Oprecht geloven in vrijheid (V): casus SGP en weigerambtenaren

De volgende casus in deze miniserie betreft de SGP en weigerambtenaren.

Tot de legitieme doelen op grond waarvan de vrijheid van godsdienst beperkt mag worden, behoren zoals gezien de rechten en vrijheden van anderen. In de praktijk gaat het dan vaak om het recht op gelijke behandeling van vrouwen, niet-heteroseksuelen en anders- of niet-gelovigen. Alhoewel ook in die discussie moslims en ‘niet-westerse’ christenen regelmatig doelwit van kritiek zijn, hebben in de laatste jaren twee belangrijke items ten aanzien van de home-grown protestantse gemeenschap gespeeld.

De SGP is met haar duurzame twee zetels in de Tweede Kamer een vast onderdeel van het politieke establishment in Den Haag en nu zelfs officieuze gedoogpartner van Rutte I. Haar standpunt inzake het passief kiesrecht voor vrouwen in relatie tot de verplichting van de Nederlandse overheid conform het VN-vrouwenrechtenverdrag leidde tot uiteenlopende rechtszaken, waarvan een tot aan de Hoge Raad.

Van belang is dat de SGP-zaak niet door de regering was aangespannen, maar door een particuliere stichting, die juist trachtte te bereiken dat de overheid haar subsidie aan de SGP zou stopzetten als maatregel om naleving van het vrouwenverdrag af te dwingen. Mede daarom was voor de Hoge Raad de belangrijkste rechtsvraag of de rechter de overheid kon bevelen de subsidie stop te zetten.

Vanuit het oogpunt van botsende grondrechten, is echter de vraag interessanter of een democratische rechtsstaat kan of zelfs zou moeten accepteren dat er politieke partijen zijn die de gelijke werking van alle grondrechten voor alle burgers (in casu het passieve kiesrecht voor vrouwen) uit een diepgewortelde geloofsovertuiging (sincere belief) niet toepassen. Helaas bevat het arrest geen uitgebreide en doorwrochte analyse. De Hoge Raad stelt eenvoudig dat een politieke partij het passieve kiesrecht van vrouwen moet respecteren, zonder daarbij nauwkeurig uiteen te zetten waarom in casu een inbreuk op de vrijheid van godsdienst ‘noodzakelijk’, ‘proportioneel’ en ‘subsidair’ is. De Hoge Raad kiest in plaats daarvan ervoor om (in deze casus) het ene grondrecht boven het andere te plaatsen.

Een hiërarchie van grondrechten past echter niet bij de gedachte van grondrechten. Om deze reden wordt een hiërarchie van rechten zowel internationaal als in de meeste constitutionele systemen uitdrukkelijk verworpen. In plaats daarvan kiest men voor balancing en reconciliation van grondrechten.

Los van de vraag of men het eens is met de uitkomst van het arrest, de benadering van de Hoge Raad suggereert helaas dat het grondrecht godsdienstvrijheid van ondergeschikt belang is en slechts geldt voor zover andere grondrechten en internationale verdragen hier ruimte voor laten. De Hoge Raad lijkt simpelweg niet in staat om een balancing van grondrechten uit te voeren, kiest voor de makkelijke oplossing en jumps to a conclusion.

Ook de kwestie rond weigerambtenaren biedt stof tot discussie. Premier Rutte stopt niet onder stoelen of banken dat het niet-aanpakken van ambtenaren van de burgerlijke stand, die weigeren homo-stellen te trouwen, een concessie is aan coalitiepartner CDA. Hem wordt door leden van de eigen partij en van de oppositie verweten daardoor de liberale zaak te verloochenen. Maar is dat ook daadwerkelijk zo?

Een democratie veronderstelt een zekere waardeconsensus. Het gelijkheidsbeginsel behoort tot die waardeconsensus en een uitvloeisel daarvan is het homohuwelijk. Geloofsgemeenschappen kunnen geen automatische uitzondering claimen indien hun geloofsovertuigingen botsen met de effectuering van de waardeconsensus door de overheid. Maar tegelijkertijd zou de staat waar mogelijk moeten vermijden om gelovigen voor de pijnvolle keuze te plaatsen te kiezen tussen een geloofsovertuiging en het naleven van de wet.

In het licht van onder meer de Canadese rechtspraak, hebben juist werkgevers, en dat is de overheid in dezen, de verplichting om de geloofsovertuiging van een werknemer voor zover als redelijk is te accommoderen. Voor de redelijkheid is undue hardship de maatstaf. Het kost de overheid in dezen echter geen undue hardship om de weigerambtenaren te accommoderen. Immers, ook indien deze ambtenaren weigeren een bepaald huwelijk te sluiten, kan zonder problemen in alle gemeenten in het land elk aangevraagd homohuwelijk worden voltrokken. Er zijn immers genoeg ambtenaren (gelovig en niet gelovig) die geen morele bezwaren hebben.

Anders dan menig deelnemer aan de discussie lijkt te denken, is het ook niet het doel van grondrechten om minderheidsgroepen te dwingen de gangbare acceptatie van homoseksualiteit over te nemen. Juist het gelijkheidsbeginsel werkt hier beide kanten op en dus is een voorzichtige afweging op zijn plaats. Zowel diegenen die homoseksuele geaardheid als moreel gelijkwaardig beschouwen als zij die morele bezwaren koesteren tegen homoseksuele huwelijken, hebben in gelijke mate recht op hun mening en overtuiging. Beide groepen zijn niet gerechtigd zich discriminatoir te gedragen.

Be Sociable, Share!