Tag Archives: Grondwet

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (IV): De heterogeniteit van de huidige Amerikaanse bevolking en de menselijke natuur

Dit is het vierde deel van een nieuwe serie blogposts gebaseerd op een bijdrage die ik een jaar geleden, op 20 april 2017, leverde aan een symposium over The Federalist Papers. Het symposium, dat plaatsvond in Brussel, was georganiseerd door De Debatten. ‘De Debatten is een initiatief van de Vrije Universiteit Brussel met de Universiteit Leiden en als Nederlandstalig forum een vaste waarde onder rechtsfilosofen en rechtshistorici uit de Lage Landen en een groeiende waarde binnen de wereld van de politieke filosofie.’ De bijdrage is onlangs ook, in definiteve vorm en voorzien van notenapparaat, gepubliceerd. Meer informatie daarover volgt nog.

Het ligt in de rede is hierbij nog een tweede fundamentele kwestie te betrekken die Levinson aansnijdt. Deze heeft betrekking op Federalist nr. 2. Hierin geeft Publius aan te hebben opgemerkt hoe ‘Providence has been pleased to give this one connected country, to one united people, a people descended from the same ancestors, speaking the same language, professing the same religion, attached to the same principles of government, very similar in their manners and customs’.

Levinson trekt terecht in twijfel of het Amerikaanse volk in de tijd dat de Federalist Papers werden geschreven wel zo homogeen was als Publius hier doet voorkomen. Een belangrijkere vraag is evenwel of wij heden ten dage met hem van oordeel zijn dat voor het welslagen van het Amerikaanse politieke experiment, dan wel vergelijkbare experimenten elders, een dergelijke mate van homogeniteit van de bevolking van belang is. Levinson stelt zichzelf inderdaad de vraag of er geen grenzen zijn aan de diversiteit die een samenleving zich kan veroorloven in het geval zij een republikeinse regeringsvorm voorstaat. Hij heeft ook reserves tegen groepen immigranten uit niet- of zelfs anti-democratische landen, die zich in Amerika terugtrekken in de eigen groep en aldus parallelsamenlevingen vormen.  Aan de andere kant bewijst het succes van de Verenigde Staten in de afgelopen 250 jaar, ondanks soms ernstige verdeeldheid, dat de homogeniteit die vereist is bepaald ook weer niet absoluut is.

Het is interessant om dit tweede, majeure punt dat Levinson maakt in zijn boek te bezien in relatie tot zijn centrale stelling. Wat betekent de mate van heterogeniteit van de Amerikaanse bevolking op dit moment voor het vertrouwen dat we kunnen hebben in haar vermogen om met behulp van reflectie en keuze de Amerikaanse Grondwet up-to-date te brengen dan wel te houden?

Menselijke natuur

Hier komt nog een derde fundamentele kwestie die Levinson aansnijdt bij, te weten die van de menselijke natuur. Volgens Federalist nr. 6, ‘men are ambitious, vindictive and rapacious’. In zijn commentaar op dit essay bestrijdt Levinson dit niet. Hij merkt slechts op dat Publius dit heel in het algemeen stelt en daarbij dus geen uitzondering maakt voor de Amerikanen. Volgens hem heeft dit bijzondere implicaties voor internationale lezers van de Federalist Papers. Zij moeten zich, als Publius gelijk heeft, dus ook op het ergste voorbereiden ten aanzien van de Amerikanen zelf.

Dit punt wordt nog versterkt door de zin uit Federalist nr. 10, waarop Levinson zich concentreert in zijn commentaar daarop. Deze zin luidt: ‘If the impulse and the opportunity [to engage in factitious conduct] be suffered to coincide, we well know that neither moral nor religious motives can be relied on as an adequate control.’ In reactie hierop schrijft Levinson dat Amerikanen dit moeilijk vinden om te bevatten, omdat zij graag anders willen geloven. Toch sluit hij zijn commentaar op dit essay af met een retorisch bedoelde vraag: ‘Is it chimerical to believe that the United States Constitution, even buttressed by “moral” or “religious” education, can provide adequate protection against our “latent” natures and the propensity to self-preference over the common good?’

Als dit evenwel het geval is, dan rijst tevens de vraag hoe de derde fundamentele kwestie die Levinson in zijn boek aansnijdt zich verhoudt tot zijn hoofdstelling, te weten dat een vorm van ‘popular constitutionalism’ gewenst is om de Amerikaanse Grondwet weer in rapport te brengen met de tijd. Daarbij is het overigens zo dat ook kan worden betoogd, zoals Levinson meer of minder impliciet doet, dat wanneer ‘reflection and choice’ 250 jaar geleden mogelijk zijn gebleken, dit thans ook het geval zou moeten zijn. Hoogstens kan men zich dan afvragen hoe breed de kring van hierbij betrokkenen dient te zijn. Zoals wij eerder zagen, trekt Levinson zelf al een mogelijke grens, wanneer hij stelt dat het om mensen moet gaan die tenminste in staat zijn de Federalist Papers te lezen.

Mickey Edwards van het niet-partijgebonden Aspen Institute heeft Levinson op deze complicatie gewezen tijdens een discussie tussen beiden bij de Brookings Institution. Levinson antwoordde hierop dat er waarschijnlijk momenten waren dat hij pessimistischer was over het vermogen van zijn mede-Amerikanen om serieus van gedachten te wisselen over aangelegenheden betreffende het staatsbestuur. Op bijna profetische wijze liet hij hierop volgen dat ‘that pessimism would lead me to have very serious questions about whether I will regard the outcome of the 2016 elections as legitimate’.

Zie ook de eerdere bijdragen in deze reeks blogposts:

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (III): De achterlopende Grondwet

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (II): Een opzienbarend boek

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (I): Inleiding

 

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (III): De achterlopende Grondwet

Dit is het derde deel van een nieuwe serie blogposts gebaseerd op een bijdrage die ik een jaar geleden, op 20 april 2017, leverde aan een symposium over The Federalist Papers. Het symposium, dat plaatsvond in Brussel, was georganiseerd door De Debatten. ‘De Debatten is een initiatief van de Vrije Universiteit Brussel met de Universiteit Leiden en als Nederlandstalig forum een vaste waarde onder rechtsfilosofen en rechtshistorici uit de Lage Landen en een groeiende waarde binnen de wereld van de politieke filosofie.’ De bijdrage verschijnt later deze maand, in definiteve vorm en voorzien van notenapparaat, ook in druk.

