Tag Archives: liberalen

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (VI, slot): Levinson, de bloedverwant

Dit is het zesde en laatste deel van een nieuwe serie blogposts gebaseerd op een bijdrage die ik een jaar geleden, op 20 april 2017, leverde aan een symposium over The Federalist Papers. Het symposium, dat plaatsvond in Brussel, was georganiseerd door De Debatten. ‘De Debatten is een initiatief van de Vrije Universiteit Brussel met de Universiteit Leiden en als Nederlandstalig forum een vaste waarde onder rechtsfilosofen en rechtshistorici uit de Lage Landen en een groeiende waarde binnen de wereld van de politieke filosofie.’ De bijdrage is onlangs ook, in definiteve vorm en voorzien van notenapparaat, gepubliceerd. Meer informatie daarover volgt nog.

De laatste opmerking, te weten dat ook het pleidooi van Levinson voor ‘popular constitutionalism’ aandacht verdient, brengt mij tenslotte op een evaluerende opmerking ten aanzien van het boek van Levinson over de Federalist Papers. De ontegenzeggelijk ernstige ondertoon van de mailwisseling tussen Balkin en Levinson kan een aanwijzing zijn dat niet alleen progressieve liberalen onderling, maar ook conservatieve en progressieve liberalen elkaar in de huidige tijd beter kunnen vasthouden dan elkaar vliegen afvangen. Uiteraard zal tussen hen de waardering van het verschijnsel Trump, en daarmee ook die van de toestand waarin de Amerikaanse constitutionele democratie verkeert, uiteenlopen. Toch konden liberalen van uiteenlopende signatuur elkaar wel eens nodig hebben om bepaalde waarden in het staatsbestel die hen allen dierbaar zijn, in stand te houden. Niet alleen staat de liberale democratie wereldwijd onder druk, maar ook binnen het Westen is haar voortbestaan, zoals Balkin terecht opmerkt, nooit vanzelfsprekend. Dat geldt ook nu.

Dat er van de kant van een uitgesproken progressieve liberaal als Levinson openheid bestaat richting conservatieve stromingen, mag blijken uit het feit dat hij recentelijk voor de American Society for Political and Legal Philosophy een bundel hielp redigeren, getiteld American Conservatism (2016). Deze bundel bevat o.a. een hoofdstuk over constitutioneel conservatisme, welke richting wordt uiteengezet met behulp van de begrippen ‘balance’, ‘restraint and the rule of law’, ‘education, recurrence to first principles, and reverence’, ‘preservation in an emergency’, ‘political limits, effective government, and preservation by adaption’. Het zijn stuk voor stuk begrippen die een andere sfeer ademen dan An Argument Open to All. Het is een spannende vraag hoe het Amerikaanse conservatisme, en het constitutionele conservatisme in het bijzonder, zich de komende periode verder zullen ontwikkelen. De opkomst van het eerdergenoemde populistische constitutionalisme, en een ‘Trumpisme’ als mogelijk uitvloeisel daarvan, stelt deze denkrichting immers voor vragen, al is er zeker niet alleen maar sprake van bedreigingen. Voor de beantwoording van dergelijke vragen is Levinson niet de aangewezen persoon. Daarvoor is hij te weinig een geestverwant van het conservatisme.

In een andere bijdrage aan de bundel over conservatisme merkt Patrick J. Deneen van de University of Notre Dame echter, in navolging van Louis Hartz, op dat er welbeschouwd slechts een filosofische traditie heeft bestaan in de Verenigde Staten. Daarmee doelt hij op de vraag of aldaar eigenlijk wel kan worden gesproken van een conservatieve traditie en dat er het nodige te zeggen valt voor de gedachte dat hetgeen er doorgaat voor conservatisme niet veel meer dan een variant van het alom aanwezige liberalisme is. Het is in dit verband veelzeggend dat de Federalist Papers als basisdocument van het Amerikaanse bestel, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het werk van Montesquieu, in hun geheel als ‘modern’ kunnen worden beschouwd. Volgens Deneen voert het al met al niet te ver om te stellen dat er in de Verenigde Staten slechts onderscheiden kan worden tussen een klassiek liberalisme, in de traditie van denkers als John Locke en Adam Smith, enerzijds en een progressief liberalisme in de lijn van filosofen als J.S. Mill, Rousseau, Kant en, later, Rawls en Habermas anderzijds. Het debat zou daarmee in de kern gaan tussen de eerste twee ‘waves of modernity’ (Leo Strauss). En dan volgt de zin waaraan deze slotparagraaf haar titel ontleent: of er in de Verenigde Staten al dan niet een conservatieve traditie bestaat, blijft volgens Deneen een dankbaar onderwerp voor discussie en nader onderzoek naar de vraag op welke manieren het Amerikaanse conservatisme ten principale liberaal blijft, kan gemakkelijk wederom tot de vaststelling leiden dat ‘the fiercest battles are those fought between brothers’.

