Tag Archives: constitutioneel recht

Boekbespreking van Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom. To Be Fully Human in Radix. Tijdschrift over geloof, wetenschap en samenleving

 

In de onlangs uitgekomen tweede aflevering uit 2018 van Radix. Tijdschrift over geloof, wetenschap en samenleving staat een nieuwe recensie van mijn boek Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom. To Be Fully Human van de hand van R.J. (Robert) van Putten MSc MA.

Uit de recensie:

‘Ten Napels boek is een rechtstheoretische studie, grotendeels geschreven tijdens een scholarship aan Princeton, binnen een programma waarin verbinding wordt gelegd tussen juridische en theologische studies.’ (p. 152)

‘Het boek is voor de auteur een poging om zijn onderzoekslijnen rond recht, religie en constitutie van de afgelopen decennia bijeen te brengen en met een eigen these over religieuze vrijheid en de democratische rechtsstaat te komen.’ (ibid.)

‘Het is steeds ingebed in de persoonlijke intellectuele zoektocht van de auteur, legt verbindingen met het Nederlandse denken en doen, maar is vooral een grondige bijdrage aan discussies binnen het domein van het constitutioneel recht.’ (ibid.)

Het slot van de recensie luidt als volgt:

‘In deze hoofdstukken weet Ten Napel centrale noties uit de sociale en politieke filosofie van de brede christendemocratische traditie soepel in te zetten voor zijn betoog, waarbij hij steeds de bredere relevantie ervan betoogt. Dat wil zeggen, hij maakt zijn lezers – en dus vooral ook zijn vakgenoten in het constitutioneel recht – duidelijk dat zijn visie niet alleen van betekenis is voor religieuzen, maar vooral ook het project van een liberaal-democratische samenleving en rechtsstaat als zodanig ondersteunt. Ten Napel is zich nadrukkelijk bewust van het feit dat hij een relatief ongebruikelijk boek heeft geschreven. Op heel eloquente manier behandelt hij dan ook “anticipated criticism”, namelijk dat zijn boek te normatief zou zijn voor de discipline van het constitutioneel recht. Het gaat inherent om “essentially contested concepts”, waardoor een normatief perspectief onvermijdelijk is. En gegeven het feit dat de theologie van grote invloed is geweest op centrale concepten als constitutionalisme, democratie en religieuze vrijheid zou het eerder vreemd zijn wanneer inzichten uit de christelijke traditie buiten beschouwing zouden moeten blijven.

Ten Napel heeft al met al een heel fraai boek opgeleverd. Het is vooral ook een boek dat het verdient breder gelezen te worden dan binnen de kringen van de internationale constitutionele rechtswetenschap. Juist ook voor het Nederlandse publieke debat vormt dit boek nadrukkelijk een theoretische versterking tegenover al te secularistische (en daarmee potentieel zelfondermijnende) benaderingen van democratie, rechtsstaat en religieuze vrijheid. Er staat, kortom, veel op het spel met deze thematiek. Niets minder dan To be fully human.’ (p. 154)

De auteur van de recensie is als docent en promovendus verbonden aan de afdeling Bestuurswetenschappen & Politicologie van de Vrije Universiteit Amsterdam.

Het tijdschrift Radix is ‘een multidisciplinair, wetenschappelijk kwartaaltijdschrift dat een platform biedt voor artikelen op de kruispunten van geloof, wetenschap en samenleving’ en wordt uitgegeven door ForumC.

Bron, en bestelinformatie: https://www.forumc.nl/radix/recente-nummers.

Zie voorts:

Review of book on ‘Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom. To Be Fully Human’

Artikel ‘Geloof in de liberale democratie’ in Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid

Press Release: ‘Hans-Martien ten Napel has book published “Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom. To Be Fully Human”’

 

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (V): Trump

Dit is het vijfde deel van een nieuwe serie blogposts gebaseerd op een bijdrage die ik een jaar geleden, op 20 april 2017, leverde aan een symposium over The Federalist Papers. Het symposium, dat plaatsvond in Brussel, was georganiseerd door De Debatten. ‘De Debatten is een initiatief van de Vrije Universiteit Brussel met de Universiteit Leiden en als Nederlandstalig forum een vaste waarde onder rechtsfilosofen en rechtshistorici uit de Lage Landen en een groeiende waarde binnen de wereld van de politieke filosofie.’ De bijdrage is onlangs ook, in definiteve vorm en voorzien van notenapparaat, gepubliceerd. Meer informatie daarover volgt nog.

