Conference ‘The Changing Faces of Religion and Secularity’

On the website of the Institute for Culture and Society of the University of Navarra an announcement can be found of the above conference, to be held at Harvard Law School, with the following program:


7th June


9:00   Speaker 1, Mary Ann Glendon (Harvard University)

10:00 Speaker 2, Rafael Alvira (University of Navarra)

11:00 Speaker 3, Carmelo Vigna (Università Ca Foscari de Venezia)

Discussion

13:00 Lunch

14:00 Workshop I: Religious Freedom in Contemporary Juridical Context
Chair: Francisca Pérez Madrid (Universidad de Barcelona)
4 Workshop Speakers

16:00 Workshop II: Medieval Political Theology: Theory & Practice.
Chair: Jaume Aurell (University of Navarra)
4 Workshop Speakers

18:00 Dinner

19:30 Speaker 4: Robert Royal (Institute for Faith & Reason, Washington, D.C.)


8th June


9:00   Speaker 5, Allen Hertzke (University of Oklahoma) – "Defending Civil Society:  Religious Advocacy in American National Politics"

10:00 Speaker 6, Jean Bethke Elstain (University of Chicago)

11:00 Speaker 7, Russell Hittinger (University of Tulsa)

Discussion

13:00 Lunch

14:00 Workshop III: The Media and the Process of Secularization of Society
Chair: Mercedes Montero & Mónica Codina (University of Navarra)
4 Workshop Speakers

16:00 Workshop IV: Liberalism, Capitalism & Religion
Chair: Raquel Lázaro (University of Navarra)
4 Workshop Speakers

18:00 Workshop V: Monotheism & Violence
Chair: Alejandra Vanney (Austral University of Buenos Aires)
4 Workshop Speakers

20:00 Dinner

See for more information, including a call for papers: http://www.unav.es/centro/religion-sociedad/congreso-caras-cambiantes-religion-secularidad.

Oprecht geloven in vrijheid (VII): samenvatting en conclusies

Onderstaand het slot van het artikel uit Ars Aequi, met Florian H. Karim Theissen. Voor wie toegang heeft tot de digitale versie van Ars Aequi, is het integrale artikel (met notenapparaat) beschikbaar via  http://maandblad.arsaequi.nl/content.asp.

De moderne Nederlandse samenleving is complex, immers tegelijkertijd seculier en religieus pluralistisch. Dat de verhouding tussen de staat en de samenleving onderdeel vormt van de zoektocht naar nationale identiteit in de 21e eeuw, is daarom niet verbazingwekkend. De vrijheid van godsdienst, een universeel mensenrecht en tegelijk een authentiek onderdeel van de Nederlandse constitutionele geschiedenis, kan hierbij een belangrijke rol spelen. Maar het grondrecht wordt onvoldoende begrepen en gewaardeerd, ligt steeds vaker onder vuur en wordt zelfs openlijk ter discussie gesteld. Gelijkheidsrechten voor religieuze groepen worden, net als (vroeger?) de gelijkheidsrechten ten aanzien van vrouwen of seksuele geaardheid, als unfair jegens anderen gezien. Misschien is religieus zijn daadwerkelijk de new gay.

De vrijheid van godsdienst wordt de laatste jaren vaak ervaren als een obstakel om bepaalde maatschappelijke problemen ‘op te lossen’. Maar het is juist de functie van een grondrecht een obstakel te zijn voor (ongerechtvaardigd) overheidoptreden. De in dit artikel behandelde casusposities laten zien, dat in bepaalde gevallen (voorgenomen) wetgeving geen neutrale regels behelst die geheel toevallig in strijd zijn gekomen met de geloofsartikelen van (minderheids-)religies. De instrumenten zijn juist ontworpen om specifieke praktijken van (individuen in) specifieke geloofsgemeenschappen te beletten. Dringt zich hier niet de gedachte op dat het achterliggende, eigenlijke doel is om geloofsgemeenschappen met dwang te seculariseren en/of zich te laten aanpassen aan de meerderheidsopvattingen?

Misschien behoeft de revitalisering van de vrijheid van godsdienst een impuls uit het buitenland. Zo worden Canada en Zuid-Afrika gekenmerkt door ruimhartige benaderingen van de vrijheid van godsdienst die goed lijken te passen bij de moderne samenleving. Als wij oprecht geloven in vrijheid van een ieder, dan is het recht van eenieder om volgens zijn oprecht religieus of ander geloof in vrijheid te leven daar een onderdeel van.

