Interview t.b.v. artikel ‘Buma koestert conservatisme’

Bron: European People’s Party – EPP Dublin Congress, 2014, CC BY 2.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=31654267

Het Reformatorisch Dagblad publiceert vandaag (zaterdag 17 juni 2017) op de voorpagina bovengenoemd artikel van Gerard Vroegindeweij, dat als volgt opent:

‘Het CDA positioneert zich rechts van de VVD, stelt CDA-prominent en oud-informateur Herman Wijffels. Wil het CDA inderdaad eenzelfde positie als zusterpartij CDU in Duitsland; dus rechts van de liberalen? Kenners gaan deels mee met deze waarneming van Wijffels.’

Het artikel bevat onder meer de volgende passage, waarin ik zelf aan het woord kom:

‘Gaat het CDA inderdaad richting de Duitse CDU en wil de partij de VVD rechts passeren? Hans Martien ten Napel, universitair hoofddocent staats- en bestuursrecht aan de Universiteit Leiden, denkt van wel. Volgens hem bevindt „zich de natuurlijke positie van het CDA aan de rechterkant van het politieke spectrum. Het sociaal-pluralistische gedachtegoed waarop de christendemocratie is gestoeld, vertoont onmiskenbaar verwantschap met de politieke stroming van het conservatisme. Noch de sociale leer van de Rooms-Katholieke Kerk, noch het antirevolutionair of christelijk-historisch denken kan als vollédig conservatief worden aangemerkt. Maar je merkt wel dat Buma het conservatisme koestert.”

In de beginperiode van het CDA keken christendemocraten met enige minachting naar de oosterburen en de behoudende koers die de CDU voerde. Met rechts en conservatisme wilden de Nederlandse CDA’ers niets te maken hebben. Ten Napel: „Het schrikbeeld dat christendemocraten ten tijde van de totstandkoming van het CDA van de Duitse CDU schetsten, wekt achteraf echter de nodige verwondering.”

In de jaren negentig schreven journalisten en wetenschappers het CDA af. De christendemocratie zou verdwijnen. Waarom hadden zij het mis?

„Het lijkt mij te vroeg om te concluderen dat deze journalisten en wetenschappers het mis hadden. In een postseculiere tijd ontstaat er op zichzelf weer meer ruimte voor de verbinding tussen levensbeschouwing en politiek. Bij de jongste Tweede Kamerverkiezingen boekte het CDA ook daadwerkelijk een bescheiden winst, maar negentien zetels blijft voor de christendemocratie wel het op een na slechtste resultaat uit de parlementaire geschiedenis.”

Is een rechtsere koers dé manier om politiek te overleven en ook niet-kerkelijke kiezers aan de partij te binden?

„Als er meer niet-kerkelijke kiezers komen, is een rechtsere koers niet de enige manier om hen aan de partij te binden. Deze niet-kerkelijke kiezers bevinden zich immers in het gehele politieke spectrum. Een rechtsere koers is wél een manier om ook andere, niet-christelijke, conservatieve kiezers te bereiken. Gelet op het teruglopende aantal christelijke kiezers is het van belang om de brug naar een algemener conservatisme te slaan. Dat moet relatief gemakkelijk kunnen doordat conservatisme in Nederland minder dan voorheen als taboe geldt.”

Waar zag u een omslag?

„Uit een eerder onderzoek dat ik verrichtte naar de programmatische ontwikkeling van het CDA tot 2010 kwam zeker wat betreft het integratiebeleid de eeuwwisseling als omslagpunt naar voren. Maar als ik met een nog ruimer historisch perspectief kijk, dan kun je je afvragen in hoeverre er eigenlijk gesproken kan worden van een omslag.”’

Lees hier het hele artikel, waarin o.a. ook oud-minister Hillen en Pieter Jan Dijkman, de nieuwe directeur van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA, aan het woord komen:

Buma koestert conservatisme.

Zie ook:

Bijdrage over ‘Verrechtsing van het CDA’ t.b.v. De Hofvijver (Montesquieu Instituut).