Deze laatste opmerking van Levinson brengt ons als vanzelf bij de verkiezing van Donald Trump tot President, die een jaar na de verschijning van An Argument Open to All. Reading the Federalist heeft plaatsgevonden. Zoals niet geheel verwonderlijk is voor een progressieve liberaal, heeft Levinson zich reeds tijdens de campagne bij herhaling kritisch over Trump uitgelaten. Daarbij heeft hij bepaald geen blad voor de mond genomen, zoals wij hierna nog zullen zien. Een boeiende vraag is wat het feit dat Trump, ondanks de reserves die Levinson en anderen jegens hem koesterden, toch is gekozen, voor eventuele implicaties heeft voor de opvattingen van Levinson inzake de wenselijkheid van ‘popular constitutionalism’. Ook bijvoorbeeld sommige conservatieve intellectuelen koesterden bezwaren tegen de kandidatuur van Trump. Blijft Levinson ook onder de huidige politieke omstandigheden voorstander van een bijstelling van het Amerikaanse bestel die het eenvoudiger zou maken voor een meerderheid als de huidige Republikeinse om haar politieke wil door te drukken?

De verkiezing van Trump heeft potentieel ook implicaties voor het vertrouwen dat Levinson stelt in het electoraat, wanneer hij een nieuwe Constitutionele Conventie bepleit. Terecht wijst hij erop dat tegenstanders van een dergelijke Conventie deels worden gedreven door vrees voor een daartoe onvoldoende toegerust electoraat. Consequent doorredenerend zou je in dat geval ook niet moeten doorgaan met het houden van periodieke verkiezingen, al is ook verdedigbaar dat het kiezen van politici onder een vigerende constitutie een lager niveau van reflectie vereist dan het ontwerpen of ingrijpend herzien van die constitutie zelf. De – opnieuw spannende – vraag is wat de verkiezing van Trump met Levinson heeft gedaan, waar het zijn op zichzelf prijzenswaardige vertrouwen in het hedendaagse Amerikaanse electoraat betreft. Is op dit moment de tijd wel rijp te noemen voor een nieuwe exercitie als die van Publius van 250 jaar geleden, ondanks de gebreken die het Amerikaanse politieke bestel mag vertonen?

Het aardige is dat deze vragen niet alleen gesteld kunnen worden, maar er ook een antwoord op te geven valt, dankzij een gepubliceerde mailwisseling tussen Levinson en Jack M. Balkin, hoogleraar staatsrecht en het Eerste Amendement aan Yale. Balkin is eveneens een progressieve liberaal. Toch zit hij, zoals aanstonds zal blijken, beduidend anders in het onderwerp ‘popular constitutionalism’ dan Levinson. De mailwisseling tussen Balkin en Levinson, gepubliceerd onder de titel ‘Democracy and Dysfunction’, speelde zich af in de periode tussen 29 september 2015 en 3 december 2016. De presidentsverkiezingen waren op 8 november 2016.

Voor de opvattingen van Levinson over de kandidatuur van Trump, en over zijn kandidaat voor het vice-presidentschap Mike Pence, is een mail van hem van 1 augustus 2016 illustratief, waarin hij Trump bestempelt als ‘a narcissistic sociopath’ die het verdient om verslagen te worden. Het zou een ‘utter calamity’ zijn voor de Verenigde Staten en de hele wereld indien hij toch werd verkozen. In dat geval voorzag Levinson allerlei zwarte scenario’s, uiteenlopend van secessiebewegingen in New England en Californië tot een ‘de facto military coup’ in de vorm van een weigering om bepaalde bevelen uit te oefenen van een niet of onvoldoende gekwalificeerde opperbevelhebber. Een en ander naast massademonstraties en rellen bij gelegenheid van Trump’s inauguratie en de weigering van de Senaat om de meeste benoemingen goed te keuren. Misschien nog het meest rooskleurige scenario was dat Trump snel uit zijn ambt zou worden gezet en zijn kandidaat voor het vice-presidentschap Pence het roer zou overnemen. Toch was ook dit een bijzonder aantrekkelijk alternatief, nu Pence op eigen kracht het waarschijnlijk nooit tot president zou brengen in een regliere verkiezing.