Welbeschouwd heeft Levinson slechts een centraal punt waarop hij de aandacht wil vestigen naar aanleiding van de Federalist Papers. Direct bij de bespreking van Federalist nr. 1 merkt hij op dat Publius er, als kind van de Verlichting, van uitging dat de opstellers van de Grondwet in staat zouden zijn om te reflecteren op de vraag hoe deze eruit diende te zien. Of, in de beroemde woorden van Publius zelf: ‘it seems to have been reserved to the people of this country, by their conduct and example, to decide the important question, whether societies of men are really capable or not, of establishing good government from reflection and choice, or whether they are forever destined to depend, for their political constitutions, on accident and force.’

Als dat ruim twee eeuwen geleden zo was, dan valt volgens Levinson niet in te zien waarom dat thans anders zou moeten zijn: ‘The central question is whether we still believe, well into the third century after October 27, 1787, when Publius’s initial essay was published, that it makes sense to subject American constitutionalism to the standards of “reflection and choice.”’ Vandaar ook de titel van Levinson’s boek, die is ontleend aan hetgeen Publius tegen het eind van zijn eerste essay opmerkt. Publius belooft daar dat ‘[m]y arguments will be open to all, and may be judged of by all’. Levinson bestempelt deze belofte ook twee eeuwen later nog als ‘deeply inspirational’. Publius gaf direct aan het begin van de Federalist Papers blijk van zijn vertrouwen in het vermogen van de Amerikaanse bevolking om over het staatsbestuur te beraadslagen en daarover vervolgens belangwekkende beslissingen te nemen. De vraag die thans voorligt, luidt: ‘Do we believe that is possible today, or is it a quixotic, even potentially dangerous fantasy?’

Levinson betoont zich hiermee voorstander van wat ‘popular constitutionalism’ wordt genoemd, wel te onderscheiden van het op dit moment tevens gebruikte ‘populist constitutionalism’. Bij deze laatste term is het de vraag of er geen sprake is van een contradictio in terminis, in de zin dat er een spanning bestaat tussen liberaal constitutionalisme en populisme, voorzover de laatste stroming zich met een beroep op het ‘echte’ volk keert tegen pluralisme. Bij ‘popular constitutionalism’ is dit niet, of althans minder, het geval. ‘Popular constitutionalism’ is voor Levinson een term die ervan uitgaat dat de bevolking als geheel in staat is om nog altijd deel te nemen aan een serieuze gedachtenwisseling over constitutionele aangelegenheden, zoals Federalist nr. 1 die reeds voor zich zag, in elk geval voorzover het de lezers van de Federalist Papers zelf betrof. Deze laatste clausulering is onthullend, aangezien het direct ook weer een aanzienlijke inperking van het ‘popular constitutionalism’ impliceert, althans denkbaar acht.

Daar staat tegenover dat Levinson ten aanzien van de methoden van ‘popular constitutionalism’ juist weer betrekkelijk ruimhartig schijnt. Zo verwijst hij naar het feit dat aanhangers van de Tea Party-beweging door hun tegenstanders zijn bekritiseerd vanwege het soms tumultueueze karakter van hun protesten. Echter, dit verwijt is in het verleden ook wel gericht aan het adres van linkse demonstranten tijdens de jaren zestig van de twintigste eeuw en, recenter, de Occupy-beweging in de jaren 2011-2012. Voor Levinson is het echter in al deze gevallen de vraag: ‘Should we, however, perhaps describe these protests as “Publian moments”?’ Hier zien we Levinson dus, consistent als hij kan zijn, als verdediger optreden van de Tea Party, terwijl zelfs conservatieve staatsrechtsgeleerden soms reserves koesteren ten aanzien van de doelen en methoden van deze beweging. Deze reserves gelden in hun geval vanzelfsprekend nog sterker met betrekking tot de door de Occupy-beweging gevolgde aanpak. Levinson komt hier evenwel op door een passage uit Federalist nr. 33, waarin Publius stelt dat de federale regering ‘must judge in the first instance of the proper exercise of its powers; and its constituents in the last’. Wanneer blijkt dat de regering haar bevoegdheden heeft overschreden, en het gevaar van tyrannie dreigt, ligt het op de weg van de bevolking om passende maatregelen te treffen teneinde de schending van de Grondwet te doen stoppen.

Een en ander betekent voor Levinson dat ook vandaag de Amerikaanse Grondwet nog onderworpen dient te zijn aan ‘full and fearless critique’. Bijgevolg is het voor Levinson niet alleen denkbaar, maar in het licht van bepaalde veranderingen die zich de afgelopen 250 jaar hebben voltrokken ook wenselijk, dat de Amerikaanse Grondwet wordt gewijzigd. Zoals dikwijls wordt aangenomen, is het echter op grond van artikel V in de praktijk heel lastig is om de Grondwet te amenderen. Daarom moet er volgens Levinson desnoods buiten de grondwettelijke procedure om een Constitutionele Conventie bijeen worden geroepen. Deze zou als opdracht moeten krijgen de voorbereiding van ‘a comprehensive overview of the U.S. Constitution and the utility of many of its provisions to twenty-first century Americans’.

De aanleiding voor Levinson om zo te hechten aan constitutionele verandering is dat hij, evenals menige andere auteur, signaleert dat de Amerikaanse democratie in hoge mate ‘dysfunctioneel’ is geworden. In tegenstelling tot de meeste andere auteurs, zoekt hij de oorzaak daarvan evenwel in de Grondwet zelf. Deze mag dan nog zo bewonderd worden, zij blijft volgens Levinson tegelijkertijd ‘an “imbecility” in important aspects and in need of a full-scale checkup and diagnosis, with the possibility that fairly radical surgery may be required?’ Binnen de Grondwet gaat zijn aandacht daarbij vooral uit naar de ‘structurele’ bepalingen, die de Amerikaanse staatsinrichting betreffen. Dit is ongetwijfeld een verademing in een tijd waarin de ‘Bill of Rights’ zowel maatschappelijk als wetenschappelijk de meeste aandacht trekt. De Amerikaanse staatsinrichting zit bewust zo in elkaar dat niet alleen de Grondwet moeilijk kan worden gewijzigd, maar ook de meerderheid van het moment slechts met moeite het programma waarop zij is verkozen, zal kunnen omzetten in beleid. Dit is echter juist waar Levinson bezwaar tegen heeft.

