional rot’ die zich in de Verenigde Staten volgens hem bezig is te voltrekken. Anders dan Levinson, beschouwt hij een aantal veiligheidskleppen die zijn ingebouwd in de Amerikaanse Grondwet om de doorwerking van de wil van de meerderheid te temperen als waardevol. Ook is hij beducht voor instrumenten als het referendum of de Constitutionele Conventie om de wil van het volk sterker te laten doorklinken in constitutionele zaken, zeker in het huidige tijdsgewricht. Tenslotte vraagt hij aandacht voor een aantal maatschappelijke instellingen en organisaties die eveneens van belang zijn voor de duurzaamheid van een constitutionele democratie. Daarmee nadert hij het conservatisme en illustreert hij de stelling van Deneen en anderen dat het conservatief en progressief liberalisme in de Verenigde Staten in de kern van de zaak loten van dezelfde stam zijn. Wie niet bereid is het liberalisme vaarwel te zeggen, zoals Deneen, ontkomt er niet aan Levinson tenminste als bloedverwant tegemoet te treden. In deze bijdrage heb ik daartoe een poging ondernomen.

Zie voor de eerdere delen in deze serie blogposts:

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (V): Trump

 

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (III): De achterlopende Grondwet

Dit is het derde deel van een nieuwe serie blogposts gebaseerd op een bijdrage die ik een jaar geleden, op 20 april 2017, leverde aan een symposium over The Federalist Papers. Het symposium, dat plaatsvond in Brussel, was georganiseerd door De Debatten. ‘De Debatten is een initiatief van de Vrije Universiteit Brussel met de Universiteit Leiden en als Nederlandstalig forum een vaste waarde onder rechtsfilosofen en rechtshistorici uit de Lage Landen en een groeiende waarde binnen de wereld van de politieke filosofie.’ De bijdrage verschijnt later deze maand, in definiteve vorm en voorzien van notenapparaat, ook in druk.

Welbeschouwd heeft Levinson slechts een centraal punt waarop hij de aandacht wil vestigen naar aanleiding van de Federalist Papers. Direct bij de bespreking van Federalist nr. 1 merkt hij op dat Publius er, als kind van de Verlichting, van uitging dat de opstellers van de Grondwet in staat zouden zijn om te reflecteren op de vraag hoe deze eruit diende te zien. Of, in de beroemde woorden van Publius zelf: ‘it seems to have been reserved to the people of this country, by their conduct and example, to decide the important question, whether societies of men are really capable or not, of establishing good government from reflection and choice, or whether they are forever destined to depend, for their political constitutions, on accident and force.’

Als dat ruim twee eeuwen geleden zo was, dan valt volgens Levinson niet in te zien waarom dat thans anders zou moeten zijn: ‘The central question is whether we still believe, well into the third century after October 27, 1787, when Publius’s initial essay was published, that it makes sense to subject American constitutionalism to the standards of “reflection and choice.”’ Vandaar ook de titel van Levinson’s boek, die is ontleend aan hetgeen Publius tegen het eind van zijn eerste essay opmerkt. Publius belooft daar dat ‘[m]y arguments will be open to all, and may be judged of by all’. Levinson bestempelt deze belofte ook twee eeuwen later nog als ‘deeply inspirational’. Publius gaf direct aan het begin van de Federalist Papers blijk van zijn vertrouwen in het vermogen van de Amerikaanse bevolking om over het staatsbestuur te beraadslagen en daarover vervolgens belangwekkende beslissingen te nemen. De vraag die thans voorligt, luidt: ‘Do we believe that is possible today, or is it a quixotic, even potentially dangerous fantasy?’

Levinson betoont zich hiermee voorstander van wat ‘popular constitutionalism’ wordt genoemd, wel te onderscheiden van het op dit moment tevens gebruikte ‘populist constitutionalism’. Bij deze laatste term is het de vraag of er geen sprake is van een contradictio in terminis, in de zin dat er een spanning bestaat tussen liberaal constitutionalisme en populisme, voorzover de laatste stroming zich met een beroep op het ‘echte’ volk keert tegen pluralisme. Bij ‘popular constitutionalism’ is dit niet, of althans minder, het geval. ‘Popular constitutionalism’ is voor Levinson een term die ervan uitgaat dat de bevolking als geheel in staat is om nog altijd deel te nemen aan een serieuze gedachtenwisseling over constitutionele aangelegenheden, zoals Federalist nr. 1 die reeds voor zich zag, in elk geval voorzover het de lezers van de Federalist Papers zelf betrof. Deze laatste clausulering is onthullend, aangezien het direct ook weer een aanzienlijke inperking van het ‘popular constitutionalism’ impliceert, althans denkbaar acht.