Expertisecentrum Politieke Legitimiteit

‘Het Expertisecentrum Politieke Legitimiteit is per 2017 in het leven geroepen om het aanbod van onderzoeksthema’s en -vaardigheden van wetenschappers uit Leiden en Den Haag beter te laten aansluiten bij de vraag vanuit overheden, maatschappelijke instanties en bedrijven. Het centrum biedt bemiddeling en begeleiding bij het uitvoeren van vraaggestuurd (contract)onderzoek naar politieke legitimiteit in theorie en praktijk, in binnen- en buitenland.

De Universiteit Leiden heeft op vier faculteiten (waarvan drie in Leiden en één in Den Haag) een indrukwekkende expertise in huis op het gebied van ‘politieke legitimiteit’. Onze onderzoekers houden zich bijvoorbeeld bezig met internationale conflictoplossing, de positie van veiligheidsdiensten, democratische vernieuwing, de toekomst van politieke partijen, de legitimiteit van de rechterlijke macht, enzovoort.

Deze onderzoekers zijn sinds 2010 samengebracht binnen het profileringsgebied Politieke Legitimiteit, waarin de Universiteit Leiden hen heeft gestimuleerd om vernieuwend, vaak multi- en interdisciplinair onderzoek te doen. Het actieve netwerk dat hiervan het resultaat is, en dat zich over de vier faculteiten uitstrekt, heeft per 2017 een expertisecentrum voortgebracht.

Het Expertisecentrum

Het Expertisecentrum Politieke Legitimiteit heeft als doel om de maatschappelijke vraag naar wetenschappelijk onderzoek in kaart te brengen en actief vraaggericht onderzoek op te zetten, in samenwerking met enerzijds de onderzoekers en anderzijds maatschappelijke en overheidsinstanties die behoefte hebben aan nieuw onderzoek naar (onderwerpen gelieerd aan) politieke legitimiteit. Het expertisecentrum bemiddelt in het opstellen van aanvragen en onderzoeksopdrachten om de samenwerking tussen opdrachtgever en uitvoerende onderzoeker(s) te vergemakkelijken. De coördinatie van het centrum is in handen van prof. dr. Wim Voermans (Staats- en Bestuursrecht) en dr. Geerten Waling (Politieke Wetenschap).

Meer informatie

Download onze brochure (pdf) voor een uitgebreide toelichting en voorbeelden. Voor meer informatie: g.h.waling@fsw.leidenuniv.nl.’

Bron: https://www.universiteitleiden.nl/research-focus-areas/politieke-legitimiteit/expertisecentrum-politieke-legitimiteit.

Co-redactie, themanummer ‘Thorbeckse Twisten’, CDV (2007)

IMG_1751

Uit de ‘Ter introductie’:

‘Deze bundel gaat over voortdurende competentietwisten tussen de verschillende bestuurslagen in het Huis van Thorbecke. Met dat beeld van een huis vatten we de inrichting van ons staatsbestel samen, met zijn drie bestuurslagen (gemeenten, provincies en het rijk), toegeschreven aan de liberale staatsman Johan Rudolf Thorbecke (1798-1872).’

Mijn eigen bijdrage, geschreven samen met Rien Fraanje, Dirk Gudde & Jan Prij, is getiteld ‘Reconstrueer en versterk het Huis van Thorbecke’:

‘Nederland kent drie bestuurslagen: het rijk, de provincies en de gemeenten. Dit ‘Huis van Thorbecke’ biedt al heel
lang een goede structuur voor toedeling van bestuurlijke verantwoordelijkheden, en nog steeds. Het is echter verrommeld door competentietwisten en de dominantie van technocratische benaderingen. Daarom is het de hoogste tijd voor een meer principiële aanpak waar groter niet per definitie beter is en verantwoordelijkheden weer scherper klassiek in drieën verdeeld zijn.’

Voor de volledige inhoudsopgave van het nummer en bestelinformatie, zie: https://www.tijdschriftcdv.nl/inhoud?jaar=2007&nummer=1.

Voor een downloadbare versie, zie:

http://pubnpp.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/tijdschrift/CDV/CDV2007/CDV_2007_lente.pdf.

Voor de toespraak van staatssecretaris Bijleveld bij de ontvangst van het themanummer, zie:

CDVhttps://www.rijksoverheid.nl/documenten/toespraken/2007/04/17/toespraak-staatssecretaris-bij-ontvangst-nieuwe-nummer-cdv.