Vanzelfsprekend laat Levinson zich in zijn streven naar verandering van de Amerikaanse Grondwet kennen als een rechtgeaarde progressieve liberaal. Opvallend daarbij is dat hij zich mede beroept op Publius zelf. Behalve Federalist nr. 1, haalt hij in dat verband ook Federalistnr. 9 aan, waarin wordt verwezen naar de nieuwe en verbeterde ‘science of politics’ waarvan gebruik mag en zelfs moet worden gemaakt. De politieke wetenschap heeft volgens deze aflevering duidelijk vooruitgang geboekt ten opzichte van de klassieke oudheid. Beginselen als de machtenscheiding waren op het moment van verschijning van de Federalist Papers bijvoorbeeld ‘wholly new discoveries, or have made their principal progress towards perfection in modern times’. Ook corrigeert Publius een denker als Montesquieu wanneer deze stelt dat, als het gaat om het bereiken en handhaven van een republikeinse regeringsvorm, de omvang van een land niet te groot moet zijn. Kortom, Publius ‘is rejecting what philosophers sometimes call the “argument from authority” in favor of what we can ascertain from our own experiences’.

Tenslotte wijst Publius in Federalist nr. 37 op de grenzen van het menselijk begrip, zeker waar het ‘the institutions of man’ betreft. Het is, zo schrijft hij, in de praktijk bijzonder lastig gebleken om de drie klassieke staatsmachten en hun bevoegdheden precies van elkaar te onderscheiden. Vrijwel dagelijks rijzen hieromtrent vragen die onmiskenbaar de ‘obscurity’ laten zien die deze onderwerpen beheerst voor zelfs de briljantste politieke wetenschappers.’ En wat Levinson ‘the most stunning sentence’ van deze aflevering noemt, een zin die betrekking heeft op de onvermijdelijke ‘inaccuracy of the terms’ die bijvoorbeeld de makers van de Constitutie hebben gehanteerd: ‘When the Almighty himself condescends to address mankind in their own language, his meaning, luminous as it must be, is rendered dim and doubtful, by the cloudy medium through which it is communicated.’ Aldus werpt Federalist nr. 37 in essentie dezelfde (meta-)vraag op als Federalist nr. 14: moeten we de Federalist Papers nu gebruiken om definitieve antwoorden te vinden op de constitutionele vragen van de dag of is de boodschap van Publius wellicht een andere, te weten ‘“Think for yourselves, drawing on your own lessons of experience. We did the best we could do, as inevitably fallible human beings. Now it’s up to you.”’

Publius hanteert al dergelijke argumenten om tot een betrekkelijk radicale breuk te komen met de theorie en praktijk van de confederatie. Inmiddels hebben wij echter bijna 250 jaar meer ervaring met politieke stelsels, waaronder het Amerikaanse. Zou het niet voor de hand liggen deze ervaring te benutten om het bestel bij te stellen indien het niet langer functioneert op de manier waarop dat zou moeten, zo vraagt Levinson zich af?

Zie voorts:

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (II): Een opzienbarend boek

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (I): Inleiding

Press Release: ‘Twelve ILS seed money grants for frontier research at Leiden Law School’

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (II): Een opzienbarend boek

Dit is het tweede deel van een nieuwe serie blogposts gebaseerd op een bijdrage die ik een jaar geleden, op 20 april 2017, leverde aan een symposium over The Federalist Papers. Het symposium, dat plaatsvond in Brussel, was georganiseerd door De Debatten. ‘De Debatten is een initiatief van de Vrije Universiteit Brussel met de Universiteit Leiden en als Nederlandstalig forum een vaste waarde onder rechtsfilosofen en rechtshistorici uit de Lage Landen en een groeiende waarde binnen de wereld van de politieke filosofie.’ De bijdrage verschijnt volgende maand, in definiteve vorm en voorzien van notenapparaat, ook in druk.

-0-0-0-

Sanford Levinson is sinds 1980 hoogleraar rechten en politieke wetenschappen aan de Universiteit van Texas in Austin. Een eerste reden waarom hij een interessante auteur over de Federalist Papers is, is dat hij niet alleen een gecombineerde leeropdracht heeft, maar in de praktijk in zijn werk ook daadwerkelijk een integratie van rechten en politieke wetenschappen tot stand brengt. Wat de laatste discipline betreft, doet hij dat dan nog met inbegrip van de politieke theorieën. Een dergelijke benadering, die nog altijd onderscheidend is, kan zeker ook binnen het Amerikaanse constitutionele recht vruchtbaar zijn, gelet op het verschil tussen de geschreven en de ongeschreven Constitutie. Welbeschouwd is het dan ook minder toepasselijk om nog van constitutioneel recht te spreken en kan eerder de aanduiding ‘constitutional studies’ worden gebruikt. Toch blijft Levinson op de ene of de andere wijze altijd bezig met het constitutionele recht, in de zin dat hij oog houdt voor de constitutionele structuren waarbinnen zich politieke processen en ook theorievorming afspelen.

De hoofdreden waarom Levinson een boeiende auteur is wanneer het de Federalist Papers betreft, is echter ongetwijfeld dat hij de meest prominente progressief-liberale staatsrechtswetenschapper is die er in de Verenigde Staten te vinden valt op het terrein van de constitutie. Enkele kwalificaties die van Levinson zijn gegeven, mogen dit illustreren: ‘the most imaginative, innovative and provocative constitutional scholar of our time’; ‘post New Deal America’s preeminent advocate of constitutional reform’; ‘America’s greatest revolutionary constitutionalist’; en ‘the unofficial spokesman for progressive critics of the Constitution’.

Nu is het op zichzelf genomen niet heel bijzonder te noemen dat een Amerikaanse staatsrechtswetenschapper progressief-liberaal blijkt te zijn. Onder de meesten van zijn progressief-liberale collega’s behoren de Federalist Papers evenwel niet tot de standaardverwijzingen, laat staan dat zij er een boek aan wijden. Juist de combinatie van de leidende progressief-liberale staatsrechtsbeoefenaar in de Verenigde Staten met een studie over de Federalist Papers is althans op papier echter goed voor het nodige vuurwerk.