Het wekt in het licht van dergelijke kwalificaties en opvattingen nauweijks verbazing dat Levinson de daadwerkelijke verkiezing van Trump tot President enkele maanden later zeer zorgelijk acht. Op 26 november 2016 schrijft hij aan Balkin van oordeel te zijn dat de Verenigde Staten ‘in the most serious existential internal crisis since 1860’ verkeert. Tevens geeft hij aan er na de verkiezingen bij de Republikeinse afgevaardigden naar het Electoral College op te hebben aangedrongen om ‘reflection and choice’ te betonen bij het maken van een keuze, zoals het college oorspronkelijk ook werd geacht te doen. Dit bij wijze van alternatief voor het eenvoudig handelen als ‘lemmings committed to a potentially suicidal choice for the nation’. Deze laatste ‘move’, het doen van een beroep op Republikeinse leden van het kiescollege is beduidend minder voor de hand liggend, aangezien Levinson zich eerder tegen het voortbestaan van uitgerekend deze instelling heeft uitgesproken. Het zou een van de belemmeringen zijn die de volledige doorwerking van de volkswil in het Amerikaanse bestel bemoeilijken en om deze reden tijdens de beoogde nieuwe Constitutionele Conventie voor afschaffing in aanmerking komen.

Balkin grijpt dit punt dan ook aan om genadeloos het dubbele in de opvattingen van Levinson aan de kaak te stellen. De laatste heeft er reeds gedurende een jaar in de mailwisseling op aangedrongen dat gebruik zou worden gemaakt van deze en andere ‘failsafes, these defenses of republican government’. Dit ondanks het feit dat hij er, evenmin als Balkin overigens, onder normale omstandigheden en specifiek het kiescollege zelfs heeft aangeduid als toonvoorbeeld van hetgeen er ondemocratisch is aan de Amerikaanse Grondwet. Nu zou er, volgens dezelfde Levinson, echter druk moeten worden uitgeoefend op de leden ervan om op 19 december 2016 hun stem op iemand anders uit te brengen dan Trump. Balkin attendeert erop dat nu blijkt hoe belangrijk het is dat, bijvoorbeeld in het geval van een demagoog die verkozen is op een programma dat in het teken staat van verandering, het doorvoeren van dergelijke verandering op voorhand zo moeilijk mogelijk wordt gemaakt. Het is niet per definitie democratisch, indien een nieuwe regering over ongebreidelde macht beschikt om haar ambities te realiseren. Integendeel, het is van belang dat het constitutionele bestel veiligheidskleppen bevat die dergelijke pogingen ernstig kunnen bemoeilijken. ‘To defeat a demagogue like Trump, in other words, one must use the tools that you, Sandy, have repeatedly denounced as making our Constitution undemocratic’, aldus Balkin.

In dit kader komt Balkin onder meer ook te spreken over het idee van nationale referenda, dat Levinson in het verleden heeft gelanceerd om de politieke patstelling in Washington te doorbreken. President Obama had, zeker tijdens zijn tweede termijn, immers de grootste moeite om een aantal beleidsvoornemens door het Congres te krijgen. Nationale referenda zouden hierbij behulpzaam kunnen zijn, had Levinson geopperd. Balkin wijst van zijn kant echter op het gevaar dat referenda kunnen inhouden wanneer een demagoog aan de macht is gekomen. Een dergelijke politicus is er immers bij uitstek op gericht ‘to circumvent established forms of lawmaking to project his power and identify his will with the will of the people’. Het is een argument dat in de Nederlandse discussie over het referendum in deze vorm niet is gebruikt, maar met de opkomst van het populisme in Europa ook hier niet lager zonder meer veronachtzaamd lijkt te kunnen worden.

Ook het idee van de Constitutionele Conventie als zodanig, waarmee Levinson dergelijke hervormingen hoopte te kunnen realiseren, stelt Balkin althans voor het moment onder kritiek. Het zou de slechtst denkbare timing zijn om daarop te blijven aandringen, nu er juist een demagoog aan de macht was gekomen. Trump was verkozen op een populistisch programma dat het bestaande constitutionele bestel wilde opblazen. Dat betekende dat zeker ook een deel van zijn aanhang de behoefte zou kunnen voelen om aan een Constitutionele Conventie deel te nemen. In het beste geval zou er, gegeven de tijdens de verkiezingscampagne aan het licht gekomen verdeeldheid in de samenleving, geen overeenstemming bereikt kunnen worden over de door te voeren hervormingen. Er bestond echter ook het risico dat Trump met zijn gebleken charisma zowel de Conventie als de door Republikeinen gedomineerde wetgevende vergaderingen van de staten naar zijn hand zou weten te zetten. In het laatste geval waren hervormingen in autoritaire richting denkbaar, zoals die momenteel bijvoorbeeld ook in Hongarije en Polen plaatsvinden. Met andere woorden, aldus Balkin aan Levinson, ‘[e]ven if you are correct that we need new constitutional amendments, the moment for an Article V convention can’t arise until the demagogue is thoroughly defeated and discredited’.