Over CDV:

‘CDV is het kwartaaltijdschrift dat de functie van geheugen en geweten binnen de christendemocratie vervult. Het doet dit vanuit een kritisch solidaire en onafhankelijke opstelling ten opzichte van het CDA. Het schrijft over het spanningsveld tussen geloof en politiek, wetenschap en beleid. De afgelopen jaren trok elk nummer van CDV veel media-aandacht. CDV bevindt zich in het brandpunt van de maatschappelijke actualiteit.

CDV diept belangwekkende thema’s uit nog voordat ze actueel zijn, door mensen die er echt toe doen. Het blad is een bron van waardevolle informatie voor zowel politici als politiek geïnteresseerden, omdat het dieper liggende motieven en gedachten blootlegt achter beleidskeuzen en standpunten.’

Hoofdstukken in bundel De conjunctuur van de macht. Het christen democratisch appèl 1980-2010 (2011)

1001004010301223

‘Dertig jaar geleden verenigden de KVP, ARP en CHU zich in het CDA. Sindsdien hebben de christendemocraten het politieke landschap in Nederland bepaald, afgezien van de Paarse jaren, toen ze oppositie voerden. Maar blijft dat zo? Dit boek beschrijft het verleden en de toekomstscenario’s van het CDA.

Na de val van het vierde kabinet-Balkenende in februari 2010 leek het CDA op zijn retour. Was het einde van de politieke spilpositie van deze partij in zicht, juist toen ze aan de vooravond stond van haar dertigjarig bestaan? De christendemocratie in Nederland was al eerder doodverklaard, maar slaagde er steeds weer in terug te komen.

Hoewel de drie confessionele partijen in de jaren zestig en zeventig wegkwijnden, herrezen ze in 1980 als het Christen Democratisch Appèl, dat het vervolgens onverwacht goed deed. In de jaren negentig raakte het CDA electoraal opnieuw in verval, maar aan het begin van deze eeuw keerde de partij weer terug in het centrum van de macht. De vraag is hoe de toekomst van de dertigjarige partij eruitziet. Is ze in staat haar machtspositie te bewaren dan wel te herwinnen? Deze bundel schetst de ontwikkeling van het CDA vanuit verschillende invalshoeken.’

Mijn eigen hoofdstukken in deze bundel zijn getiteld: ‘”Een wet mag de zedelijke draagkracht van het volk niet te boven gaan”. De opstelling van het cda-in-wording in het parlement’ en ‘”Geen buigingen naar rechts?” Enkele opmerkingen over de programmatische ontwikkeling van het cda tussen 1980 en 2010’.

Beide hoofdstukken, waarvan het laatste samen is geschreven met James Kennedy, zijn hier te downloaden:

http://dnpp.ub.rug.nl/dnpp/publicaties/boom/conjunctuur.

De bundel zelf is alleen nog tweedehands verkrijgbaar:

http://www.bol.com/nl/p/de-conjunctuur-van-de-macht/1001004010301223/

Co-redacteur en co-auteur, bundel De strijd om de ether. Christelijke partijen en de inrichting van het radio- en televisiebestel (1997)

IMG_1725

‘Het Nederlandse publieke omroepbestel, met zijn scala aan omroepverenigingen, is vanwege zijn nadruk op ideeën en overtuigingen uniek in de wereld. Het bestel heeft een traditie die terug gaat tot in de jaren 1920, toen de radio zijn intrede deed. De christelijke politieke partijen, de ARP, de CHU, de RKSP, de KVP en het CDA, hebben bij de vormgeving van het bestel een dominante rol gespeeld. In deze bundel beschrijven jonge wetenschappers hoe deze partijen zich in de loop van deze eeuw hebben opgesteld tegenover het “omroepbestel”.

Een van de rode draden daarbij is de rol van de overheid. Deze had telkens opnieuw tot taak de schaarse ruimte in de ether op maatschappelijk aanvaardbare wijze te verdelen. Dit gold voor de radio maar evenzeer voor de televisie toen deze in de jaren ’50 de huiskamer veroverde. De christelijke politieke partijen lieten zich bij dit verdelingsvraagstuk niet onbetuigd. Ook de omroepen van KRO en NCRV deden hun invloed gelden. De geschiedenis laat zien dat het dan ook niet overdreven is te spreken van een “strijd om de ether”.