Dat wordt ook erkend door conservatievere collega’s, zoals Robert P. George van het James Madison Program in American Ideals and Institutions aan de Universiteit van Princeton. Bij wijze van aanbeveling voor een eerder boek van Levinson schreef George: ‘Few scholars are in the same league with Professor Sanford Levinson when it comes to raising provocative questions about the Constitution and conventional modes of interpreting its provisions.’ Het maakte voor George ten principale geen verschil of men het nu eens of oneens was met de analyses en conclusies van Levinson: ‘what matters is that he forces readers to think about dimensions of constitutional questions that ordinarily go unnoticed.’ Dit eerdere boek betrof Our Undemocratic Constitution: Where the Constitution Goes Wrong (And How We the People Can Correct It) en dateert van 2006. Recenter, in 2012, publiceerde Levinson verder Framed. America’s 51 Constitutions and the Crisis of Governance. Hoewel het de moeite waard lijkt te onderzoeken of en in hoeverre Levinson in de loop van de tijd een ontwikkeling heeft doorgemaakt in zijn denken over de Amerikaanse Constitutie, blijft een dergelijke poging hier achterwege. Tenslotte betreft het een bundel over de Federalist Papers, dus ligt het in de rede mij te concentreren op Levinson’s boek dat daar het meest direct over gaat.

Dat boek is ongetwijfeld An Argument Open to All, waarover de Boston Review schreef in een formulering die ik hierboven reeds half parafraseerde: ‘When the country’s most prominent critic of the Constitution writes a commentary on the most famous defense of that Constitution, it is an event. When the publication of that commentary comes at a time when the system of government that Constitution provides is, by all accounts, under serious strain, it is an event very much worth noting.’ Op de tweede helft van dit citaat komt deze serie blogposts terug in deel 6, dat is gewijd aan de verkiezing van Donald Trump tot President van de Verenigde Staten.

Overigens schrijft Levinson in zijn boek niet op de gebruikelijke wijze over de Federalist Papers, dat wil zeggen door deze te plaatsen in hun historische context. In de inleiding op zijn boek neemt hij dan ook direct afstand van het idee dat herlezing van de Federalist Papers primair zou moeten bijdragen tot een beter begrip van de oorspronkelijke bedoelingen van de Amerikaanse Constitutie. Ook is hij niet geïnteresseerd in de verschillen tussen de verschillende auteurs van de Federalist Papers, zoals menige andere wetenschapper. Teneinde dit tot uitdrukking te brengen, duidt hij hen gezamenlijk aan als ‘Publius’.

In plaats hiervan gaat Levinson in het boek juist op zoek naar de mogelijke actuele relevantie van elk van de 85 Federalist Papers. Dit zowel voor Amerikaanse lezers als voor internationale lezers die op zoek zijn naar mogelijke lessen die zij uit het werk kunnen trekken in het kader van de ‘constitutional design’ in eigen land. Natuurlijk is het weer enigszins een progressief-liberale trek om in termen van ‘constitutional design’ te denken als het om andere landen gaat, alsof de culturele en historische context waarbinnen een constitutioneel stelsel functioneert maakbaar zou zijn. Anderzijds vormen de Federalist Papers zelf een vroeg voorbeeld van deze thans wederom populaire stroming binnen het vergelijkende constitutionele recht.

Levinson’s benadering is al met al, zoals hij het zelf formuleert, ‘highly “presentist”’. Of, om de titel van de inleiding aan te halen: hij beschouwt Publius als tijdgenoot. Tot zijn eigen verrassing kwam Levinson al schrijvende tot de ontdekking dat niet alleen de paar bekende nummers, maar elk van de 85 oorspronkelijke essays ‘contains something that should spark our interest today’.

Zie voorts:

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (I): Inleiding

Upcoming Speaking Engagement: Symposium The Federalist Papers, Brussel, 20 april 2017

Participant, ‘Great Transformations: Political Science and the Big Questions of Our Time’, 2016 APSA Annual Meeting, Philadelphia, PA, September 1-4

 

 

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (I): Inleiding

Dit is het eerste deel van een nieuwe serie blogposts gebaseerd op een bijdrage die ik een jaar geleden, op 20 april 2017, leverde aan een symposium over The Federalist Papers. Het symposium, dat plaatsvond in Brussel, was georganiseerd door De Debatten. ‘De Debatten is een initiatief van de Vrije Universiteit Brussel met de Universiteit Leiden en als Nederlandstalig forum een vaste waarde onder rechtsfilosofen en rechtshistorici uit de Lage Landen en een groeiende waarde binnen de wereld van de politieke filosofie.’ De bijdrage verschijnt volgende maand, in definiteve vorm en voorzien van notenapparaat, ook in druk.

-0-0-0-

In tegenstelling tot de meeste andere lezingen tijdens dit symposium, gaat deze bijdrage niet (alleen) over de Federalist Papers zelf. In plaats daarvan kijk ik naar de Federalist Papers door de bril van de Amerikaanse staatsrechtsgeleerde Sanford Levinson. Levinson heeft in 2015 een boek gepubliceerd met als titel An Argument Open to All. Reading The Federalistin the 21st Century.

Op 1 september 2016 woonde ik een drukbezocht panel bij over dit boek tijdens de jaarvergadering van de American Political Science Association in Philadelphia (zie foto), dat mijn belangstelling wekte voor dit boek. Het panel was getiteld ‘Is The Federalist Relevant to 21st Century Concerns?’ en stond onder voorzitterschap van Levinson’s collega Mark Graber van de University of Maryland. Naast Levinson zelf, namen aan dit panel onder anderen deel Ran Hirschl en Kim Lane Scheppele, stuk voor stuk wetenschappers met een rockster-status in het vergelijkende constitutionele recht. Kom er maar eens om in Nederland: een levendig boekpanel met prominente staatsrechtsgeleerden over de Federalist Papers, tijdens een politicologenconferentie.

