Category Archives: Dutch Politics

Forthcoming review essay of James K.A. Smith’s Cultural Liturgies

Following this year’s conference of the European Academy of Conference in Bologna, during which I co-chaired two successful panels on ‘Law and Religion: Public theology and natural law,’ I have been working on two articles on James K.A. Smith’s trilogy.

One, a revision, concerns a review essay in English, provisionally entitled ‘Theological medicine for liberal democracy.’ It is due to appear in the Journal of Markets and Morality later this spring.

The other is a piece in Dutch, on ‘Politieke theologie, natuurrecht en staatsrecht.’ As this was still a first draft which I submitted, we will have to wait and see where it goes from here.

I very much enjoyed working on both articles, however, and will continue to study and write on this topic for the next couple of months.

One reason for this is that, in order to fully grasp Smith’s trilogy, one also has to (re-)read Oliver O’ Donovan’s works The Desire of the Nations and The Ways of Judgment, Smith’s earlier book Introducing Radical Orthodoxy. Mapping a Post-secular Theology and, indeed, St. Augustine’s City of God.

See also:

Brief photo impression of the Annual Conference 2019 of the European Academy of Religion in Bologna, Italy

Upcoming Speaking Engagement: Annual Conference of the European Academy of Religion, Bologna, March 4-7, 2019

Panel Chair and Presenter, First Annual Conference, European Academy of Religion, Bologna, 5-8 March, 2018


Lid, promotiecommissie, Alain Vannieuwenburg, ‘Pleidooi voor een lekenrenaissance. Een ideeënhistorische verkenning van de oorzaken en de gevolgen van de constitutionele verankering van de prerogatieven van de levensbeschouwingen in België met bijzondere aandacht voor het onderwijs’, 5 februari 2019

‘In België krijgen officieel erkende godsdiensten financiële steun van de staat. Mede daardoor is in België geen sprake van een ver doorgevoerd secularisme (scheiding van kerk en staat), terwijl dat wel wordt gezien als een leidend idee van moderne staatstheorieën. Promovendus Alain Vannieuwenburg dook in de geschiedenisboeken en verdedigt zijn proefschrift op 5 februari.’

Lees hier meer:

Ph.D. Thesis Committee Member For: Alain Vannieuwenburg, ‘Pleidooi voor een lekenrenaissance.’

‘In Belgium, officially recognised religions receive financial support from the state. Partly as a result, there is no clearly implemented secularism (separation of church and state) though this is considered to be a guiding notion in modern constitutional theories. PhD candidate Alain Vannieuwenburg delved into the history books and defends his dissertation on 5 February.’

Read more here:

Zie voorts:

Lid, promotiecommissie, D. van der Blom, ‘De verhouding van staat en religie in een veranderende Nederlandse samenleving’, 6 juli 2016

Blogpost ‘On the Close Connection between Religious Freedom and Liberal Democracy’

Hoe confessioneel was De Geer eigenlijk?


Nieuwe aflevering Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid (2018/3)

Deze nieuwe aflevering van het Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid bevat, naast een redactioneel van mijn hand naar aanleiding van het boek Ongelofelijk van Yvonne Zonderop, onder meer een actuele beschouwing van Adriaan Overbeeke (VU/Universiteit Antwerpen) over mensenrechtelijke aspecten van het voornemen van de regering om buitenlandse financiering van geloofsgemeenschappen te belemmeren.


Zie voorts:

Redactioneel ‘Religie en de rule of law’

Redactioneel, ‘Hoe kan het democratisch ethos worden bevorderd?’

Member, Editorial Board, Journal for Religion, Law and Policy



Article ‘Institutional Religious Freedom in Review’

Grateful to Dr. Stanley Carlson-Thies, the Founder and Senior Director of the Institutional Religious Freedom Alliance (IRFA), for generously including my recent book on Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom, To Be Fully Human in this review of recent books on institutional religious freedom.