Daar staat tegenover dat Levinson ten aanzien van de methoden van ‘popular constitutionalism’ juist weer betrekkelijk ruimhartig schijnt. Zo verwijst hij naar het feit dat aanhangers van de Tea Party-beweging door hun tegenstanders zijn bekritiseerd vanwege het soms tumultueueze karakter van hun protesten. Echter, dit verwijt is in het verleden ook wel gericht aan het adres van linkse demonstranten tijdens de jaren zestig van de twintigste eeuw en, recenter, de Occupy-beweging in de jaren 2011-2012. Voor Levinson is het echter in al deze gevallen de vraag: ‘Should we, however, perhaps describe these protests as “Publian moments”?’ Hier zien we Levinson dus, consistent als hij kan zijn, als verdediger optreden van de Tea Party, terwijl zelfs conservatieve staatsrechtsgeleerden soms reserves koesteren ten aanzien van de doelen en methoden van deze beweging. Deze reserves gelden in hun geval vanzelfsprekend nog sterker met betrekking tot de door de Occupy-beweging gevolgde aanpak. Levinson komt hier evenwel op door een passage uit Federalist nr. 33, waarin Publius stelt dat de federale regering ‘must judge in the first instance of the proper exercise of its powers; and its constituents in the last’. Wanneer blijkt dat de regering haar bevoegdheden heeft overschreden, en het gevaar van tyrannie dreigt, ligt het op de weg van de bevolking om passende maatregelen te treffen teneinde de schending van de Grondwet te doen stoppen.

Een en ander betekent voor Levinson dat ook vandaag de Amerikaanse Grondwet nog onderworpen dient te zijn aan ‘full and fearless critique’. Bijgevolg is het voor Levinson niet alleen denkbaar, maar in het licht van bepaalde veranderingen die zich de afgelopen 250 jaar hebben voltrokken ook wenselijk, dat de Amerikaanse Grondwet wordt gewijzigd. Zoals dikwijls wordt aangenomen, is het echter op grond van artikel V in de praktijk heel lastig is om de Grondwet te amenderen. Daarom moet er volgens Levinson desnoods buiten de grondwettelijke procedure om een Constitutionele Conventie bijeen worden geroepen. Deze zou als opdracht moeten krijgen de voorbereiding van ‘a comprehensive overview of the U.S. Constitution and the utility of many of its provisions to twenty-first century Americans’.

De aanleiding voor Levinson om zo te hechten aan constitutionele verandering is dat hij, evenals menige andere auteur, signaleert dat de Amerikaanse democratie in hoge mate ‘dysfunctioneel’ is geworden. In tegenstelling tot de meeste andere auteurs, zoekt hij de oorzaak daarvan evenwel in de Grondwet zelf. Deze mag dan nog zo bewonderd worden, zij blijft volgens Levinson tegelijkertijd ‘an “imbecility” in important aspects and in need of a full-scale checkup and diagnosis, with the possibility that fairly radical surgery may be required?’ Binnen de Grondwet gaat zijn aandacht daarbij vooral uit naar de ‘structurele’ bepalingen, die de Amerikaanse staatsinrichting betreffen. Dit is ongetwijfeld een verademing in een tijd waarin de ‘Bill of Rights’ zowel maatschappelijk als wetenschappelijk de meeste aandacht trekt. De Amerikaanse staatsinrichting zit bewust zo in elkaar dat niet alleen de Grondwet moeilijk kan worden gewijzigd, maar ook de meerderheid van het moment slechts met moeite het programma waarop zij is verkozen, zal kunnen omzetten in beleid. Dit is echter juist waar Levinson bezwaar tegen heeft.