Behalve op indrukken die ik opdeed tijdens dit boekpanel, is de bijdrage gebaseerd op publiekelijk beschikbare audio- en videofragmenten van Levinson, waarin hij nader ingaat op de inhoud van het boek en daarover vragen beantwoordt, alsmede recensies van het boek. Alleen al uit de vele lezingen die de auteur door de hele Verenigde Staten en voor uiteenlopende publieken over zijn boek heeft gegeven, valt op te maken hoezeer hem het onderwerp ter harte gaat en dat hij bijna een soort missie ervaart om zijn boodschap uit te dragen aan wie die ook maar horen wil.

In hetgeen volgt, worden de beschouwingen van Levinson over de Federalist Papers als leidraad gehanteerd. Uiteraard is het niet mogelijk om binnen het bestek van deze bijdrage recht te doen aan alle thema’s die Levinson in zijn boek over de Federalist Papers aanstipt. Er is in plaats daarvan voor gekozen om, de 85 beschouwingen overziende, de centrale stelling van Levinson eruit te lichten en deze te behandelen in relatie tot twee andere fundamentele kwesties die hij aansnijdt in het boek. Deze centrale stelling luidt dat het de huidige Amerikaanse bevolking ten principale vrijstaat te reflecteren op de Grondwet, evenals de Founding Fathers dat in hun tijd hebben gedaan, en hier desgewenst ook consequenties uit te trekken. Hierover gaat deel 3 van deze serie blogposts.

De twee andere fundamentele kwesties die Levinson in dit verband aansnijdt, zijn respectievelijk de heterogeniteit van diezelfde Amerikaanse bevolking (deel 4) en de menselijke natuur (deel 5). De vraag die in  dit verband rijst, is in hoeverre deze heterogeniteit en de menselijke natuur belemmeringen vormen bij de reflectie op de Grondwet door de huidige Amerikaanse bevolking.

De drie hoofdpunten van Levinson  bij elkaar genomen hebben een hernieuwde actualiteitswaarde gekregen na de verkiezing van Donald Trump tot President van de Verenigde Staten in november 2016. Het is om deze reden uniek te noemen, dat wij de indruk die dit heeft gemaakt op de auteur bijna op de voet kunnen volgen, dankzij een inmiddels gepubliceerde mailwisseling van hem met zijn collega aan Yale Jack M. Balkin zowel in de aanloop tot de Amerikaanse presidentsverkiezingen als kort daarna. Bij deze mailwisseling zal afzonderlijk worden stilgestaan (deel 6), waarna wij afsluiten met een conclusie (deel 7). Op passende, Amerikaanse wijze, geef ik deze conclusie hier alvast weer: Levinson moet zoal niet als geestverwant, dan toch in elk geval als bloedverwant, worden beschouwd door wie overtuigd is van de onverminderde relevantie van Federalist Papers bij de bestudering van het vergelijkende constitutionele recht. Deze woordspeling zal gaandeweg de bijdrage hopelijk duidelijker worden.

Ik begin deze bijdrage evenwel met iets nader te adstrueren waarom het, tijdens een symposium gewijd aan de Federalist Papers, interessant is om afzonderlijk aandacht te besteden aan uitgerekend dit boek dat daarover recentelijk is verschenen (deel 2). Wat is de achtergrond van de auteur en wat voor soort boek heeft hij geschreven?

Zie voorts:

Upcoming Speaking Engagement: Symposium The Federalist Papers, Brussel, 20 april 2017

Participant, ‘Great Transformations: Political Science and the Big Questions of Our Time’, 2016 APSA Annual Meeting, Philadelphia, PA, September 1-4

Press Release: ‘Twelve ILS seed money grants for frontier research at Leiden Law School’

Geloof in de liberale democratie (V): democratie

Dit is het vijfde deel van een nieuwe serie blogposts, die tevens – in definitieve vorm en aangevuld met een notenapparaat – als artikel zal verschijnen in het eerstvolgende nummer van het Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid. Voor de eerste vier delen, zie de links onderaan deze blogpost.

Bekijken we vervolgens de betekenis van de door Vorster voorgestane mensvisie voor de democratie, dan lijkt deze vooral goed aan te sluiten bij een visie op democratie waarin eenieder vrijuit politiek kan participeren. Dit zowel individueel als in groepsverband. Het laatste is van belang omdat het niet eenvoudig is om als burger, zelfs indien men beschikt over een uitgewerkte levensbeschouwing, de vertaalslag te maken van persoonlijke naar politieke opvattingen. Hierbij zal dikwijls, op tenminste een aantal beleidsthema’s, de hulp nodig zijn van deskundige geestverwanten. Van belang is dat iedere burger hiertoe op gelijke voet in de gelegenheid is, ongeacht geloof of levensovertuiging. De christelijke filosoof Nicholas Wolterstorff heeft een dergelijke visie op democratie aangeduid als ‘equal political voice’ liberalisme. Hierbij beklemtoont hij overigens dat deze ‘equal political voice’ moet worden uitgeoefend binnen de grenzen van een geschreven of ongeschreven grondwet, die via de werking van een aantal klassieke rechten waarborgt dat burgers niet onevenredig in hun vrijheid worden aangetast door de uitoefening van ‘equal political voice’ door hun medeburgers.

Dit laatste vormt een verschil met de opvatting van ‘public reason’ liberalisme zoals aangehangen door de, zeker in de Verenigde Staten, nog altijd invloedrijke filosoof John Rawls (1921-2002). Ook Rawls zal aanvaarden dat de uitoefening van ‘political voice’ aan constitutionele grenzen is gebonden. Hij formuleert echter aanvullende grenzen voortvloeiend uit de idee van publieke rede. Dit idee komt er kort gezegd op neer dat het politieke debat dient te worden gevoerd met argumenten die voor alle deelnemers navolgbaar zijn. Hoewel dit op het eerste gezicht een begrijpelijke eis lijkt, die aan alle deelnemers gelijkelijk gesteld wordt, bestaat er een risico dat gelovigen erdoor op achterstand worden gesteld. Voorzover zij immers een redenering zouden willen hanteren die rechtstreeks voortvloeit uit hun geloofsovertuiging, kunnen andere deelnemers aan het debat dit verhinderen door aan te voeren dat de redenering voor hen niet navolgbaar is. Indien gelovigen vervolgens hun redenering in ‘neutrale’ termen moeten formuleren, kunnen er allicht nuances verloren gaan. Bovendien komt deze opvatting voort uit het aanvechtbare idee dat alleen geloofsovertuigingen tot onnavolgbare redeneringen zouden leiden, terwijl seculiere redeneringen per definitie neutraal zouden zijn. Het is in reactie op dit liberalisme van de publieke rede dat Wolterstorff zijn variant van ‘equal political voice’ liberalisme heeft geformuleerd.

