Opinieartikel ‘Burgerinitiatief nuttige aanvulling op representatieve democratie’

 

‘Oud-premier Van Agt overhandigde dinsdag 65.000 handtekeningen aan de Tweede Kamer. Een aantal organisaties heeft dit zogeheten burgerinitiatief opgezet om een Kamerdebat te krijgen over de muur die Israël bouwt om Palestijnse terroristen tegen te houden.

Het burgerinitiatief is in Nederland een relatief onbekend fenomeen. Sommige media wisten dan ook niet direct hoe ze dit moesten duiden en gebruikten bijvoorbeeld de term ”petitie”. Het burgerinitiatief verschilt echter in een aantal opzichten wezenlijk van een petitie of verzoekschrift.’

Aldus de opening van een opinieartikel dat ik, samen met Maarten van Nijendaal, schreef op uitnodiging van de redactie van het Reformatorisch Dagblad. Maarten van Nijendaal vervult  een student-assistentschap onderzoek in het kader van het Leidse Honours College Law.

De conclusie van het artikel luidt als volgt: ‘Hoewel het burgerinitiatief de vertegenwoordigende democratie niet kan vervangen, vormt het er met de nodige aanpassingen potentieel een nuttige aanvulling op.’

Lees het volledige artikel op http://www.refdag.nl/opinie/burgerinitiatief_nuttige_aanvulling_op_representatieve_democratie_1_710048.

Zie voorts http://hmtennapel.weblog.leidenuniv.nl/2012/07/03/deelname-aan-expertmeeting-over-evaluati. en http://hmtennapel.weblog.leidenuniv.nl/2012/07/17/can-the-citizens-initative-revitalize-re/.

.

Blogpost on ‘Freedom of associations’

A blogpost by Professor C. Scott Pryor of Regent University School of Law on the above topic generously makes mention of my recent, co-authored article on ‘The State, Civil Society and Religious Freedom’.

From the blogpost:

‘Rights of associations–churches, families, organizations, etc.– are an increasingly important concept as the depth of legal penetration by modern States grows ever greater. The “contraceptive mandate” of the recent health care law is an example of this problem in America: Will associations, outside a narrow understanding of “religious” ones, be required to provide health insurance coverage inconsistent with their formative understandings?’

Read the full blogpost, with several links to Pryor’s own work in the field, at http://pryorthoughts.blogspot.nl/2013/01/freedom-of-associations.html.

Themanummer CDV over democratie

Onlangs is het winternummer verschenen van het kwartaaltijdschrift Christen Democratische Verkenningen. Dit nummer, dat onder redactie stond van Maurice Adams (hoogleraar Encyclopedie van het recht en tevens hoogleraar Democratische rechtsstaat namens het vfonds aan de Tilburg Law School), Maarten Neuteboom (redacteur van CDV) en ondergetekende, is gewijd aan de democratie. Tevens schreef ik, samen met Rien Fraanje (senioradviseur van de Raad voor het openbaar bestuur), voor dit nummer een bijdrage over de staat van de democratie (zie https://openaccess.leidenuniv.nl/handle/1887/20459 en http://www.rob-rfv.nl/rob/actueel/nieuwsbericht/121/Artikel+over+vertrouwen+en+democratie).

De uitgave bevat verder onder meer artikelen van Marin Terpstra (universitair docent sociale en politieke wijsbegeerte aan de Faculteit der Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen van de Radboud Universiteit Nijmegen) over de religieuze dimensie van democratie, Kars Veling (directeur van ProDemos, Huis voor democratie en rechtsstaat) over het belang van de vorming van democratisch burgerschap en Margriet Krijtenburg (onlangs in Leiden gepromoveerd op Schuman’s Europe. His frame of reference) over Europa in crisis.

In zijn woord vooraf formuleert hoofdredacteur Pieter Jan Dijkman enkele van de vragen die in het nummer centraal staan als volgt: ‘Democratie is samenleven met verschil. Maar wat als de democratie vooral nog een techniek is die één waarde aanprijst, namelijk zichzelf? Wat als de onderliggende waarden als vrijheid, gelijkheid en menselijke waardigheid naar de achtergrond verdwijnen? Wat als religieuze en culturele minderheden gedwongen worden zich te voegen naar een meerderheidsmoraal? Wat als de complexiteit van de politieke beslissing wordt gereduceerd tot een simpele tegenstelling tussen twee radicale uitersten? Wat als het compromis, zo noodzakelijk voor een overlegdemocratie, een besmette term wordt?’

De volledige inhoudsopgave van de aflevering is raadpleegbaar via http://cdv.boomtijdschriften.nl/laatstenummer.html. Losse nummers vallen te bestellenvia boomtijdschriften@uitgeverijboom.nl.

Lemma on the Pacification (1917)

 

Here you can read a second lemma that I wrote for the Canon of Dutch Christian Democracy (see blogpost of December 23, 2012):

‘Our nation’s history tells us, that discord exists where heterogeneous elements are squeezed into one and the same straitjacket; but when everyone, within the limits of order, of course, is given freedom and allowed to do as they please, then we can all live together in tolerance’, according to Minister Baron Æ. Mackay in 1889 in the Upper House.

When the Mackay Act was passed in 1889, an important problem was removed from the school funding issue. The Act accepted the principle that private education could be subsidized by the government. It would still take until 1917, however, during the so-called Pacification, before there would be total equality between public and private education.

The direct background to the Pacification goes back to 1913, when during the election of that year 55 non-confessional (left-wing) members were elected and the right wing came no further than 45 seats. A cabinet under the leadership of the Liberal Prime Minister, P.W.A. Cort van der Linden came into office. To achieve a permanent solution to the issue of school funding, an education committee was established on which all groups represented in parliament had a seat, with De Savornin Lohman as vice-chairman. The committee succeeded in 1916 in almost unanimously arriving at the recommendation in its report that private schools should henceforth be put on the same footing as public schools. Honouring this traditional right-wing wish cleared the way to introduce the left-wing desire for universal suffrage for men and passive suffrage for women. In addition, the constitutional obstruction to women’s suffrage would be removed.

The combined proposals were considered to be so important that the parties agreed among themselves that at the next election the composition of the Lower House would, as far as possible, remain unchanged. And this made it possible, after certain sections had been amended during the first reading, for the bill to be passed with no problems in the autumn of 1917 at the second reading.

Partly influenced by the principle of pluralism that had been established for education by the constitutional revision of 1917, in the following years the Netherlands went on to acquire the characteristics of what could be called a pluriform democracy in other areas. The state developed respect for the various religious and secular ideologies in society and their affiliated organisations in a steadily increasing number of areas, such as broadcasting, while at the same time maintaining a distance.

In this way, either consciously or unconsciously, the lesson had been learned from the nation’s history that Mackay had pointed out in 1889. Until then, the problem had been that the state did not offer the four minorities that had come to the fore in the course of the nineteenth century – Protestants, Catholics, Liberals and Socialists – an equal right to shape their identity, also in the public domain. After the Pacification in 1917, Protestants and Catholics, and others, were given ample opportunity to do so, thereby marking a pivotal moment in the political history of the Netherlands. Meanwhile, the constitutional revision in 1917 had also changed the electoral system making it easier for smaller factions to successfully take part in elections. The ‘first past the post’ system with districts was replaced by a system of proportional representation in which the entire country was a constituency. One of the consequences of this was the founding of the Staatkundig-Gereformeerde Partij (Political Reformed Party) (SGP). After the general election of 1918, partly due to the stronger representation of Catholics, the coalition controlled exactly half the seats in the Lower House.