The whole review is worth reading, here follows just the passage on my book:

‘To find or create those better principles and practices, engaged citizens—emphatically including policymakers and government executives—should carefully study Hans-Martien ten Napel’s Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom: To Be Fully Human. Here is a treatment of religious freedom and public policy that breaks free of the American predisposition to regard our society’s architecture as comprised only of individuals, government, and business, neglecting churches, faith-based organizations and the many other components of civil society, and that goes beyond our propensity to deal with diverse convictions mainly by (often very reluctantly) conceding exemptions to laws otherwise considered to justifiably demand uniformity.

Ten Napel, who teaches at Leiden University, is rooted in the Dutch Calvinist tradition–think Abraham Kuyper—and this gives him a deeply and affirmatively pluralist approach to the protection of religion and conscience in public policy. He is, further, a frequent participant in religious freedom conferences and research initiatives in the United States. This means that he writes into our less-thoroughly-pluralist framework, helping to illuminate shortcomings and to be able to suggest a more capacious framework and a broader set of tools and principles. Unusually for a discussion of these weighty topics, Ten Napel references throughout the book how engagement in those various conferences and research initiatives has led him to develop his thinking about government and diversity. Rather than being off-putting, though, this thread helps to make what are complex discussions more accessible to the reader.

Ten Napel’s book is illuminating precisely because he begins by accepting the fact of deep differences of worldview, both in concepts and in practices, and by assuming as the default for public policy the accommodation of diversity, rather than a striving for uniformity. This means giving full value to non-religious, along with religious, reasons not to go along with the public consensus and generally accepted laws. Also, especially, fully to accept that civil society—nonprofits, houses of worship, companies—is a major component of our lives and not to be ignored in considering how to achieve a unity that respects diversity. Remember: while government presses toward uniformity and acts by compulsion, civil society is the place for orderly, structured, institutionalized diversity achieved by voluntary, rather than coerced, action. In civil society, with its diverse options that accommodate varying preferences in employment, the provision of services and choices of products, you will find a school that fits your values even as I find one that matches mine. Diversity is here more readily accommodated than in the I win-you lose pattern that is the default of government action (although pluralist devices can make government rules more protective of diversity).

Achieving Os Guinness’s “civil public square” needs not only a strong commitment to freedom of conscience and religion coupled with an agreement of each to act for the good of all. It also needs specific pluralistic tools and principles and methodologies, going beyond general constitutional maxims and the tool of religious exemptions. Study Hans-Martien ten Napel’s Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom and John Inazu’s Confident Pluralism to understand the vital role of civil society and pluralist government policies and practices in making it possible for us to live together as civic neighbors with, and not only despite, our deep differences.’


Institutional Religious Freedom In Review

See also:

Upcoming Paperback Release


Overwegende… Yvonne Zonderop en de wetenschappelijke kakafonie van opvattingen (III)

Voor de binnenkort verschijnende, derde aflevering van het Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid van 2018 schreef ik een Overwegende onder bovenstaande titel. In drie achtereenvolgende blogposten valt de voorlaatste versie van dit redactioneel hier alvast te lezen. Hieronder deel 3.

Wanneer we kijken naar de staatsrechtsbeoefening in de Verenigde Staten, maar bijvoorbeeld ook in Nederland, dan is de LAPA-methode daar veruit dominant. Veel wetenschappers lijken het hanteren van een vast referentiepunt als achterhaald te beschouwen. Ook het idee dat aan de universiteit gestreefd zou moeten worden naar waarheidsvinding, een notie die centraal stond bij de oprichting van veel van de meest toonaangevende instellingen van hoger onderwijs, ervaren velen inmiddels als problematisch. Natuurlijk wordt er nog wel naar theorievorming gestreefd, maar bij gebrek aan een vast referentiepunt, kan deze theorie alle kanten uitgaan. De kakafonie van opvattingen die hieruit voortvloeit, is eerder kenmerkend voor de hedendaagse universiteit dan de ambitie om de ‘waarheid’ te achterhalen. Ik zou niet durven beweren dat deze kakafonie van meningen niet ook haar charmes heeft, zoals ik ook de LAPA-seminars kon waarderen. Een op voorhand uitsluiten van de door het James Madison Program voorgestane werkwijze leidt echter tot wetenschappelijke eenzijdigheid, die op gespannen voet staat met het karakter van een universiteit.