Dit ‘equal political voice’ liberalisme vormt tevens een contrast met een ander, op dit moment weer invloedrijk, verschijnsel, te weten dat van het populisme. Dit is niet de plaats om uit te weiden over de vraag wat populisme precies inhoudt. Hierover is inmiddels de nodige nieuwe literatuur beschikbaar. Binnen deze nieuwe literatuur neemt het boek What is Populism? van de aan de Universiteit van Princeton verbonden politicoloog Jan-Werner Müller een bijzondere plaats in. In zijn boek noemt Müller als een van de centrale kenmerken van populisme het ‘antipluralisme’. Hiermee doelt Müller op het feit dat het populisme uitgaat van het idee dat er een volk bestaat, dat zich gezamenlijk heeft te keren tegen hen vijandig gezinde elites. Niet alleen deze elites, maar ook diegenen die zich niet wensen aan te sluiten bij de door ‘het volk’ aangehangen meerderheidsopvatting, worden niet geacht tot het volk te behoren. In plaats van pluraal, wordt het volk dus geacht een eenheid te vormen. Wie zich daarmee niet identificeert, zal niet in gelijke mate politiek kunnen participeren, zoals het ‘equal political voice’ liberalisme verlangt.

Deze laatste opvatting gaat juist wel uit van pluralisme. Daarmee sluit deze vorm van liberalisme aan op de door Vorster geschetste mensvisie, waarin mensen spirituele wezens zijn, voor wie ruimte dient te worden gecreëerd om hun religie handen en voeten te geven zowel in het publieke als in het privé-domein. Dit brengt een verruiming van het begrip ‘politiek’ met zich mee, aangezien deze zich niet langer beperkt tot hetgeen in de politieke instituties gebeurt, maar zich tevens uitstrekt tot andere politieke activiteiten van burgers en hun organisaties. Deelname aan dergelijke organisaties is voor burgers noodzakelijk ten einde gevoed te worden in hun politieke overtuigingen. Op hun beurt dragen de organisaties van burgers bij aan de legitimiteit van het politieke bestel. Er wordt dus niet op voorhand getracht de potentiële onenigheid van burgers te neutraliseren, zoals het liberalisme van de publieke rede doet. De ‘equal political voice’-variant van liberalisme gaat er integendeel vanuit dat deze onenigheid de essentie vormt van politiek. Daarop dient te worden ingespeeld door een open en vrije ‘global public square’ in het leven te roepen. Zoals gezien, worden de grenzen hiervan slechts bepaald door de klassieke grondrechten uit de grondwet.

Hoogleraar Recht en Religie John Inazu heeft recentelijk een concrete uitwerking gegeven van de eisen waaraan een politiek stelsel moet voldoen om aan een ‘equal political voice’-variant van liberalisme te voldoen. Op constitutioneel gebied betreft dit de eisen van het eerbiedigen van het hierboven genoemde principe van ‘freedom of the church’, het faciliteren van publieke fora voor expressie, ook indien het minderheidsopvattingen betreft, en gelijke financiering van alle organisaties die aan politieke expressie doen. Deze laatste eis is omstreden, zowel in de Verenigde Staten als in toenemende mate in Europa. Toch heeft Inazu hier wel een punt, voorzover het niet gelijk behandelen van verschillende categorieën levensbeschouwelijke organisaties opnieuw uitgaat van het aanvechtbare idee dat alleen levensbeschouwelijke organisaties een bepaalde ideologische kleur kennen terwijl seculiere organisaties neutraal zijn. Hiernaast zijn er aan de kant van de burgers ook bepaalde deugden nodig, zoals die van tolerantie, bescheidenheid en geduld. Ik werk dit hier verder niet uit. Wel zij opgemerkt dat ook voor het aanleren en onderhouden van dergelijke deugden maatschappelijke organisaties weer goede diensten kunnen bewijzen.

Voor de eerste vier delen in deze serie, zie:

Geloof in de liberale democratie (IV): constitutionalisme

Geloof in de liberale democratie (III): de rol van antropologie

Geloof in de liberale democratie (II): de kritiek van Jean L. Cohen

Geloof in de liberale democratie (I): Inleiding

 

Paper-presentatie tijdens Staatsrechtconferentie over ‘Globalisering als uitdaging voor nationale soevereiniteit’ in Maastricht

Op 15 december a.s. vindt in Maastricht de Staatsrechtconferentie 2017 plaats. Het thema van de conferentie is: ‘Globalisering als uitdaging voor nationale soevereiniteit’. Zie voor het programma en de locatie:

https://www.maastrichtuniversity.nl/nl/events/globalisering-als-uitdaging-voor-nationale-soevereiniteit

Tijdens de conferentie hoop ik een paper te presenteren tijdens de parallel workshop over ‘transfer of sovereignty’. De titel van het paper luidt: ‘A moral struggle over the first principles of government and politics’.

In het paper betoog ik onder meer dat er binnen het, overwegend Angelsaksische,  constitutionele conservatisme bijzondere aandacht bestaat voor de constitutionele verhoudingen binnen een staat in het algemeen en de positie van de wetgever in het bijzonder. De vraag die daarbij in alle scherpte wordt geformuleerd is of een overdracht van soevereine bevoegdheden niet een bedreiging vormt voor de uitgangspunten van de liberale democratie. Dat staatsbestuur in de 21ste eeuw mogelijk is zonder de overdracht van soevereine bevoegdheden, bewijzen onder meer de Verenigde Staten, die bij verdragen min of meer standaard het volgende voorbehoud opnemen: ‘The United States will not accept any treaty requirement incompatible with the Constitution of the United States of America.’

Aldus wordt tevens duidelijk wat de Verenigde Staten als de onopgeefbare kern van hun nationale soevereiniteit zien, alsmede de politiek-theoretische grondslag daarvoor: ‘the Constitution is the supreme law to which the American people are subject. Anything that conflicts with the Constitution cannot be binding on the American people nor on the American government which serves them.’