Vanzelfsprekend laat Levinson zich in zijn streven naar verandering van de Amerikaanse Grondwet kennen als een rechtgeaarde progressieve liberaal. Opvallend daarbij is dat hij zich mede beroept op Publius zelf. Behalve Federalist nr. 1, haalt hij in dat verband ook Federalistnr. 9 aan, waarin wordt verwezen naar de nieuwe en verbeterde ‘science of politics’ waarvan gebruik mag en zelfs moet worden gemaakt. De politieke wetenschap heeft volgens deze aflevering duidelijk vooruitgang geboekt ten opzichte van de klassieke oudheid. Beginselen als de machtenscheiding waren op het moment van verschijning van de Federalist Papers bijvoorbeeld ‘wholly new discoveries, or have made their principal progress towards perfection in modern times’. Ook corrigeert Publius een denker als Montesquieu wanneer deze stelt dat, als het gaat om het bereiken en handhaven van een republikeinse regeringsvorm, de omvang van een land niet te groot moet zijn. Kortom, Publius ‘is rejecting what philosophers sometimes call the “argument from authority” in favor of what we can ascertain from our own experiences’.

Tenslotte wijst Publius in Federalist nr. 37 op de grenzen van het menselijk begrip, zeker waar het ‘the institutions of man’ betreft. Het is, zo schrijft hij, in de praktijk bijzonder lastig gebleken om de drie klassieke staatsmachten en hun bevoegdheden precies van elkaar te onderscheiden. Vrijwel dagelijks rijzen hieromtrent vragen die onmiskenbaar de ‘obscurity’ laten zien die deze onderwerpen beheerst voor zelfs de briljantste politieke wetenschappers.’ En wat Levinson ‘the most stunning sentence’ van deze aflevering noemt, een zin die betrekking heeft op de onvermijdelijke ‘inaccuracy of the terms’ die bijvoorbeeld de makers van de Constitutie hebben gehanteerd: ‘When the Almighty himself condescends to address mankind in their own language, his meaning, luminous as it must be, is rendered dim and doubtful, by the cloudy medium through which it is communicated.’ Aldus werpt Federalist nr. 37 in essentie dezelfde (meta-)vraag op als Federalist nr. 14: moeten we de Federalist Papers nu gebruiken om definitieve antwoorden te vinden op de constitutionele vragen van de dag of is de boodschap van Publius wellicht een andere, te weten ‘“Think for yourselves, drawing on your own lessons of experience. We did the best we could do, as inevitably fallible human beings. Now it’s up to you.”’

Publius hanteert al dergelijke argumenten om tot een betrekkelijk radicale breuk te komen met de theorie en praktijk van de confederatie. Inmiddels hebben wij echter bijna 250 jaar meer ervaring met politieke stelsels, waaronder het Amerikaanse. Zou het niet voor de hand liggen deze ervaring te benutten om het bestel bij te stellen indien het niet langer functioneert op de manier waarop dat zou moeten, zo vraagt Levinson zich af?

Zie voorts:

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (II): Een opzienbarend boek

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (I): Inleiding

Press Release: ‘Twelve ILS seed money grants for frontier research at Leiden Law School’

Participant, ‘The Quest for Legitimacy: Actors, Audiences and Aspirations’, 2017 APSA Annual Meeting, San Francisco, CA, August 31-September 3 (I)

Topics include:

  • New Perspectives on Montesquieu
  • The Crisis of Constitutional Democracy
  • American Public Philosophy in the Age of Trump
  • On the Compatibility of Natural Law and Natural Rights
  • Author Meets Critics: Alexander Tsesis’s “Constitutional Ethos”
  • Liberalism in Crisis
  • Challenges to the Rule of Law
  • The Future of Conservatism
  • Constitution Making in Religiously Divided Societies

See for more information about the program: http://web.apsanet.org/apsa2017/.