Het zou de moeite waard zijn om te onderzoeken of en, zo ja, in hoeverre er een relatie bestaat tussen de voorkeur voor wetenschapsbeoefening zonder een vast referentiepunt en de door Zonderop beschreven teloorgang van het christelijk geloof in ons land. Wie immers niet meer wekelijks in de kerk vertrouwd wordt gemaakt met het hanteren van een vast referentiepunt bij reflectie op de vragen van deze tijd, zal allicht ook eerder oriëntatie op een vaststaand wetenschappelijk kader afwijzen. Wat de uitkomst van dergelijk onderzoek ook zou kunnen zijn, voor nu volstaat de constatering dat de gesignaleerde eenzijdigheid in de wijze van wetenschapsbeoefening zich gelijktijdig lijkt voor te doen als de afbrokkeling van de christelijke cultuur waarvoor Ongelofelijk waarschuwt.


Zie voorts:

Overwegende… Yvonne Zonderop en de wetenschappelijke kakafonie van opvattingen (II)

Overwegende… Yvonne Zonderop en de wetenschappelijke kakafonie van opvattingen (I)

Member, Editorial Board, Journal for Religion, Law and Policy

Overwegende… Yvonne Zonderop en de wetenschappelijke kakafonie van opvattingen (II)

Voor de binnenkort verschijnende, derde aflevering van het Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid van 2018 schreef ik een Overwegende onder bovenstaande titel. In drie achtereenvolgende blogposten valt de voorlaatste versie van dit redactioneel hier alvast te lezen. Hieronder deel 2.

De reden dat door het James Madison Program alle onderwerpen worden behandeld vanuit één bepaald perspectief, is dat dit centrum de overtuiging huldigt dat de generatie die verantwoordelijk was voor de Amerikaanse Grondwet een aantal zaken juist heeft gezien. Hoewel de Founding Fathers de grondslag legden voor het zogeheten moderne constitutionalisme, bouwden zij in hun werk nadrukkelijk voort op de wijsheidstraditie van het natuurrecht en de natuurlijke rechten. Deze traditie gaat terug tot Aristoteles en is, in haar christelijke vorm, vooral verbonden met de naam van Thomas van Aquino. Het James Madison Program beschouwt de oorspronkelijke Amerikaanse idealen nog altijd als een geschikt referentiepunt voor de beoordeling van de constitutionele praktijk, waarbij een vertaalslag naar de praktijk van de 21ste eeuw moet worden gemaakt. Deze vertaalslag kan, vanwege het referentiekader, echter aanzienlijk minder verschillende kanten uitgaan dan het geval is bij de LAPA-methode.

De door het James Madison Program gevolgde werkwijze doet denken aan wat er wekelijks wereldwijd in christelijke kerken gebeurt. Daar worden immers vragen besproken waarmee gelovigen in de 21ste eeuw worstelen. Dit gebeurt niet zonder enig vast referentiepunt, maar bij een geopende Bijbel. Toch is het, met uitzondering van enkele meer fundamentalistische stromingen binnen het christendom, niet zo dat voorgangers menen met het voorlezen van enkele Bijbelverzen deze vragen van een antwoord te kunnen voorzien. Daarvoor is het tevens nodig een vertaalslag naar het heden te maken. Het artikel van Van Stiphout over de staatsleer van de Rooms-Katholieke Kerk volgens de katholieke sociale leer vormt hiervan een treffende illustratie. Deze laatste leer is, anders dan wel wordt gedacht, niet statisch van karakter. Integendeel, zij moet voortdurend ‘bij de tijd’ worden gebracht en vertaald naar onder meer het continent waar zij moet worden toegepast. Toch kan de leer ook weer niet alle kanten opgaan. Een aantal algemene, in het artikel besproken uitgangspunten, zoals solidariteit en subsidiariteit, ligt immers vast.

Wordt vervolgd.