Het is uiteraard niet per definitie zo dat Nederland een dergelijke positie zou kunnen of moeten overnemen. Dat neemt niet weg dat het Nederlandse staatsrecht er profijt bij kan hebben de inhoudelijke meningsverschillen die ten aanzien van het onderwerp overdracht van soevereine bevoegdheden bestaan te expliciteren. Bij divergentie tussen de geschreven en ‘culturele ongeschreven constitutie’, zo leert het constitutionele conservatisme, is aanpassing van de geschreven constitutie niet de enig denkbare optie. Voorzover een dergelijke denkrichting samenhangt met het vrij algemeen aanvaarde ‘nieuwe constitutionalisme’ zoals dit na de Tweede Wereldoorlog heeft vormgekregen, vallen ook daartegen zekere bedenkingen aan te voeren.

Zie voorts:

Introduction to volume ‘The Powers That Be. Rethinking the Separation of Powers’ now available online

Bijdrage aan bundel Rechtsvorming en Governance (2006)

Co-redacteur en co-auteur, bundel Gelijkheid en rechtvaardigheid. Staatsrechtelijke vraagstukken rondom ‘minderheden’ (2002)

Artikel ‘Wat heeft de voorrang: de meerderheid of de rechtsstaat?’, in Christelijk Weekblad (5 februari 2016)

cw05022016

De opening van dit vandaag verschijnende artikel luidt als volgt:

‘Hoe weerbaar is de democratie eigenlijk? In de jaren dertig was dat een belangrijk onderwerp door de opkomst van het nationaalsocialisme, en het lijkt opnieuw een thema te worden met de komst van moslims en met hen de idee van de sharia. Voldoende aanleiding daarom om aandacht te geven aan een van de centrale vragen rond dit leerstuk: de verhouding tussen rechtsstaat en democratie.’

Over Christelijk Weekblad:

‘Nieuws- en opinieblad voor gelovig Nederland
Het tweewekelijkse nieuws- en opinieblad CW houdt u betrokken bij kerkelijk en christelijk Nederland. Maar ook bij Nederlandse christenen die actief zijn in het buitenland. Wekelijks actuele verhalen, achtergronden, inspirerende interviews, reportages over plaatselijke kerken, columns, boekbesprekingen en nog veel meer. Lezers van CW zijn meelevende christenen uit nagenoeg alle protestantse kerken.

CW is sinds 2015 een uitgave van Dekker Creatieve Media. Nieuws en achtergronden behoren in ons werk tot de dagelijks weerkerende realiteit. Uit alle nieuws in kerk en samenleving maken wij een selectie voor u. Wij voorzien die van commentaar en achtergrond vanuit een Bijbels perspectief.

CW is opgericht in 1952 als Centraal Weekblad. Aanvankelijk nog vooral gericht op de lezers in de Gereformeerde Kerk, vandaag de dag voelen gelovigen uit diverse hoeken zich aangetrokken tot ons blad. Een bekende naam is die van professor Klaas Runia, die bijna 25 jaar hoofdredacteur van de krant is geweest. Bij de vorming van de PKN ging het blad zich breder oriënteren en kreeg het zijn opiniefunctie. In 2009 kreeg het blad een nieuwe naam, Christelijk Weekblad. Dit veranderde in 2015 in CW, een tweewekelijks opinieblad dat wordt gelezen door meelevende gelovigen met diverse achtergrond.’

Voor meer (bestel)informatie, zie:

http://www.christelijkweekblad.nl/Home.aspx.

Voor een pdf-versie van het artikel:

pu2016CW Weerbare democratie.

Het artikel werd mede geschreven n.a.v. de verschijning van Weerbare democratie. De grenzen van democratische tolerantie (2015) van Bastiaan Rijpkema. Zie over dat boek:

http://www.nieuwamsterdam.nl/boeken/weerbare-democratie-bastiaan-rijpkema-9789046820049.

 

Bijdrage aan bundel Brieven aan de Staatscommissie (2009)

brieven-aan-de-staatsrechtcommissie

‘Op donderdag 9 juli 2009 werd de Staatscommissie Grondwet geïnstalleerd, een commissie die tot opdracht heeft het kabinet te adviseren over onder andere de toegankelijkheid van de Grondwet voor de burger, de verhouding tussen de opgenomen grondrechten en de uit internationale verdragen voortvloeiende rechten, zoals het recht op een eerlijk proces en het recht op leven, en de doorwerking van internationaal recht.

De Staatsrechtkring heeft – om de Commissie bij te staan – het initiatief genomen haar leden uit te nodigen om een brief aan de commissie schrijven over een onderwerp dat én in de opdracht van de commissie besloten lag, én nog niet in een van de onderzoeken of adviezen was verwerkt én toch de bijzondere aandacht van de Staatscommissie behoefde.

De reacties die binnenkwamen zijn in dit boek opgenomen.

Met bijdragen van: P.P.T. Bovend’Eert, J.L.W. Broeksteeg, D.J. Elzinga, A.L. Goedhart, H.G. Hoogers, W.J.L. Hulstijn MA, A.C.M. Meuwese, A.J. Nieuwenhuis, H.M.T.D. ten Napel, J.W.C. Van Rossem, A.E. Schilder, G.J. Veerman, W.J.M. Voermans, H.G. Warmelink.’

Mijn eigen bijdrage is getiteld: ‘”Een vastgesteld middel” – maar tot welk doel?’. Lees deze bijdrage hier:

https://openaccess.leidenuniv.nl/handle/1887/14950.

Bestelinformatie van de bundel als geheel:

http://www.wolfpublishers.com/book.php?id=535.

Co-auteur, rapport De Nederlandse Grondwet geëvalueerd (2009)

6

Lees over dit rapport het navolgende gedeelte uit een persbericht van de Leidse Faculteit der Rechtsgeleerdheid d.d. 13 oktober 2009, waaruit tevens bovenstaande afbeelding afkomstig is (‘Tekst van de grondwet op een muur in Den Haag door Jan Kooi’):

‘Overheid en rechtspraktijk tevreden over Grondwet

Vertegenwoordigers van de overheid en rechtspraktijk hebben – ondanks kritiek op onderdelen – waardering voor de Nederlandse Grondwet. Dit is een belangrijke uitkomst van het onderzoek naar de betekenis van de Grondwet als voorstudie voor de Staatscommissie Grondwet.