De bundel bestaat uit vier thematische bijdragen en drie biografische schetsen. De eerste thematische bijdrage bespreekt de vormgeving van het radiobestel. Vervolgens komen de na-oorlogse jaren van de “doorbraak” aan de orde, waarbij geprobeerd werd de maatschappelijke tegenstellingen ook in de ether te verzoenen. Daarop volgen de politieke discussies in de jaren ‘6O naar aanleiding van de komst van de televisie. De bundel sluit af met de overgang naar het duale bestel in de jaren ‘8O en de rol die het CDA daarbij gespeeld heeft.

In de biografische schetsen worden drie christelijke politici belicht die op de vormgeving van het omroepbestel elk een eigen stempel hebben gedrukt, te weten H. van Boeijen (CHU), P.S. Gerbrandy (ARP) en J. Cals (KVP).

De bundel confronteert de christen-democratie met haar geschiedenis: het in de jaren 1920 ingerichte omroepbestel heeft in de loop der tijd vele aanvallen doorstaan. In gemoderniseerde vorm heeft het steeds weten te overleven. Het is aan de christen-democratische politiek om dit bestel zodanig te moderniseren dat het ook in de 21ste eeuw nog bestaansrecht heeft.’

Co-redacteuren van deze bundel zijn: H.J. van de Streek en R.S. Zwart. Zelf nam ik een hoofdstuk voor mijn rekening, getiteld: ‘”Naast het specifieke het gemeenschappelijke”. H. van Boeijen en de radiokwestie (1932-1944)’.

Voor een overzicht van alle hoofdstukken, zie:

http://www.dbng.nl/en/search/1?searchkey1=relnt&searchterm1=162277288&searchtype1=and.

Bestelinformatie:

http://www.bol.com/nl/p/de-strijd-om-de-ether/1001004001505053/.

Co-redacteur, bundel Christelijke politiek en democratie (1995)

9012083141

‘Met “Paars” heeft ook in Nederland de idee van de liberale democratie overwonnen. De burger moet kunnen gaan winkelen wanneer het hem goeddunkt. De politiek staat op het punt democratischer te worden; het kabinet Kok vindt dat onze volksvertegenwoordigers direct door de bevolking uit de eigen omgeving gekozen moeten worden. Ook maakt het Kabinet zich hard voor de invoering van het referendum. Maar toch: wil de burger dit allemaal wel? Hoe democratisch moet de politiek zijn? Tot nu toe bleef men bij referenda massaal thuis. De opkomst voor verkiezingen is nog nooit zo laag geweest, en lid worden van een partij is ook uit de mode. Dit boek bepaalt de lezer bij de actualiteit van het huidige debat over democratie. Specifiek staat in deze bundel de bijdrage van de christen-democratie aan de discussie over democratisering van de politiek centraal. In heden, verleden en toekomst. Het CDA kenmerkte zich in zijn verleden altijd door terughoudendheid. Van referenda en directe mandaten moe(s)t men weinig hebben. In hoeverre valt voor de toekomst een betekenisvolle bijdrage van de christen-democratie te verwachten?

Diverse (jonge) wetenschappers proberen in deze bundel op die vraag een antwoord te geven, met een verkenning van de historische dimensies van het thema christelijke politiek en democratie. De bundel begint met een drietal ideeënhistorische bijdragen over de gedachtevorming binnen het katholicisme en het protestantisme over democratie. Ook het theocratisch denken krijgt de aandacht. Daarna wordt aan de hand van vier case-studies geïllustreerd hoe de voorgangers van het CDA concrete oplossingen trachtten te vinden voor concrete vraagstukken van democratisering. Allereerst gaat de aandacht uit naar de meningsvorming binnen de RKSP, de ARP en de CHU over de invoering van het kiesrecht van vrouwen in de jaren 1905-1919. Vervolgens wordt het katholieke antwoord op het fascisme in Nederland besproken, gevolgd door een analyse van het debat over het corporatisme binnen de RKSP en de KVP tussen 1952 en 1960. De bundel sluit af met een staatsrechtelijke bijdrage over de standpunten van het CDA in het recente debat over staatkundige en bestuurlijke vernieuwing.

De bundel confronteert de christen-democratie met haar geschiedenis: indien het CDA een oorspronkelijke bijdrage wil leveren aan de grote debatten over democratie en democratisering zal eerst het nodige denkwerk moeten worden verricht.’