Guest Post: Kamerbrief pilot vrijheid van godsdienst en levensovertuiging

By Rick Lawson, Professor of European Law at Faculty of Law, Leiden University

Op 16 maart 2012 verzond minister Rosenthal (BZ) een brief aan de Tweede Kamer over de resultaten van de eerste fase van de pilot vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en een selectie nieuwe pilotlanden. De aanhef van de brief luidt als volgt:

‘Hierbij treft u de resultaten aan van de eerste fase van de pilot vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. De pilot heeft geleid tot meer inzicht in deze problematiek en tot activiteiten die bijdragen aan verbeteringen in de naleving van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. Beperkingen en schendingen van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging zijn een groeiend probleem. Kennis over hoe deze negatieve tendens te keren met de juiste interventiestrategieën is beperkt. Vrijheid van godsdienst en levensovertuiging is een van de prioriteiten van de geactualiseerde mensenrechtenstrategie "Verantwoordelijk voor Vrijheid". In 2009 werd de pilot vrijheid van godsdienst en levensovertuiging opgezet. Bij aanvang van de pilot is afgesproken na twee jaar een indicatie te geven over resultaten en ervaringen. Deze treft u hierbij aan.’

De brief, waarvan de volledige tekst raadpleegbaar is via http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2012/03/16/kamerbrief-pilot-vrijheid-van-godsdienst-en-levensovertuiging.html, bevat een interessant overzicht, echter uiteraard (het stuk komt nu eenmaal van BZ) zonder ook maar één enkele verwijzing naar de situatie in Nederland…

Oprecht geloven in vrijheid (VI): casus ritueel slachten en mannenbesnijdenis

De laatste casus uit deze miniserie naar aanleiding van een Ars Aequi-artikel betreffen jodendom en islam.

Nadat de Tweede Kamer met een brede meerderheid het initiatiefvoorstel-Thieme had aangenomen, zij het met het amendement-Van Veldhoven c.s. van D66, PvdA, VVD en GroenLinks over het toestaan van ritueel slachten zonder voorafgaande bedwelming indien in een bepaald geval zou zijn aangetoond dat de slachtdieren niet meer leed werd aangedaan dan bij de reguliere slacht, leek het een uitgemaakte zaak dat het voorstel ook door de Eerste Kamer zou komen. Dezelfde partijen hadden daar immers ook een meerderheid. De Eerste Kamer maakte echter haar taak als chambre de reflection waar. Mede dankzij de zorgvuldige en gewetensvolle opstelling van een aantal woordvoerders van partijen die in de Tweede Kamer voor hadden gestemd, haalde het wetsvoorstel geen meerderheid in de Eerste Kamer.

Ritueel slachten valt onder de werkingssfeer van de vrijheid van godsdienst. Daarvan getuigt niet alleen de rechtspraak van het EHRM en de rechterlijke instanties in het buitenland, maar ook de analyse van de Raad van State en de toelichting bij het aangenomen amendement. Door de voorstanders van het wetsvoorstel werd aangevoerd dat er ook tal van (gelovige) moslims zijn die bedwelmd geslacht vlees consumeren. Dit is echter een grondrechtelijk irrelevant argument, zo blijkt uit hetgeen hierboven is uiteengezet over ‘oprecht geloven’ en de vereiste terughoudendheid van de staat bij de uitleg van religieuze regels.

Zoals uit de toelichting bij het amendement blijkt, is dit met het oog op proportionaliteit en subsidiariteit ingediend. Immers in zijn oorspronkelijke vorm behelste het wetsvoorstel het buitenproportionele effect dat gelovigen binnen de joodse en islamitische gemeenschap die op grond van hun diepste overtuigingen van mening zijn dat zij bedwelmd geslacht vlees niet kunnen consumeren, moeten kiezen tussen twee kwaden: het niet meer consumeren van vlees, zoals dat hoort bij gewortelde tradities en geloofsovertuigingen of het consumeren van vlees dat hun inziens niet aan reinheidsvoorschriften voldoet. Ook na aanname van het amendement bestond echter nog een reële kans dat er in de praktijk sprake zou zijn van een absoluut verbod, zolang er geen concreet en ingevuld systeem voor de onbedwelmde slacht is gevonden dat voldoet aan de zware eisen van het wetsvoorstel.

Een argument dat door de voorstanders werd aangevoerd, is dat de beperking die uitgaat van een Nederlands verbod mee zou vallen, omdat er vanuit het buitenland ritueel geslacht vlees kan worden ingevoerd. In dezen werd verwezen naar een arrest van het EHRM, waarin het EHRM overwoog dat geen sprake was van een schending door de weigering van de Franse overheid de ultra-orthodoxe joodse gemeenschap naast de orthodoxe gemeenschap een vergunning te verlenen om glatt koosjer te slachten, omdat zij vlees uit België kon importeren. Zoals een aantal islamitische organisaties echter aantoonde, gaat de vergelijking met het arrest niet op en wekt deze redenering bovendien de suggestie ‘dat de overheid bij Nederlandse kranten best zware censuur kan toepassen, zolang men maar ongecensureerde Vlaamse kranten in Nederland kan verkrijgen’.