Overheid en rechtspraktijk tevreden over Grondwet
Er bestaat geen breed levende wens tot majeure herziening. Dit is een belangrijke uitkomst van het onderzoek naar de betekenis van de Grondwet, De Nederlandse Grondwet geëvalueerd: anker- of verdwijnpunt?

Voorstudie Staatscommissie
Het onderzoek werd uitgevoerd door een grote groep onderzoekers van de Universiteit Leiden onder leiding van Michiel van Emmerik, Tom Barkhuysen en Wim Voermans. Het is een voorstudie voor de onlangs ingestelde Staatscommissie Grondwet, die nadenkt over aanpassing van de Grondwet en medio 2010 daartoe voorstellen moet doen aan het kabinet. Leids hoogleraar Janneke Gerards is lid van deze commissie.

Het rapport wordt op donderdag 15 oktober 2009 aangeboden aan de voorzitter van de staatscommissie Grondwet, prof. mr. W. Thomassen, raadsheer in de Hoge Raad.

Sobere grondwetscultuur
Interviews met de min of meer professionele gebruikers van de Grondwet uit kringen van de overheidsmachten en de rechtspraktijk (openbaar bestuur, rechterlijke macht, parlement, rechtshulp en media) laten een betrekkelijk breed gedeelde tevredenheid met de Grondwet zien. Dat beeld lijkt te passen in de sobere grondwetscultuur die wij in Nederland kennen.

Geen Grondwet in eenvoudig Nederlands
Een groot aantal van de geïnterviewden roept wel op de Grondwet beter uit te dragen met buitenconstitutionele instrumenten, bijvoorbeeld via het onderwijs. Instrumenten als een preambule en een Grondwet in eenvoudig Nederlands krijgen weinig bijval, al bestaat er een zekere voorkeur om de Grondwet nog beknopter te maken dan die nu is. Een meerderheid van de respondenten ziet in de zware herzieningsprocedure een belangrijke bescherming tegen de waan van de dag, terwijl enkele geïnterviewden dit juist een obstakel vinden tegen bestuurlijke vernieuwingen.

Wensenlijstjes voor verbetering
Bij doorvragen geven de meeste geïnterviewden aan wel – niet steeds als dringend ervaren – wensenlijstjes voor grondwetsverbetering te hebben. Zo lijkt er een gedeelde wens te bestaan tot opname van een recht tot toegang op een onpartijdige en onafhankelijke rechter. Meer verdeeld wordt gedacht over het al dan niet uit de Grondwet schrappen van het verbod voor de rechter om wetten te toetsen aan de Grondwet. Verder waren er veel particuliere en diverse suggesties tot grondwetsverandering.’

Het rapport kan worden gedownload via: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2009/04/17/de-nederlandse-grondwet-geevalueerd.

Co-redacteur en co-auteur, bundel Gelijkheid en rechtvaardigheid. Staatsrechtelijke vraagstukken rondom ‘minderheden’ (2002)

GetAttachment.aspx

‘Op 14 december 2001 vond de 28ste staatsconferentie plaats, waarbij de Leidse juridische faculteit als gastheer optrad. Het thema van de conferentie was Gelijkheid en rechtvaardigheid. Staatsrechtelijke vraagstukken rondom “minderheden”. De positie van en het gedrag van minderheden binnen onze samenleving staan de laatste tijd weer nadrukkelijk in de belangstelling. In dat verband is er onder meer discussie over de verhouding van het discriminatieverbod van artikel 1 Grondwet tot andere grondrechten.

De staatsrechtconferentie 2001 vormde in zekere zin een vervolg op de in 1979 in Leiden gehouden staatsrechtconferentie over ‘staatsrecht en minderheidsgroepen’. Na ruim 20 jaar wordt teruggeblikt op de ontwikkelingen in het minderhedenbeleid en in de wetgeving en rechtspraak met betrekking tot gelijke behandeling van diverse minderheidsgroepen. In hoeverre hebben beleid, wetgeving en rechtspraak geleid tot een grotere rechtvaardigheid in de behandeling van minderheidsgroepen in het functioneren van de samenleving als geheel? Daarnaast wordt vooruitgekeken naar nieuwe uitdagingen voor het staatsrecht als het gaat om het tegengaan van uitsluiting van kwetsbare groepen. Daarbij is het begrip “minderheden” bewust tussen aanhalingstekens geplaatst. Het perspectief is niet beperkt tot de min of meer traditionele minderheden in de vorm van allochtone bevolkingsgroepen, maar juist ook gericht op “nieuwe” groepen die zich als minderheid presenteren. Zo wordt niet alleen aangesloten bij allerhande actuele ontwikkelingen in onze multi-etnische, multireligieuze en multiculturele samenleving, maar ook onder meer stilgestaan bij de vraag in hoeverre het concept “minderheid” aan verandering onderhevig is.

Diverse onderwerpen, zoals de ontwikkeling van het Nederlandse minderhedenbeleid, de representatie van minderhedn binnen de politieke besluitvorming, botsing van grondrechten, scheiding van kerk en staat en onderscheid op grond van handicap worden in deze bundel belicht door personen die vanuit de politiek-bestuurlijke of rechtspraktijk met die onderwerpen te maken hebben. De bijdragen zijn op sommige plaatsen na de conferentie nog nader uitgewerkt naar aanleiding van de discussie. Ook zijn hier en daar nog actuele ontwikkelingen van na de conferentie meegenomen.’

Voor mijn eigen bijdrage, getiteld, ‘De verhouding tussen staat en godsdienst. Enkele stellingen ter herorientatie op een actueel thema’ (met B.C. Labuschagne), zie: https://openaccess.leidenuniv.nl/handle/1887/15114.

Voor de volledige inhoudsopgave, zie: http://www.gbv.de/dms/spk/sbb/toc/365325643.pdf.

Bestelinformatie:

http://www.bol.com/nl/p/gelijkheid-en-rechtvaardigheid-staatysre/1001004001829679/;

http://www.vanstockum.nl/boeken/recht-algemeen/staats–en-bestuursrecht/nl/gelijkheid-en-rechtvaardigheid%253B-staatsrechtelijke-vraagstukken-rondom-%2522minderheden%2522-kroes-mloof-jpnapel-hmtd-ten-9789026840807/