Balkin sluit af met wat zonder reserve wijze woorden genoemd kunnen worden over de duurzaamheid van een politiek bestel als het Amerikaanse, zoals in de tijd van de Federalist Papers al werd gezien. De opstellers van de Grondwet zagen in dat een republiek als de Amerikaanse op de lange termijn niet in stand zou blijven zonder ‘political faith’, door hem omschreven als de toewijding van burgers aan het algemeen welzijn. Ook de vitale rol van maatschappelijke organisaties, zoals media en onderwijsinstellingen, bij het onderhouden van het idee van ‘self-governance’ beklemtoonde Balkin. Hij maakte vervolgens zonder te aarzelen de sprong naar het heden: twee eeuwen later begrepen wij nog steeds ‘that the machine will not go of itself’. Nog altijd was de inspanning van velen vereist om de zich herhalende bedreigingen van de democratie het hoofd te bieden en het vertrouwen in de politieke instituties te herstellen wanneer dit geschonden was. De rol van het constitutionele recht hierbij was een beperkte, maar essentiële: ‘constitutional structure’ kan deze bijdrage van maatschappelijke organisaties immers zowel faciliteren als bemoeilijken. Vandaar dat zeker in de huidige tijd de bestudering daarvan weer zo belangrijk was.

Zoals blijkt uit deze laatste opmerking blijkt, en ook uit hetgeen ik eerder opmerkte over het zwaartepunt in het werk van Levinson, is dit welbeschouwd geen punt van verschil tussen Balkin en hem. Hun waardering van de in de Amerikaanse Grondwet ingebouwde mechanismen om de doorwerking van de volkswil te temperen, verschilt echter. Levinson was, en blijft, daar kritisch over. Balkin schrijft echter dat, hoewel het Amerikaanse staatsbestel al eens gefaald heeft rond de Burgeroorlog in de 19deeeuw en dit nogmaals kan gebeuren, de Grondwet toch zo in elkaar is gezet dat de kans of falen wordt verkleind. De reden is hiervoor is dat nadrukkelijk is rekening gehouden met een dergelijke kans op mislukking. Thans is opnieuw een test aangebroken van de kracht van de ingebouwde mechanismen die de risico’s van verandering beogen te temperen.

De vraag hoe deze test zal uitvallen, is een thema dat beoefenaren van het constitutionele recht in de Verenigde Staten en daarbuiten de komende jaren nog veel werk zal geven. Balkin heeft daar inmiddels een voorschot opgenomen door de huidige situatie in de Verenigde Staten nog niet als een constitutionele crisis aan te merken, maar hoogstens als ‘constitutional rot’. Levinson zal zich ongetwijfeld ook verder in deze discussie begeven, al was het maar omdat hij samen met Balkin reeds tien jaar geleden een baanbrekend artikel over het verschijnsel constitutionele crisis schreef. Voor ons voert deze discussie te ver en het is er ook nog te vroeg voor. Daarom volsta ik in dit hoofdstuk met weergave van de bovengenoemde opvattingen van Balkin, die een fraai tegenwicht vormen bij de eerder weergegeven opvattingen van Levinson terzake van ‘popular constitutionalism’. De lezer kan zich zo zelf een oordeel vormen over de merites van beide standpunten, die zoals vaker beide een kern van waarheid lijken te bevatten.

Zie verder:

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (IV): De heterogeniteit van de huidige Amerikaanse bevolking en de menselijke natuur

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (III): De achterlopende Grondwet

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (II): Een opzienbarend boek

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (I): Inleiding

 

Honours Class ‘Constitutionele concepten en praktijk’

5

Deze Honours Class hoop ik komende zomer aan te bieden, samen met prof. mr. J.P.H. Donner, vice-president van de Raad van State en dit academisch jaar als Cleveringa-hoogleraar verbonden aan de Universiteit Leiden.

De vakbeschrijving luidt als volgt:

‘Belangrijke staatsrechtelijke begrippen, zoals democratie, scheiding van machten en soevereiniteit, zijn historisch tot ontwikkeling gekomen binnen de grenzen van de natiestaat. Deze Honours Class zal allereerst onderzoeken wat de functies van deze begrippen waren binnen het nationale bestel en welke invulling zij in de praktijk hebben gekregen.

In de afgelopen decennia is de “beschermende” functie van natiestaten zoals Nederland verminderd. Een tweede vraag die de Class zal pogen te beantwoorden is dan ook: gegeven de nieuwe praktische werkelijkheid van Europese integratie in het bijzonder, hoe kan de essentie van deze, oorspronkelijk nationale staatsrechtelijke begrippen, ook in het vervolg gewaarborgd blijven?’