Zie ook:

Overwegende… Yvonne Zonderop en de wetenschappelijke kakafonie van opvattingen (I)

Member, Editorial Board, Journal for Religion, Law and Policy

Opiniebijdrage ‘Rechtsstaat onder druk. De commissie-Remkes probeert het populisme in te dammen in plaats van te kanaliseren’

In de boeiende laatste aflevering van CW.  Nieuws- en opinieblad voor gelovig Nederland staat ook een bijdrage van mijn hand n.a.v. de tussenrapportage van de staatscommissie parlementair stelsel. De bijdrage is getiteld: ‘Helpt een referendum tegen populisme?  Democratie en rechtsstaat moeten met elkaar in balans zijn. Maar hoe…’

Uit het artikel:

‘De commissie denkt dat door invoering van constitutionele toetsing de weerbaarheid van de rechtsstaat wordt versterkt. Maar is het ook een antwoord op de populistische uitdaging waarvoor de democratische rechtsstaat op dit moment staat? Dat een deel van de kiezers vervreemd is geraakt van de politiek, komt eerder voort uit te veel juridische inkadering van de politieke besluitvorming, bijvoorbeeld vanuit Brussel, dan een tekort daaraan. Als er dan ook nog eens extra juridisch kan worden getoetst, wordt dat probleem alleen maar groter. De commissie wil immers ook de constitutionele toetsing vooraf, door onder meer de Eerste Kamer, verder versterken.’

Lees het volledige artikel hier:

pu2018CW 08

pu2018CW 09


Zie voorts:

Nieuwe Kroniek van het constitutioneel recht in het Nederlands Juristenblad

Bijdrage aan bundel Brieven aan de Staatscommissie (2009)

Co-auteur, rapport De Nederlandse Grondwet geëvalueerd (2009)

Nieuwe Kroniek van het constitutioneel recht in het Nederlands Juristenblad

Onlangs verscheen in het Nederlands Juristenblad een nieuwe Kroniek van het constitutioneel recht, waaraan ik – samen met de gewaardeerde collegae van de Leidse afdeling Staats- en Bestuursrecht – sinds 2005 heb meegeschreven (met een enkele onderbreking).

De aanhef ervan luidt als volgt:

‘Referendum exit? Constitutionele toetsing in de ijskast? In deze kroniek van het constitutionele recht proberen we de constitutionele “highlights” van het afgelopen jaar zo goed mogelijk in kaart te brengen. Ondanks de geschetste constitutionele ontwikkelingen kunnen we vaststellen dat er in de kern van ons constitutionele bestel juist niet veel is gewijzigd. De echte constitutionele veranderingen vinden doorgaans buiten de klassieke kaders van de formele Grondwetswijziging plaats. Het laatste woord hierover is nog niet gezegd, zeker niet nu de staatscommissie Parlementair Stelsel in haar voorlopig rapport juist pleit voor de invoering van een correctief referendum en een vorm van constitutionele toetsing. Dit neemt echter niet weg dat in de kroniek zo nu en dan sprake is van turbulentie, zoals in de Koninkrijksrelaties en de onder (hoog)spanning staande verhoudingen binnen de Europese Unie als het gaat om de kernwaarden van de rechtsstaat in Hongarije en Polen. En dan hebben we het nog niet over de precieze gevolgen van de Brexit, of het arrest van het Gerechtshof Den Haag in de Urgenda-zaak, dat juist gewezen werd bij de correctie van de drukproeven. Voldoende voer voor deze kroniek.’

Wie toegang heeft, kan de volledige kroniek hier lezen:

Zie ook:

Kroniek van het Nederlands en Europees constitutioneel recht

Masterprofileringsvak Vergelijkend Constitutioneel Recht over ‘Frontier Research’

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (VI) (slot)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (VI) (slot)

  1. Tot besluit

Het is uiteraard niet per definitie zo dat Nederland een dergelijke positie zou kunnen of moeten overnemen. Vanuit constitutioneel-theoretisch perspectief verdient het juist de voorkeur een stap vooruit te maken, althans voor wie openstaat voor zekere parallellen tussen de Verenigde Staten in de tijd dat The Federalist Papers verschenen en het Europa van nu. De politieke omstandigheden van dit moment maken evenwel dat het weinig realistisch is een dergelijke optie te bepleiten.