De overige redacteuren van de bundel zijn H.J. van de Streek en R.S. Zwart.

Bestelinformatie:

http://www.bol.com/nl/p/christelijke-politiek-democrat/1001004001505026/;

http://www.mullerbook.nl/boek.php?boekId=26450.

Voor een signalering op digibron.nl, zie:

http://www.digibron.nl/search/detail/012de09bf5bad12edd9c8d8c/om-het-belang-van-de-democratie.

Co-redacteur en co-auteur, bundel Geloven in macht, de christen-democratie in Nederland (1993)

GetAttachment.aspx

‘”Men kan van mening verschillen over de precieze betekenis en relevantie van de christelijke inspiratie voor het politiek handelen. Men kan blijven twijfelen aan de bijzonderheid van het christen-democratisch gedachtegoed. Men kan het CDA verguizen of verafgoden en men kan de partij een zegen of een vloek voor Nederland vinden. maar hoe men ook tegen het CDA aankijkt, eenieder zal met een mengeling van afgunst en bewondering moeten erkennen, dat de partij in machtspolitiek opzicht sinds haar oprichting een formidabele prestatie heeft geleverd. Van dorpspolitiek tot de residentie en van de provincie tot Europa, het CDA is daar waar de macht is en waar de posten worden verdeeld.”

In deze bundel wordt de macht van de Nederlandse christen-democratie door politicologen aan een kritische analyse onderworpen. Achtereenvolgens komen daarbij aan bod: de geschiedenis en de partij-organisatie van het CDA, de maatschappelijke en electorale basis, het beleid, de strijdpunten en het Europese perspectief.’

Mijn eigen bijdrage aan deze bundel is getiteld: ‘Christen-democratie en Europese integratie’.

Recensie J.-J. van den Berg, Trouw:

http://www.trouw.nl/tr/nl/5009/Archief/article/detail/2642007/1994/02/24/Het-geheim-van-CDA-schuilt-in-aanpassing.dhtml.

Recensie H. Hermsen, BMGN (Low Countries Historical Review):

http://dspace.library.uu.nl/handle/1874/248269.

Bestelinformatie:

http://www.omero.nl/boeken/g/e/l/geloven-in-macht-de-nederlandse-christendemocratie/.

 

Dissertatie, ‘Een eigen weg’. De totstandkoming van het CDA (1952-1980) (1992)

IMG_1718

 

‘In het naoorlogse politieke leven in Nederland speelde (en speelt) de christen-democratie een belangrijke rol. Toch is de interne geschiedenis van deze politieke richting, en meer in het bijzonder de ontwikkeling van drie afzonderlijke partijen – ARP, CHU en KVP – tot het ene CDA, tot nu toe nauwelijks bestudeerd.

Zo’n studie is van groot belang voor het inzicht in het snel veranderende politieke klimaat van Nederland na de oorlog. Het was opmerkelijk dat in 1980 al geschiedde wat een katholiek dagblad in 1959 nog voor een wonder hield.: ‘Een dergelijke partijformatie zou een miracle hollandais zijn, waarin (…) niemand kan geloven’ (De Tijd/De Maasbode).

De studie van Ten Napel naar de achtergronden en het concrete verloop van dit eenwordingsproces zal zeker als een waardevolle aanvulling van de recente politieke geschiedschrijving verwelkomd worden. En niet alleen door vakmatig geïnteresseerden, want de opzet van het boek maakt het voor iedere belangstellende zeer toegankelijk.

‘Een eigen weg’ is een bewerking van het proefschrift waarop de auteur in januari 1992 aan de Rijksuniversiteit te Leiden promoveerde.’

Bestelinformatie:

http://www.marktplaza.nl/boeken/geschiedenis/een-eigen-weg-door-h.-m.t.d.-ten-napel-48351210.html;

http://www.bol.com/nl/p/eigen-weg-een/1001004001513020/.

Toespraak L.C. Brinkman bij aanbieding:

http://pubnpp.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/tijdschriftartikel/CDV/1992/CDV1992_08p361Brinkm/CDV_1992_08_p361_Brinkman.pdf.

Recensie R.S. Zwart in BMGN (Low Countries Historical Review):

http://dspace.library.uu.nl/handle/1874/248105.