Dit vak is een Honours Class en alleen beschikbaar voor studenten van het Honours College. Zij kunnen zich tot 1 april voor het vak inschrijven.

Zie voor de volledige vakbeschrijving:

https://studiegids.leidenuniv.nl/courses/show/56319/constitutionele-concepten-en-praktijk.

Voor het nieuwsbericht over de benoeming van prof. mr. J.P.H. Donner, zie:

http://nieuws.leidenuniv.nl/nieuws-2015/piet-hein-donner-houdt-cleveringa-oratie-2015.html.

De Cleveringa-oratie 2015 van vice-president Donner is hier raadpleegbaar:

https://www.raadvanstate.nl/agenda/nieuws/tekst-nieuwsbericht.html?id=797&summary_only=&category_id=9.

In de Mare verscheen op 19 november 2015 een interview met de Cleveringa-hoogleraar, getiteld ‘Ik mis het debat met de Kamer’:

http://www.mareonline.nl/archive/2015/11/18/ik-mis-het-debat-met-de-kamer.

Co-redacteur en co-auteur, bundel De betekenis van de Europese Grondwet voor de Nederlandse staatsinstellingen (2005)

9789013031614-240x300

‘Op 26 mei 2005 organiseerde de Staatsrechtkring in samenwerking met de Universiteit Leiden een symposium over de betekenis van de Europese Grondwet voor de verhouding tussen bestuur, rechter en wetgever zowel in de relatie Nederland-EU, als in de relatie tussen de EU-instellingen onderling. Tijdens dit symposium werd een eerste inventarisatie uitgevoerd in drie sessies, waarbij telkens de betekenis van de Europese Grondwet voor een van de overheidsmachten (wetgever, bestuur of rechter) centraal stond. Een afzonderlijke sessie werd gewijd aan de gevolgen voor de Nederlandse burger (democratie).

Het symposium opende met een beschouwing over de grondwettelijkheid van de Europese Grondwet en sloot af met een overkoepelende beschouwing door de vice-president van de Raad van state.

Minder dan een week na het symposium, op 1 juni 2005, vond het Nederlandse referendum plaats over de Europese Grondwet, waarbij 62,5 procent van de bevolking tegen stemde. Enkele dagen daarvoor had de Franse bevolking zich eveneens uitgesproken in negatieve zin. Hierop zijn de diverse inleiders gevraagd in de reeds voorbereide bijdragen in te gaan op de vraag wat het Franse en Nederlandse ‘nee’ en de Europese reflectieperiode betekenen voor de rechtsvorming door of met medewerking van de overheidstak waarover zij hun bijdragen schreven, de onderlinge relaties van die overheidstakken en het constitutionele recht (zowel de beginselen als het positieve recht) waar die rechtsvorming en onderlinge relaties door worden beheerst.

Alle inleiders hebben aan dit verzoek gehoor gegeven. Hiernaast werden twee aanvullende bijdragen geschreven over respectievelijk de Haagse visie op het beginsel van het institutioneel evenwicht en de positie van de Nederlandse regering als Europees onderhandelaar.

De bundel, onder redactie van mr. dr. H.-M.Th.D. ten Napel en prof. dr. W.J.M. Voermans, is gepubliceerd in de reeks Publicaties van de Staatsrechtkring en bevat bijdragen van prof. mr. R. Barents, mr. J.L.W. Broeksteeg, mr. M.L.H.K. Claes, drs. J.N. Dubbelboer, mr. dr. H.-M.Th.D. ten Napel, mr. H.D. Tjeenk Willink, prof. dr. W.J.M. Voermans en prof. mr. R.J.G.M. Widdershoven.’

Bestelinformatie:

http://www.standaardboekhandel.be/seo/nl/boeken/recht/9789013031614/-/de-betekenis-van-de-europese-grondwet-voor-de-nederlandse-staatsinstellingen.

Voor de overkoepelende slotbeschouwing van de toenmalige vice-president van de Raad van State, zie:

https://www.raadvanstate.nl/tjeenkwillink/toespraken-van-herman-tjeenk-willink/tekst-toespraak.html?id=511&summary_only=&category_id=14.

Voor mijn eigen bijdrage, getiteld ‘Liever Monnet dan Metternich? De Haagse visie op het beginsel van het institutioneel evenwicht’,
zie:

https://openaccess.leidenuniv.nl/handle/1887/13390.