Mede in het licht van deze situatie, kan het Nederlandse staatsrecht er profijt bij hebben de inhoudelijke meningsverschillen die ten aanzien van het onderwerp overdracht van soevereine bevoegdheden aan de EU ook wetenschappelijk wel degelijk bestaan te expliciteren. Bij divergentie tussen de geschreven constitutie en een gegroeide staatkundige praktijk, is aanpassing van de geschreven constitutie nu eenmaal niet de enig denkbare optie.

In augustus 2017 verscheen in The New York Times een artikel getiteld ‘New on This Fall’s Law School Syllabus: Trump’. De gedachte achter dit artikel was dat (staatsrecht)juristen in onder meer hun onderwijs de handen vol zouden krijgen aan de constitutionele misstappen van de president van de Verenigde Staten.

De verkiezing van Trump tot president in 2016 kan ook nog op een andere manier het onderwijs en onderzoek van staatsrechtjuristen stempelen. Dan gaat het minder om de persoon en diens concrete beleid, dan wel het gebrek daaraan, maar om de onderliggende mengeling van conservatieve en populistische ideeën die tot zijn verkiezing heeft bijgedragen.

Zo werden tijdens de jaarvergadering van de American Political Science Association in augustus 2017 in San Francisco diverse panels gewijd aan vragen als: ‘Does Trumpism exist?’ De antwoorden hierop liepen uiteen, maar zeker is dat er zoiets als constitutioneel conservatisme bestaat. Dit vormt een tegenhanger van de meer gangbare, progressief-liberale wijze waarop aan Amerikaanse law schools, en tot op zekere hoogte ook in Europa, het staatsrecht bedreven pleegt te worden. In het constitutionele conservatisme bestaat meer aandacht voor de klassieke constitutionele theorie, waarin een meer natuurrechtelijke benadering niet op voorhand achterhaald wordt geacht.

In deze bijdrage heb ik voor de variatie eens dit constitutionele conservatisme gebruikt als een handvat om de vraag te beantwoorden of in de 21ste eeuw staatsbestuur zonder overdracht van soevereine bevoegdheden mogelijk is. Speciale aandacht daarbij is uitgegaan naar de gevolgen van een dergelijke overdracht van soevereine bevoegdheden aan de EU voor de constitutionele verhoudingen in het algemeen en de positie van de wetgever in het bijzonder.

Meer aandacht voor deze gevolgen zou niet alleen de vitaliteit van de liberale democratie in Europa ten goede kunnen komen. Het maakt tevens de ontstane kloof tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk, die mede hierop betrekking had, kleiner, ongeacht of de Brexit nu wel of niet als onomkeerbaar wordt beschouwd. Binnen staatsrechtelijk Nederland kan hernieuwde aandacht voor de gevolgen van soevereiniteitsoverdracht aanleiding geven tot een herbezinning op de positie die het Duitse constitutionele hof inneemt jegens het proces van Europese integratie. Het is positief dat de Staatsrechtconferentie 2017 alleen al door het thema ‘Globalisering als uitdaging voor nationale soevereiniteit’ te agenderen hieraan een bijdrage heeft geleverd, ook al zullen de opvattingen te dien aanzien uiteen blijven lopen.

Zie voorts:

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (V)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (IV)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (III)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (V)

In december 2017 presenteerde ik een paper over bovengenoemd onderwerp tijdens de Staatsrechtconferentie aan de Universiteit Maastricht. Dit paper verschijnt binnenkort als hoofdstuk in de bundel ‘Begrenzende soevereiniteit’, onder redactie van Sascha Hardt, Aalt Willem Heringa en Antonia Waltermann.

In een serie van zes wekelijkse blogposts zal hier het paper alvast te lezen zijn. Voor de gefinaliseerde versie, voorzien van notenapparaat, zij verwezen naar de bundel. Het behoeft geen betoog dat het onderwerp hernieuwde actualiteitswaarde heeft, onder meer met het oog op de a.s. verkiezingen voor het Europees Parlement.

