Daily Archives: May 2, 2018

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (III): De achterlopende Grondwet

Dit is het derde deel van een nieuwe serie blogposts gebaseerd op een bijdrage die ik een jaar geleden, op 20 april 2017, leverde aan een symposium over The Federalist Papers. Het symposium, dat plaatsvond in Brussel, was georganiseerd door De Debatten. ‘De Debatten is een initiatief van de Vrije Universiteit Brussel met de Universiteit Leiden en als Nederlandstalig forum een vaste waarde onder rechtsfilosofen en rechtshistorici uit de Lage Landen en een groeiende waarde binnen de wereld van de politieke filosofie.’ De bijdrage verschijnt later deze maand, in definiteve vorm en voorzien van notenapparaat, ook in druk.

Welbeschouwd heeft Levinson slechts een centraal punt waarop hij de aandacht wil vestigen naar aanleiding van de Federalist Papers. Direct bij de bespreking van Federalist nr. 1 merkt hij op dat Publius er, als kind van de Verlichting, van uitging dat de opstellers van de Grondwet in staat zouden zijn om te reflecteren op de vraag hoe deze eruit diende te zien. Of, in de beroemde woorden van Publius zelf: ‘it seems to have been reserved to the people of this country, by their conduct and example, to decide the important question, whether societies of men are really capable or not, of establishing good government from reflection and choice, or whether they are forever destined to depend, for their political constitutions, on accident and force.’

Als dat ruim twee eeuwen geleden zo was, dan valt volgens Levinson niet in te zien waarom dat thans anders zou moeten zijn: ‘The central question is whether we still believe, well into the third century after October 27, 1787, when Publius’s initial essay was published, that it makes sense to subject American constitutionalism to the standards of “reflection and choice.”’ Vandaar ook de titel van Levinson’s boek, die is ontleend aan hetgeen Publius tegen het eind van zijn eerste essay opmerkt. Publius belooft daar dat ‘[m]y arguments will be open to all, and may be judged of by all’. Levinson bestempelt deze belofte ook twee eeuwen later nog als ‘deeply inspirational’. Publius gaf direct aan het begin van de Federalist Papers blijk van zijn vertrouwen in het vermogen van de Amerikaanse bevolking om over het staatsbestuur te beraadslagen en daarover vervolgens belangwekkende beslissingen te nemen. De vraag die thans voorligt, luidt: ‘Do we believe that is possible today, or is it a quixotic, even potentially dangerous fantasy?’

Levinson betoont zich hiermee voorstander van wat ‘popular constitutionalism’ wordt genoemd, wel te onderscheiden van het op dit moment tevens gebruikte ‘populist constitutionalism’. Bij deze laatste term is het de vraag of er geen sprake is van een contradictio in terminis, in de zin dat er een spanning bestaat tussen liberaal constitutionalisme en populisme, voorzover de laatste stroming zich met een beroep op het ‘echte’ volk keert tegen pluralisme. Bij ‘popular constitutionalism’ is dit niet, of althans minder, het geval. ‘Popular constitutionalism’ is voor Levinson een term die ervan uitgaat dat de bevolking als geheel in staat is om nog altijd deel te nemen aan een serieuze gedachtenwisseling over constitutionele aangelegenheden, zoals Federalist nr. 1 die reeds voor zich zag, in elk geval voorzover het de lezers van de Federalist Papers zelf betrof. Deze laatste clausulering is onthullend, aangezien het direct ook weer een aanzienlijke inperking van het ‘popular constitutionalism’ impliceert, althans denkbaar acht.

Daar staat tegenover dat Levinson ten aanzien van de methoden van ‘popular constitutionalism’ juist weer betrekkelijk ruimhartig schijnt. Zo verwijst hij naar het feit dat aanhangers van de Tea Party-beweging door hun tegenstanders zijn bekritiseerd vanwege het soms tumultueueze karakter van hun protesten. Echter, dit verwijt is in het verleden ook wel gericht aan het adres van linkse demonstranten tijdens de jaren zestig van de twintigste eeuw en, recenter, de Occupy-beweging in de jaren 2011-2012. Voor Levinson is het echter in al deze gevallen de vraag: ‘Should we, however, perhaps describe these protests as “Publian moments”?’ Hier zien we Levinson dus, consistent als hij kan zijn, als verdediger optreden van de Tea Party, terwijl zelfs conservatieve staatsrechtsgeleerden soms reserves koesteren ten aanzien van de doelen en methoden van deze beweging. Deze reserves gelden in hun geval vanzelfsprekend nog sterker met betrekking tot de door de Occupy-beweging gevolgde aanpak. Levinson komt hier evenwel op door een passage uit Federalist nr. 33, waarin Publius stelt dat de federale regering ‘must judge in the first instance of the proper exercise of its powers; and its constituents in the last’. Wanneer blijkt dat de regering haar bevoegdheden heeft overschreden, en het gevaar van tyrannie dreigt, ligt het op de weg van de bevolking om passende maatregelen te treffen teneinde de schending van de Grondwet te doen stoppen.