Deneen zelf trekt hieruit zijn consequenties door zich in toenemende mate buiten het liberalisme te positioneren. Hij is echter niet de enige intellectueel die bezig is of lijkt afscheid te nemen van het liberalisme en het zal interessant zijn het debat hierover, dat naar verwachting niet zal verstommen in de voor ons liggende jaren, te volgen. Opnieuw zou het te ver voeren het debat hier verder weer te geven, laat staan er een bijdrage aan te leveren.

Voor de doeleinden van deze serie blogposts is het toereikend om vast te stellen dat klassieke en progressieve liberalen, zoals Levinson, ondanks dat zij misschien niet in alle opzichten geestverwanten zijn, toch bloedverwanten van elkaar blijven. Het boek An Argument Open to All vormt hiervan het overtuigende bewijs. Het mag uitzonderlijk heten dat een staatsrechtswetenschapper de moeite neemt om alle 85 oorspronkelijke essays van een commentaar te voorzien, met als leidende vraag wat de mogelijke relevantie ervan is in de huidige tijd. Levinson komt vervolgens ook nog tot de conclusie dat deze actuele relevantie er in alle 85 gevallen is. De centrale boodschap die hij uit de Federalist Papers meent te mogen afleiden, te weten dat ook thans politiek bewuste burgers moeten nadenken over de Grondwet en deze waar nodig weer in rapport dienen te brengen met de tijd, sluit goed aan bij een momenteel sterke stroming binnen het vergelijkende constitutionele recht die aandacht heeft voor ‘constitutional design’. Zijn these dat hij welbeschouwd Publius aan zijn zijde heeft, wanneer hij een pleidooi houdt voor voortdurende kritische reflectie op het constitutionele bestel, is een handschoen die andere wetenschappers gelet op de door Levinson aangehaalde passages uit de Federalist Papers nog niet zo eenvoudig zullen vinden om op te pakken.

Dat Levinson hierbij ook zijn stellingname potentieel complicerende kwesties, zoals die van de heterogeniteit van de hedendaagse Amerikaanse bevolking en de menselijke natuur, niet uit de weg gaat, valt eveneens te prijzen. Levinson is vervolgens enigszins in het defensief geraakt met zijn pleidooi voor ‘populistisch constitutionalisme’ als gevolg van de verkiezing van Trump tot president. Deze uitslag kwam ook voor anderen onverwacht. Het heeft bij Levinson nog niet tot een aanwijsbare verandering van standpunt geleid met betrekking tot ‘popular constitutionalism’. In eerste instantie leidde het wel tot een enigszins opportunistische aandoende oproep aan het Electoral College om het tij te keren nu dat mogelijk was.

Dat een dergelijk opstelling niet representatief is voor het hele progressieve liberalisme, bewijst de op het eerste gezicht bedachtzamere stellingname van Balkin. Balkin is, evenals Levinson, bezorgd over de ‘constitutional rot’ die zich in de Verenigde Staten volgens hem bezig is te voltrekken. Anders dan Levinson, beschouwt hij een aantal veiligheidskleppen die zijn ingebouwd in de Amerikaanse Grondwet om de doorwerking van de wil van de meerderheid te temperen als waardevol. Ook is hij beducht voor instrumenten als het referendum of de Constitutionele Conventie om de wil van het volk sterker te laten doorklinken in constitutionele zaken, zeker in het huidige tijdsgewricht. Tenslotte vraagt hij aandacht voor een aantal maatschappelijke instellingen en organisaties die eveneens van belang zijn voor de duurzaamheid van een constitutionele democratie. Daarmee nadert hij het conservatisme en illustreert hij de stelling van Deneen en anderen dat het conservatief en progressief liberalisme in de Verenigde Staten in de kern van de zaak loten van dezelfde stam zijn. Wie niet bereid is het liberalisme vaarwel te zeggen, zoals Deneen, ontkomt er niet aan Levinson tenminste als bloedverwant tegemoet te treden. In deze bijdrage heb ik daartoe een poging ondernomen.

