Monthly Archives: September 2018

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (II)

In december 2017 presenteerde ik een paper over bovengenoemd onderwerp tijdens de Staatsrechtconferentie aan de Universiteit Maastricht. Dit paper verschijnt binnenkort als hoofdstuk in de bundel ‘Begrenzende soevereiniteit’, onder redactie van Sascha Hardt, Aalt Willem Heringa en Antonia Waltermann.

In een nieuwe serie van vijf à zes wekelijkse blogposts zal hier het paper alvast te lezen zijn. Voor de gefinaliseerde versie, voorzien van notenapparaat, zij verwezen naar de bundel. Het behoeft geen betoog dat het onderwerp hernieuwde actualiteitswaarde heeft, onder meer met het oog op de a.s. verkiezingen voor het Europees Parlement.

  1. De norm

Er valt, zoals wij hierna nog zullen zien, een neiging in het Nederlandse staatsrecht te bespeuren om – enigszins positivistisch – de gevolgen van het Europese integratieproces te accepteren voor wat die zijn. Hiertegenover wordt in deze bijdrage juist, bij wijze van gedachtenexperiment, een meer natuurrechtelijke benadering beproefd. Het natuurrecht heeft, mede als gevolg van het sinds de 20steeeuw overheersende positivisme, geen goede naam. Daarom is het extra van belang te omschrijven wat ik er in het bestek van deze serie blogposts onder versta. Dan moet allereerst worden vastgesteld dat de verscheidenheid binnen het natuurrechtelijke denken aanzienlijk is. Het verbindende idee tussen de diverse benaderingen is evenwel, zoals een Amerikaanse website het verwoordt, ‘an agreement as to the natural (as distinguished from conventional or man-made) character of principles of right and wrong, and of justice and injustice. Philosophers and statesmen who think and act within this shared understanding agree that the standards that ought to guide the ordering of political and social life are accessible to human reason.’

Wanneer we deze omschrijving hanteren, dan vallen binnen deze traditie zowel klassieke en middeleeuwse denkers als Aristoteles, Plato, Cicero en Thomas van Aquino, als denkers die aan de basis hebben gestaan van het moderne constitutionalisme, zoals Thomas Hobbes, John Lockeen Montesquieu. Het is tevens zo dat een klassieker van het staatsrecht als The Federalist Papers, hoewel het eerste voluit moderne constitutionele tractaat, niettemin nog voluit in deze traditie staat.

Voor werken in de natuurrechtelijke traditie, in de hierboven bedoelde ruime zin van het woord, hoeft evenwel niet altijd relatief ver te worden teruggegaan in de tijd. Zo zijn er ook hedendaagse auteurs die bewust klassieke leerstukken van het staatsrecht, zoals dat van de trias politica, trachten te actualiseren voor de huidige tijd. Een voorbeeld daarvan is Christoph Möllers. In zijn standaardwerk The Three Branches (2013) merkt Möllers op, dat ‘[c]ombining the normative idea of liberty with the institutional preconditions of liberty – a project that the American constitutional fathers set out in the Federalist Papers – seems today to be an exceptional quest. Pursuing it, however, is as worthwhile today as it was back then’. Hoewel het dus tegenwoordig niet bepaald in de mode is om constitutioneel recht en constitutionele theorie met elkaar te verbinden, beproeft hij dit niettemin. De reden hiervoor is gelegen in het feit dat, volgens Möllers, ‘comparative constitutional law needs a theoretical and normative framework beyond both empirical quantitative research and individual comparative case analysis: it needs a move to conceptualism’.

Zie voorts:

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (I)

Call for Papers, Panel on Public Theology and its potential for Law and Religion scholarship

Co-editor and co-author, volume The Powers That Be. Rethinking the Separation of Powers. A Leiden Response to Möllers (2015)

 

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (I)

In december 2017 presenteerde ik een paper over bovengenoemd onderwerp tijdens de Staatsrechtconferentie aan de Universiteit Maastricht. Dit paper verschijnt binnenkort als hoofdstuk in de bundel ‘Begrenzende soevereiniteit’, onder redactie van Sascha Hardt, Aalt Willem Heringa en Antonia Waltermann.

In een nieuwe serie van vijf à zes wekelijkse blogposts zal hier het paper alvast te lezen zijn. Voor de gefinaliseerde versie, voorzien van notenapparaat, zij verwezen naar de bundel. Het behoeft geen betoog dat het onderwerp hernieuwde actualiteitswaarde heeft, onder meer met het oog op de a.s. verkiezingen voor het Europees Parlement.