Recensie Trouw:

http://www.trouw.nl/tr/nl/4512/Cultuur/article/detail/2602563/1992/05/20/Is-het-CDA-een-blijvend-succesnummer.dhtml.

Signalering digibron.nl:

http://www.digibron.nl/search/detail/831bec783616e23b248d611482f38439/een-eigen-weg.

VPRO, Andere tijden, 1 oktober 2002:

http://www.npogeschiedenis.nl/andere-tijden/afleveringen/2002-2003/Het-ontstaan-van-het-CDA.html.

 

 

CDA deelt in malaise liberale christendom (II)

Hierbij het tweede deel van de analyse van het verdere terreinverlies van het CDA bij de Tweede-Kamerverkiezingen van 12 september j.l. Het artikel is inmiddels ook digitaal beschikbaar gekomen via http://www.trouw.nl/tr/nl/4328/Opinie/article/detail/3318266/2012/09/18/CDA-deelt-tegen-wil-en-dank-in-malaise-van-liberaal-christendom.dhtml.

Het tweestromenland waarvan de verkiezingsuitslag getuigt, stelt de christen-democratie inmiddels voor de existentiële vraag hoe nu verder. Op zichzelf is het denkbaar dat een terugkeer naar een paars beleid tot een revitalisering van de christen-democratie zou leiden. Zonder christen-democratisch tegenwicht van betekenis, kan dit immers tot een aantasting van klassieke vrijheidsrechten als de vrijheden van godsdienst en onderwijs leiden. Een mobilisatie van christelijke kiezers zou hiervan, evenals in de negentiende eeuw, het gevolg kunnen zijn. Het is echter de vraag of de interne secularisatie niet in de weg staat aan een dergelijke wederopleving van de christen-democratie.

Het kan ook tot een besluit tot opheffing van de partij komen. Niet lang voor de verkiezingen opperde een Amsterdamse predikant reeds deze mogelijkheid, overigens zonder daar direct op uit te zijn. Hij doelde op de achterdocht die het agenderen van bijvoorbeeld ethische thema’s door christelijke partijen tegenwoordig op voorhand oproept. Onder met name conservatievere christen-democraten geldt het opgaan in een breder verband al langer als mogelijk scenario, al toont het Amerikaanse voorbeeld aan dat ook dat geen ideale situatie hoeft te zijn. Een verder aanlengen van de christelijke identiteit leidt wegens overbodigheid de facto vermoedelijk evenzeer tot opheffing.

Aannemelijk is dat het CDA vooralsnog zal zoeken naar een tussenweg tussen de voor een politieke partij nu eenmaal weinig aantrekkelijke optie van opheffing en de moeilijk haalbare werkelijke revitalisering van de stroming. Aldus deelt de partij tegen wil en dank in de algehele malaise waarin het liberale christendom zich wereldwijd bevindt.

Canon van de Christendemocratie (I): het kabinet-Kuyper

Foto: Foto-persbureau Dirk Hol

Op 22 mei a.s. wordt het eerste exemplaar van ‘De Canon van de Christendemocratie’ uitgereikt aan vier oud-premiers. Deze canon schetst in veertig lemma’s de geschiedenis van het CDA en zijn voorgangers ARP, CHU en KVP. De canon is totstandgebracht door een redactie bestaande uit prof. dr. Raymond Gradus (directeur Wetenschappelijk Instituut voor het CDA), prof. dr. George Harinck (hoogleraar Geschiedenis aan de Vrije Universiteit), dr. Alexander van Kessel (onderzoeker aan het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis), drs. Karin Hoentjen (Hoofd Beleid CDA Partijbureau) en ondergetekende. Hieronder kunt u alvast de voorlaatste, iets uitgebreidere, versie lezen van mijn lemma over het kabinet-Kuyper:

‘Voor ons staat de zaak dan ook eenvoudig zoo: Sluit ge de Roomschen buiten de hedendaagsche Christenheid, dan is de Protestantsche geloovige Christenheid met handen en voeten gebonden, en voor altoos, aan de ongeloovige meerderheid overgeleverd, en wordt alle verzet tegen het Revolutiebeginsel doelloos’, aldus Kuyper in zijn deputatenrede van 17 april 1901.