Zie voor de eerdere delen in deze serie blogposts:

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (V): Trump

 

Interview t.b.v. artikel ‘Buma koestert conservatisme’

Bron: European People’s Party – EPP Dublin Congress, 2014, CC BY 2.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=31654267

Het Reformatorisch Dagblad publiceert vandaag (zaterdag 17 juni 2017) op de voorpagina bovengenoemd artikel van Gerard Vroegindeweij, dat als volgt opent:

‘Het CDA positioneert zich rechts van de VVD, stelt CDA-prominent en oud-informateur Herman Wijffels. Wil het CDA inderdaad eenzelfde positie als zusterpartij CDU in Duitsland; dus rechts van de liberalen? Kenners gaan deels mee met deze waarneming van Wijffels.’

Het artikel bevat onder meer de volgende passage, waarin ik zelf aan het woord kom:

‘Gaat het CDA inderdaad richting de Duitse CDU en wil de partij de VVD rechts passeren? Hans Martien ten Napel, universitair hoofddocent staats- en bestuursrecht aan de Universiteit Leiden, denkt van wel. Volgens hem bevindt „zich de natuurlijke positie van het CDA aan de rechterkant van het politieke spectrum. Het sociaal-pluralistische gedachtegoed waarop de christendemocratie is gestoeld, vertoont onmiskenbaar verwantschap met de politieke stroming van het conservatisme. Noch de sociale leer van de Rooms-Katholieke Kerk, noch het antirevolutionair of christelijk-historisch denken kan als vollédig conservatief worden aangemerkt. Maar je merkt wel dat Buma het conservatisme koestert.”

In de beginperiode van het CDA keken christendemocraten met enige minachting naar de oosterburen en de behoudende koers die de CDU voerde. Met rechts en conservatisme wilden de Nederlandse CDA’ers niets te maken hebben. Ten Napel: „Het schrikbeeld dat christendemocraten ten tijde van de totstandkoming van het CDA van de Duitse CDU schetsten, wekt achteraf echter de nodige verwondering.”

In de jaren negentig schreven journalisten en wetenschappers het CDA af. De christendemocratie zou verdwijnen. Waarom hadden zij het mis?

„Het lijkt mij te vroeg om te concluderen dat deze journalisten en wetenschappers het mis hadden. In een postseculiere tijd ontstaat er op zichzelf weer meer ruimte voor de verbinding tussen levensbeschouwing en politiek. Bij de jongste Tweede Kamerverkiezingen boekte het CDA ook daadwerkelijk een bescheiden winst, maar negentien zetels blijft voor de christendemocratie wel het op een na slechtste resultaat uit de parlementaire geschiedenis.”

Is een rechtsere koers dé manier om politiek te overleven en ook niet-kerkelijke kiezers aan de partij te binden?

„Als er meer niet-kerkelijke kiezers komen, is een rechtsere koers niet de enige manier om hen aan de partij te binden. Deze niet-kerkelijke kiezers bevinden zich immers in het gehele politieke spectrum. Een rechtsere koers is wél een manier om ook andere, niet-christelijke, conservatieve kiezers te bereiken. Gelet op het teruglopende aantal christelijke kiezers is het van belang om de brug naar een algemener conservatisme te slaan. Dat moet relatief gemakkelijk kunnen doordat conservatisme in Nederland minder dan voorheen als taboe geldt.”

Waar zag u een omslag?

„Uit een eerder onderzoek dat ik verrichtte naar de programmatische ontwikkeling van het CDA tot 2010 kwam zeker wat betreft het integratiebeleid de eeuwwisseling als omslagpunt naar voren. Maar als ik met een nog ruimer historisch perspectief kijk, dan kun je je afvragen in hoeverre er eigenlijk gesproken kan worden van een omslag.”’

Lees hier het hele artikel, waarin o.a. ook oud-minister Hillen en Pieter Jan Dijkman, de nieuwe directeur van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA, aan het woord komen:

Buma koestert conservatisme.

Zie ook:

Bijdrage over ‘Verrechtsing van het CDA’ t.b.v. De Hofvijver (Montesquieu Instituut).