  1. Inleiding

Op 9 februari 2018 meldde SC Online, dat de Europese begrotingsdans weer was begonnen. Een dag eerder had dezelfde publicatie onder de titel ‘Parlement vroegtijdig betrekken bij begrotingsplannen’ aandacht geschonken aan het proefschrift van Michal Diamant over de invloed van het Europees economisch bestuur op het budgetrecht van het Nederlandse parlement. Hoewel het budgetrecht formeel intact is gebleven, dreigt het materieel als gevolg van dit Europees economisch bestuur geleidelijk verder uitgehold te raken. Dezelfde Diamant waarschuwde op 13 februari 2018 tijdens een deskundigenbijeenkomst de Eerste Kamer voor het gebrek aan democratische legitimiteit van de nieuwe voorstellen van de Europese Commissie om de Economische en Monetaire Unie verder te verdiepen.

De trend dat een nationaal parlement als het Nederlandse de begroting inhoudelijk steeds minder kan beïnvloeden, roept de vraag op hoe dit vanuit staatkundig perspectief moet worden beoordeeld. Het politieke staatsrecht kan, wil het betekenis houden, immers niet volstaan met het beschrijven van de ontwikkelingen die zich voordoen. Er dient ook een evaluatie te volgen. Dit geldt zeker ook voor een zo ingrijpend fenomeen als de Europese integratie en de hieruit voortvloeiende Europese rol van regering en Staten-Generaal. Het budgetrecht betreft een kernrecht van het parlement. Historisch heeft het ten grondslag gelegen aan de opkomst ervan: ‘no taxation without representation’. De vraag rijst of het vroegtijdig betrekken van het parlement bij de begrotingsvoornemens, zoals geopperd door Diamant en anderen, voldoende helpt. Afgezien hiervan, wordt het probleem nog vergroot door het feit dat niet alleen het budgetrecht in het geding is. Ook meer in het algemeen dreigt de Europese integratie de rol van nationale parlementen verder uit te hollen dan op grond van andere ontwikkelingen internationaal reeds het geval was. Dit heeft te maken met het feit dat het een vorm van transnationale samenwerking betreft, die vergaande gevolgen heeft voor de soevereiniteit van de lidstaten.

In hetgeen volgt, ga ik allereerst in op de vraag wat als norm kan gelden bij de evaluatie van ontwikkelingen in het politieke staatsrecht als de hierboven geschetste. Vervolgens wordt geconstateerd dat er een kloof is ontstaan tussen norm en werkelijkheid als het gaat om het Europese integratieproces in zijn huidige vorm. Op deze probleemanalyse volgt een paragraaf waarin een suggestie wordt gedaan over hoe nu verder. De bijdrage sluit af met een conclusie.

Wordt vervolgd.

Zie ook:

Paper-presentatie tijdens Staatsrechtconferentie over ‘Globalisering als uitdaging voor nationale soevereiniteit’ in Maastricht

Contribution to volume on ‘Rethinking Europe’s Constitution’ (2007)

Co-redacteur en co-auteur, bundel De betekenis van de Europese Grondwet voor de Nederlandse staatsinstellingen (2005)

 

 

Article on ‘The Significance of Communal Religious Freedom for Liberal Democracy’ in the International Journal of Religion & Spirituality in Society

The abstract of the article reads as follows:

‘Leading US scholar of constitutional interpretation Michael Paulsen has developed an interesting theory of religious freedom called “The Priority of God.” Paulsen distinguishes, first of all, a liberal conception of religious freedom, according to which it is widely assumed that religious truth exists in a society and the state is tolerant towards various faiths and other traditions. The US, however, has developed in the direction of a modern conception of religious freedom, which no longer recognizes religious truth although the state remains tolerant. Moreover, still according to Paulsen, several European countries have adopted a postmodern conception of religious freedom. This conception does not only no longer recognize religious truth, but also implies a considerably less tolerant state, as secularism becomes the established “religion.” This view paradoxically resembles the preliberal stance of religious intolerance out of the conviction that religious truth exists. In response to such developments, the current article makes a case for the classical liberal position with respect to religious freedom. A liberal religious freedom conception forms the best guarantee that societal institutions will be able to fulfill their constitutional functions of a check on the government and as “seedbeds of virtue.”’

See https://cgscholar.com/bookstore/works/the-significance-of-communal-religious-freedom-for-liberal-democracy?category_id=common-ground-publishing.

See also:

Upcoming Speaking Engagement: Conference on ‘Public Spirit and Public Virtue’, December 6, 2017, Washington, DC

Upcoming Speaking Engagement: 2017 ICON∙S Conference on ‘Courts, Power, and Public Law’, Copenhagen, July 5-7

Paper presentation during XXI World Congress of the International Association for the History of Religions