See also:

Press Release: ‘Twelve ILS seed money grants for frontier research at Leiden Law School’

Participant, ‘Great Transformations: Political Science and the Big Questions of Our Time’, 2016 APSA Annual Meeting, Philadelphia, PA, September 1-4

Upcoming Speaking Engagement: Symposium The Federalist Papers, Brussel, 20 april 2017

constitution-1486010__480

‘SYMPOSIUM FEDERALIST PAPERS
De Debatten is een initiatief van de Vrije Universiteit Brussel met de Universiteit Leiden en als Nederlandstalig forum een vaste waarde onder rechtsfilosofen en rechtshistorici uit de Lage Landen en een groeiende waarde binnen de wereld van de politieke filosofie. Na succesvolle formules omtrent Tocqueville (2011), Rousseau (2012), Benjamin Constant (2014), Montesquieu (2015) en Edmund Burke (2016) met bijbehorende boeken bij Lemniscaat, Pelckmans, Vrijdag en ASP organiseert De Debatten een symposium over de Federalist Papers. Het symposium vindt plaats te Brussel op donderdag 20 april 2017.

PROGRAMMA (O.V.)
10u00 Ontvangst met koffie
10u10 Inleiding ochtendgedeelte door Prof. Dr. Paul De Hert (Vrije Universiteit Brussel)
10u20 ‘We the people’. De constitutie van een Amerikaans politiek subject tussen ‘federalisme’ en ‘anti-federalisme’ door Prof. Dr. Jean-Marc Piret (Vrije Universiteit Brussel, Universiteit Rotterdam)
10u50 Republikanisme versus democratie in de Federalist Papers door Drs. Allard Altena (Universiteit Leiden)
11u20 Vragenronde en koffiepauze
11u40, De Senaat als anker van de regering door Dr. Emma Cohen de Lara (Universiteit van Amsterdam)
12u10 De federale rechterlijke macht en anti-federalisme door Prof. Dr. Matthias Storme (Katholieke Universiteit Leuven)
12u40 Vragenronde
13u00 Lunchpauze
14u00 Inleiding namiddaggedeelte door Em. Prof. Michel Magits (Vrije Universiteit Brussel)
14u10 Het Corsicaanse precedent door Prof. Dr. Michel Huysseune (Vrije Universiteit Brussel)
14u40 Frankrijk en Amerika als tweeling door Prof. Dr. Andreas Kinneging (Universiteit Leiden)
15u10 Vragenronde en koffiepauze
15u20 De academische receptie van de Federalist Papers in België, Nederland en Duitsland door Drs. Niels Graaf (Universiteit Utrecht)
15u50 Tussen populisme en technocratie: over Sanford Levinson door Prof. Dr. Hans-Martien ten Napel (Universiteit Leiden)

16u20 Vragenronde
16u30 Afronding en conclusies

19U30 TOT 21U BOEKVOORSTELLING EDMUND BURKE: ZIN EN ONZIN VAN HET VOOROORDEEL
Meer dan ooit hebben oude en nieuwe media een grote impact op het politieke en sociale debat. Door de continue toestroom van informatie worden maatschappelijke vooroordelen steeds sneller bevestigd dan wel ontkracht. Maar hoe zit het precies met dat vooroordeel, en kunnen we die vooroordelen ten sociale nutte aanwenden? Volgens de Britse politicus Edmund Burke (1730-1797) zijn ze mooi en ridderlijk. Wat kunnen wij leren van deze filosoof in het Europa anno 2017? Met Bart De Wever, Paul Scheffer, Anton Jaeger en Annelies Beck. Situering door Andreas Kinneging.
deBuren, Leopoldstraat 6, 1000 Brussel. Gratis toegang, reserveren: www.deburen.eu of +32 (0)2 212 19 30. Organisatie: deBuren en VUB (De Debatten)

PRIJS DAGPROGRAMMA 25 euro, PhD studenten en studenten gratis
DATUM Donderdag 20 april 2017 van 10u tot 21u
LOCATIE Vrije Universiteit Brussel
INFO en INSCHRIJVEN
Maarten Colette (Maarten.Colette@vub.ac.be; Vrije Universiteit Brussel) en Gerard Versluis (g.h.a.versluis@law.leidenuniv.nl ; Universiteit Leiden)’

Bron: https://my.vub.ac.be/nieuws/2017/01/17/symposium-federalist-papers.

Zie voorts: http://www.dedebatten.be/the-federalist-papers.html.