Een en ander betekent voor Levinson dat ook vandaag de Amerikaanse Grondwet nog onderworpen dient te zijn aan ‘full and fearless critique’. Bijgevolg is het voor Levinson niet alleen denkbaar, maar in het licht van bepaalde veranderingen die zich de afgelopen 250 jaar hebben voltrokken ook wenselijk, dat de Amerikaanse Grondwet wordt gewijzigd. Zoals dikwijls wordt aangenomen, is het echter op grond van artikel V in de praktijk heel lastig is om de Grondwet te amenderen. Daarom moet er volgens Levinson desnoods buiten de grondwettelijke procedure om een Constitutionele Conventie bijeen worden geroepen. Deze zou als opdracht moeten krijgen de voorbereiding van ‘a comprehensive overview of the U.S. Constitution and the utility of many of its provisions to twenty-first century Americans’.

De aanleiding voor Levinson om zo te hechten aan constitutionele verandering is dat hij, evenals menige andere auteur, signaleert dat de Amerikaanse democratie in hoge mate ‘dysfunctioneel’ is geworden. In tegenstelling tot de meeste andere auteurs, zoekt hij de oorzaak daarvan evenwel in de Grondwet zelf. Deze mag dan nog zo bewonderd worden, zij blijft volgens Levinson tegelijkertijd ‘an “imbecility” in important aspects and in need of a full-scale checkup and diagnosis, with the possibility that fairly radical surgery may be required?’ Binnen de Grondwet gaat zijn aandacht daarbij vooral uit naar de ‘structurele’ bepalingen, die de Amerikaanse staatsinrichting betreffen. Dit is ongetwijfeld een verademing in een tijd waarin de ‘Bill of Rights’ zowel maatschappelijk als wetenschappelijk de meeste aandacht trekt. De Amerikaanse staatsinrichting zit bewust zo in elkaar dat niet alleen de Grondwet moeilijk kan worden gewijzigd, maar ook de meerderheid van het moment slechts met moeite het programma waarop zij is verkozen, zal kunnen omzetten in beleid. Dit is echter juist waar Levinson bezwaar tegen heeft.

Vanzelfsprekend laat Levinson zich in zijn streven naar verandering van de Amerikaanse Grondwet kennen als een rechtgeaarde progressieve liberaal. Opvallend daarbij is dat hij zich mede beroept op Publius zelf. Behalve Federalist nr. 1, haalt hij in dat verband ook Federalistnr. 9 aan, waarin wordt verwezen naar de nieuwe en verbeterde ‘science of politics’ waarvan gebruik mag en zelfs moet worden gemaakt. De politieke wetenschap heeft volgens deze aflevering duidelijk vooruitgang geboekt ten opzichte van de klassieke oudheid. Beginselen als de machtenscheiding waren op het moment van verschijning van de Federalist Papers bijvoorbeeld ‘wholly new discoveries, or have made their principal progress towards perfection in modern times’. Ook corrigeert Publius een denker als Montesquieu wanneer deze stelt dat, als het gaat om het bereiken en handhaven van een republikeinse regeringsvorm, de omvang van een land niet te groot moet zijn. Kortom, Publius ‘is rejecting what philosophers sometimes call the “argument from authority” in favor of what we can ascertain from our own experiences’.

Tenslotte wijst Publius in Federalist nr. 37 op de grenzen van het menselijk begrip, zeker waar het ‘the institutions of man’ betreft. Het is, zo schrijft hij, in de praktijk bijzonder lastig gebleken om de drie klassieke staatsmachten en hun bevoegdheden precies van elkaar te onderscheiden. Vrijwel dagelijks rijzen hieromtrent vragen die onmiskenbaar de ‘obscurity’ laten zien die deze onderwerpen beheerst voor zelfs de briljantste politieke wetenschappers.’ En wat Levinson ‘the most stunning sentence’ van deze aflevering noemt, een zin die betrekking heeft op de onvermijdelijke ‘inaccuracy of the terms’ die bijvoorbeeld de makers van de Constitutie hebben gehanteerd: ‘When the Almighty himself condescends to address mankind in their own language, his meaning, luminous as it must be, is rendered dim and doubtful, by the cloudy medium through which it is communicated.’ Aldus werpt Federalist nr. 37 in essentie dezelfde (meta-)vraag op als Federalist nr. 14: moeten we de Federalist Papers nu gebruiken om definitieve antwoorden te vinden op de constitutionele vragen van de dag of is de boodschap van Publius wellicht een andere, te weten ‘“Think for yourselves, drawing on your own lessons of experience. We did the best we could do, as inevitably fallible human beings. Now it’s up to you.”’

Publius hanteert al dergelijke argumenten om tot een betrekkelijk radicale breuk te komen met de theorie en praktijk van de confederatie. Inmiddels hebben wij echter bijna 250 jaar meer ervaring met politieke stelsels, waaronder het Amerikaanse. Zou het niet voor de hand liggen deze ervaring te benutten om het bestel bij te stellen indien het niet langer functioneert op de manier waarop dat zou moeten, zo vraagt Levinson zich af?

Zie voorts:

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (II): Een opzienbarend boek

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (I): Inleiding

Press Release: ‘Twelve ILS seed money grants for frontier research at Leiden Law School’