  1. Hoe nu verder? (vervolg)

Voor wie bovenstaande nog altijd te abstract blijft, is er inmiddels door het Tweede-Kamerlid Bisschop (SGP) een initiatiefnota gepresenteerd, waarin maar liefst 20 min of meer concrete stappen worden geformuleerd om in de richting van een statenbond te gaan. De nota, getiteld ‘De lidstaten weer aan het roer!’, is bedoeld als alternatief voor de toekomstscenario’s die de Europese Commissie in 2017 heeft geformuleerd. Kenmerkend voor deze scenario’s is dat de politieke en economische integratie alleen nog maar zal worden geïntensiveerd. Hiertegenover doen onder meer in populistische partijen scenario’s de ronde waarin Nederland de EU verlaat of de EU als geheel desintegreert. Bisschop beoogt in zijn nota een tussenweg te schetsen tussen deze beide uitersten.

Alvorens deze tussenweg in meer detail weer te geven, verdienen de ‘constructiefouten’ aandacht, die de initiatiefnota waarneemt als het gaat om de EU. Als gevolg van deze fouten, kan het proces van sluipende Europeanisering en daarmee uitholling van de soevereiniteit van de nationale lidstaten doorgang blijven vinden. Het betreft achtereenvolgens: ‘Onduidelijke grenzen aan de bevoegdheden van de Europese Unie (…) Té politieke rol van de Europese Commissie (…) Europees Hof als politieke macht (…) Geringe formele invloed nationale parlementen op Europese besluitvorming’. Het gaat mij er hier nu niet om deze punten stuk voor stuk te bespreken. Op onderdelen worden zij weersproken door en in de staatsrechtelijke literatuur. Wel kan worden geconstateerd dat het hier stuk voor stuk om kernpunten gaat, waarover het staatsrechtelijke debat meer dan nu zou behoren te gaan.

De ‘concrete aanbevelingen en beslispunten’ die Bisschop vervolgens formuleert, zijn het waard hier volledig weer te geven. Te vaak gaapt er een kloof tussen inzichten ontleend aan de constitutionele theorie en de dagelijkse parlementaire en politieke praktijk. Het lijstje uit de initiatiefnota laat, hoe men ook aankijkt tegen de diverse punten, tenminste zien dat operationalisering niettemin een haalbare kaart is:

‘Hervorming van de Europese Unie

  1. Gebaseerd op de principes subsidiariteit, proportionaliteit, optimale verscheidenheid en gedifferentieerde samenwerking, maakt het kabinet in samenwerking met gelijkgezinde lidstaten een gedegen alternatief voor het voorkeursscenario van de Europese Commissie, zoals uiteengezet in het Witboek en de discussienota’s.
  2. Het kabinet streeft naar het schrappen van de zinsnede “een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa” uit de preambule en artikel 1 van het VEU. Als hiervoor onvoldoende steun blijkt te zijn onder de andere lidstaten, streeft het kabinet naar een overeenkomst met de EU waarin Nederland wordt uitgesloten van de zinsnede “een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa”, dan wel naar een andere interpretatie van deze zinsnede die benadrukt dat er binnen de EU ruimte is voor gedifferentieerde vormen van samenwerking, vastgelegd in een protocol dat toegevoegd wordt aan de Verdragen.
  3. Om de sluipende bevoegdheidsoverdracht van de lidstaten naar de EU een halt toe te roepen, verdient de bevoegdheidsverdeling tussen de EU en de lidstaten in artikelen 2–6 VWEU te worden aangescherpt. In plaats dat artikel 6 VWEU de aanvullende bevoegdheden van de EU beschrijft, somt het nieuwe artikel de exclusieve bevoegdheden van de lidstaten op.
  4. Bij iedere nieuwe wijziging van VEU en/of VWEU wordt een document opgesteld, vergelijkbaar met de Nederlandse “memorie van toelichting” en de Franse “Exposé des motifs”, waaruit kan worden opgemaakt wat de reikwijdte van het handelen van de EU mag zijn. Deze “memorie van toelichting” vormt het kader waarbinnen de Europese Commissie en het Europees Hof van Justitie nieuwe Europese wet- en regelgeving gaat opstellen en interpreteren.
  5. Nederland gaat zich sterk maken voor een meer ambtelijke en minder politieke rol voor de Europese Commissie.
  6. De Europese Commissie verliest het recht om op eigen initiatief de lidstaten te ondersteunen, te coördineren of aan te vullen op beleidsterreinen waarvoor de lidstaten primair verantwoordelijk zijn (op basis van artikel 6 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie, VWEU). Dit kan in de toekomst enkel nog na een expliciet verzoek daartoe van de Raad waarover het met gekwalificeerde meerderheid besluit.
  7. Nederland neemt het initiatief om de omvang van het Meerjarig Financieel Kader na 2020 naar beneden bij te stellen en blokkeert voorstellen waardoor de EU-begroting groeit.
  8. Het kabinet onderzoekt de mogelijkheden om in Europees verband vaker gebruik te maken van “horizonbepalingen”. Europese regelgeving zou periodiek moeten worden geëvalueerd, eventueel worden beëindigd of aangepast en opnieuw bekrachtigd. Ten minste het VEU en het VWEU zouden een begrensde geldigheidstermijn moeten krijgen.
  9. Het kabinet bepleit dat de EU door middel van het “one in, two out”-systeem gaat kappen in de Europese regelgeving. Bij de invoering van elke nieuwe bepaling worden er twee bestaande geschrapt.
  10. Een permanente werkgroep, bestaande uit vertegenwoordigers van de Raad en de nationale parlementen, gaat onderzoeken of in het licht van subsidiariteit, proportionaliteit en optimale verscheidenheid, Europese wetten, regels of programma’s moeten worden geschrapt of dat de verantwoordelijkheid hiervoor weer terug kan worden gegeven aan de lidstaten.
  11. Door de toevoeging van een speciale procedure aan het VEU wordt het veel gemakkelijker voor een lidstaat om gebruik te maken van een zogenaamde opt-out.
  12. Er worden geen verdere stappen gezet in het wijzigen van unanimiteitsbesluitvorming naar (gekwalificeerde) meerderheidsbesluitvorming.
  13. In nieuwe Europese regelgeving komt veel meer nadruk te liggen op de diversiteit van de lidstaten en de ruimte voor de lidstaten om wetten en regelgeving verschillend uit te voeren, naar gelang de bestuurlijk-juridische of cultuur-historische kenmerken van een lidstaat dit vergen.
  14. Het kabinet treedt in overleg met andere EU-lidstaten om de drempel voor de gele- en oranje-kaart-procedures te verlagen en daarnaast een rode-kaart-procedure in te voeren.
  15. Goedkeuring en wijziging van EU-verdragen moet plaatsvinden met een twee-derde meerderheid van stemmen in beide Kamers der Staten-Generaal.
  16. Het kabinet houdt voorstellen tegen waarin het Europees parlement een meer “transnationaal” karakter krijgt, zoals de invoering van Europese kieslijsten bij Parlementsverkiezingen.Hervorming van de Economische en Monetaire Unie
  17. Het kabinet stelt een wijziging van het VEU voor waardoor het lidmaatschap van de EU wordt losgemaakt van deelname aan de EMU en de onomkeerbaarheid van de euro wordt geschrapt.
  18. Het kabinet werkt samen met gelijkgezinde lidstaten om het oprichten van nog meer impliciete of expliciete transferstructuren te voorkomen. 

  19. Het kabinet treedt in overleg met de andere eurolanden over het gewenste kader voor het beleid en mandaat van de Europese Centrale Bank (aanbeveling initiatiefnota-Omtzigt).
  20. De Nederlandse regering stelt in de Europese Raad / Eurogroep voor om een adequate exit-strategie op te stellen voor het verlaten van de EMU, zodat het voor eurolanden die zonder transfers geen toekomst hebben zowel juridisch (zie aanbeveling 17) als praktisch mogelijk wordt de eurozone te verlaten.’

Zie ook:

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (IV)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (III)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (II)