Nadat het kabinet-Mackay in 1891 was gevallen, duurde het – mede als gevolg van de aanzienlijke politieke verdeeldheid in antirevolutionaire en katholieke kring – tien jaar alvorens er een nieuw Coalitiekabinet werd gevormd, het kabinet-Kuyper. Dit na een verkiezing waarbij de confessionele partijen (rechts) maar liefst 58 van de in totaal 100 zetels hadden behaald. Kuyper, die zijn aanvankelijke reserves jegens samenwerking met de katholieken geleidelijk had laten varen, beriep zich ter verdediging van de hernieuwde samenwerking in Coalitieverband op de gedachte van de ‘Antithese’. Bij het aangaan van politieke bondgenootschappen diende volgens hem bepalend te zijn de vraag of een bepaalde groepering de soevereiniteit van God op het terrein van de staatkunde als leidend beginsel wenste te erkennen. Aldus beschouwd, waren protestanten en katholieken, hoewel zij organisatorisch gescheiden optrokken, politiek meer op elkaar aangewezen dan men op grond van de godsdienstige overtuigingen en historie van beide volksgroepen in eerste instantie zou verwachten.

Belangrijke wetgevende activiteit heeft het kabinet-Kuyper, dat op 1 augustus 1901 aantrad, ontplooid op het terrein van het onderwijs. Zo strekte zijn hoger-onderwijswet ertoe afgestudeerden aan de door Kuyper in 1880 opgerichte Vrije Universiteit dezelfde rechten te verlenen als wie zijn titel had behaald aan een rijksuniversiteit. Weliswaar wees de Eerste Kamer dit wetsvoorstel in eerste instantie af, maar toen Kuyper haar vervolgens ontbond, verloren de liberalen er hun meerderheid. Nadat het kabinet het verworpen wetsvoorstel opnieuw had ingediend, werd het wel door beide Kamers aanvaard. Als gevolg van een wijziging van de lager-onderwijswet verbeterde de positie van het bijzonder onderwijs eveneens, waardoor het aantal bijzondere scholen tussen 1905 en 1910 aanzienlijk zou stijgen.

Van sociale wetgeving kwam daarentegen beduidend minder terecht, mogelijk mede omdat tijdens de kabinetsformatie de afdeling Arbeid onder Kuypers ministerie van Binnenlandse Zaken was komen te ressorteren, waaronder ook Onderwijs reeds viel. Aannemelijk is voorts dat de spanning tussen Kuypers organische samenlevingsvisie enerzijds en de maatschappelijke werkelijkheid anderzijds bemoeilijkend heeft gewerkt. De organische maatschappijvisie bracht een terughoudende opstelling van de overheid met zich mee. Het maatschappelijk middenveld was evenwel nog niet tot volle bloei gekomen en stelde zich bovendien deels onwelwillend op.

De wijze waarop het kabinet reageerde op de spoorwegstakingen van 1903 heeft evenmin bijgedragen aan zijn sociale gezicht. Het kabinet diende niet zoals gebruikelijk bij brief, maar in persoon namens de koningin wetsvoorstellen in bij de Tweede Kamer die onder meer staking door ambtenaren en spoorwegpersoneel moesten verbieden. Na een mislukte, nieuwe spoorwegstaking werden deze ‘dwangwetten’ overigens in hoog tempo aanvaard.

Als gevolg van een en ander vergrootte de tegenstelling tussen confessionelen en socialisten. Ook meer in het algemeen groeide het kabinet uit tot een van de meest omstreden kabinetten in onze politieke geschiedenis. De verkiezingsstrijd van 1905 stond geheel in het teken van de keuze voor of tegen Kuyper. Door samenwerking van links bij de herstemmingen, bleef rechts steken op 48 zetels. Op 3 juli 1905 bood het kabinet-Kuyper zijn ontslag aan.

Na een kort intermezzo, was het kabinet-Heemskerk (1908-1913) het derde en laatste Coalitie-kabinet vóór het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Evenals eerder het kabinet-Kuyper, werd dit kabinet, behalve door antirevolutionairen en katholieken, vanuit de Kamer ook loyaal gesteund door de christelijk-historischen.

Literatuur

 

Kuiper, D. Th. & Schutte, G. J. (red.) (2001). Het kabinet Kuyper 1901 – 1905. Jaarboek voor de geschiedenis van het Nederlands Protestantisme na 1800. Zoetermeer: Meinema.