Participant, ‘Great Transformations: Political Science and the Big Questions of Our Time’, 2016 APSA Annual Meeting, Philadelphia, PA, September 1-4

APSA Federalist

Among the panels I attended were:

‘Is The Federalist Relevant to 21st Century Concerns’, a roundtable inspired by Sanford Levinson’s book An Argument Open to All: Reading the Federalist in the 21st Century (2015), with Ran Hirschl, Sanford Levinson, Kim Lane Scheppele a.o.;

‘1996: A Good Year for Deliberative Theory, 20 Years Later’, with Amy Gutmann a.o.; and

‘Carrese’s “Democracy in Moderation: Montesquieu, Tocqueville, and Liberalism”‘, with Paul O. Carrese, Aurelian Craiutu, a.o.

For more information on the program, see: http://community.apsanet.org/annualmeeting/home.

Paper presentation, ‘Multiple Sovereignties and the Principle of Separation of Powers’, IXth World Congress of Constitutional Law, University of Oslo (2014)

logo-wccl-uio

About the Congress:

‘The IACL holds a World Congress every 3-4 years. The IXth Congress will take place in Oslo from 16 to 20 June 2014 and is organised by the Department of Public Law at the University of Oslo in collaboration with the Executive Committee of the IACL. The venue for the Congress is the historic Main Building of the University of Oslo, which is in the centre of the city.
The Congress will take place just one month after the 200th anniversary of the Norwegian Constitution which today stands as the second-oldest written Constitution in the world. It is expected that between 300 and 500 participants will attend the Congress, from all regions of the world.
The working languages of the Congress are French and English and simultaneous translation will be provided in plenary sessions.
The IACL uses two principal formats for the scholarly programme of a World Congress: plenary sessions and workshops. Plenary sessions are open to all participants while workshops are smaller and discussion-based. There will be four plenary sessions in this Congress, each of which lasts for 3½ hours.’

About the workshop during which the paper was presented (‘The mutations and transformation of division of powers: the constitutional organization’):

‘The classical characteristics of the Legislative and Executive Powers, which have scarcely changed since the origins of liberal constitutionalism (XVIIIXIX), are no longer adequate concepts or theoretical devices for explaining constitutional reality.

Every division of powers rests on the willingness of a constitutional assembly to divide the power with the purpose of avoiding the abuse of power and tyranny. The search for a system of checks and balances is then based on a liberal conception of political power. Therefore the main instrument to realize this balanced frame is to organize a moderate and representative government as was defended by Montesquieu and other authors; a limited power – they thought – should exclude arbitrariness and despotism.

But it becomes necessary to maintain two essential ingredients of the spirit of division of powers: the efficiency of this frame of government and the limitation of powers itself. The first ensures the supreme and general interest of a community; the second guarantees the fundamental rights and private interests of individuals. Thus both requirements must condition the development of the political society that every Constitution leads.

The issue of division of powers is however, nowadays, clearly renewed, because not only do the Executive and the Legislative powers play a main role within constitutional organization, but also those two classical powers have been submitted to strong transformations. Besides, modern constitutional provisions have created many new organs and powers, taking into account new circumstances and techniques.

On one hand, the judiciary power has affirmed itself step by step as a counter power of political and representative power. On the other hand, there are other powers with a diverse nature and quite different from those organized by the constitution:

the economic and financial powers,
international organizations which can be founded on different bedrocks,
lobbies which represent the interest of different groups in a society or even
collective and minority interests (religions, languages, costumes, regional or national identities), or
media powers.
These entities do not belong to the democratic and representative circuit provided inside constitutions. Those new realities and scenarios should probably be present in the philosophy of the contemporary constitutional organization. We must also underline the existence of supranational organizations, in particular in Europe and Latin America, as well as their intense impact on the transformation of the domestic division of power within the States.’

For sources and additional information, see:

http://www.iacl-aidc.org/en/events/previous-events/103-oslo-congress-oslo-congress-16-20-june-2014;

http://www.jus.uio.no/english/research/news-and-events/events/conferences/2014/wccl-cmdc/wccl/program/workshops/workshop15.html.

[At my request, my own paper was removed from the list of ‘accepted papers’ for copyright purposes.]