De discussie over de jongensbesnijdenis lijkt in veel opzichten op die over het ritueel slachten: ook hier gaat het om een praktijk die voor moslims en joden van centraal belang is voor hun geloofsovertuiging, ook hier is de aanleiding voor het voorgenomen verbod identiek aan de ratio achter de religieuze regel (respectievelijk dierenwelzijn en volksgezondheid) en ook hier vereisen de elkaar tegensprekende wetenschappelijke studies uiteindelijk een politieke afweging welke studie men gelooft.

Een eventueel verbod kan in dit geval echter niet met import worden opgelost. Moslims en joden die hun kinderen in hun religieuze gemeenschap willen opnemen en opvoeden, worden dus gedwongen om te kiezen tussen hun geloof en een toekomst in Nederland. Een pijnvolle en onmogelijke keuze die doet denken aan het Chinese verbod om schoolkinderen te laten vasten in de Ramadan en zonder twijfel buitenproportioneel is.

Oprecht geloven in vrijheid (V): casus SGP en weigerambtenaren

De volgende casus in deze miniserie betreft de SGP en weigerambtenaren.

Tot de legitieme doelen op grond waarvan de vrijheid van godsdienst beperkt mag worden, behoren zoals gezien de rechten en vrijheden van anderen. In de praktijk gaat het dan vaak om het recht op gelijke behandeling van vrouwen, niet-heteroseksuelen en anders- of niet-gelovigen. Alhoewel ook in die discussie moslims en ‘niet-westerse’ christenen regelmatig doelwit van kritiek zijn, hebben in de laatste jaren twee belangrijke items ten aanzien van de home-grown protestantse gemeenschap gespeeld.

De SGP is met haar duurzame twee zetels in de Tweede Kamer een vast onderdeel van het politieke establishment in Den Haag en nu zelfs officieuze gedoogpartner van Rutte I. Haar standpunt inzake het passief kiesrecht voor vrouwen in relatie tot de verplichting van de Nederlandse overheid conform het VN-vrouwenrechtenverdrag leidde tot uiteenlopende rechtszaken, waarvan een tot aan de Hoge Raad.

Van belang is dat de SGP-zaak niet door de regering was aangespannen, maar door een particuliere stichting, die juist trachtte te bereiken dat de overheid haar subsidie aan de SGP zou stopzetten als maatregel om naleving van het vrouwenverdrag af te dwingen. Mede daarom was voor de Hoge Raad de belangrijkste rechtsvraag of de rechter de overheid kon bevelen de subsidie stop te zetten.

Vanuit het oogpunt van botsende grondrechten, is echter de vraag interessanter of een democratische rechtsstaat kan of zelfs zou moeten accepteren dat er politieke partijen zijn die de gelijke werking van alle grondrechten voor alle burgers (in casu het passieve kiesrecht voor vrouwen) uit een diepgewortelde geloofsovertuiging (sincere belief) niet toepassen. Helaas bevat het arrest geen uitgebreide en doorwrochte analyse. De Hoge Raad stelt eenvoudig dat een politieke partij het passieve kiesrecht van vrouwen moet respecteren, zonder daarbij nauwkeurig uiteen te zetten waarom in casu een inbreuk op de vrijheid van godsdienst ‘noodzakelijk’, ‘proportioneel’ en ‘subsidair’ is. De Hoge Raad kiest in plaats daarvan ervoor om (in deze casus) het ene grondrecht boven het andere te plaatsen.

Een hiërarchie van grondrechten past echter niet bij de gedachte van grondrechten. Om deze reden wordt een hiërarchie van rechten zowel internationaal als in de meeste constitutionele systemen uitdrukkelijk verworpen. In plaats daarvan kiest men voor balancing en reconciliation van grondrechten.

Los van de vraag of men het eens is met de uitkomst van het arrest, de benadering van de Hoge Raad suggereert helaas dat het grondrecht godsdienstvrijheid van ondergeschikt belang is en slechts geldt voor zover andere grondrechten en internationale verdragen hier ruimte voor laten. De Hoge Raad lijkt simpelweg niet in staat om een balancing van grondrechten uit te voeren, kiest voor de makkelijke oplossing en jumps to a conclusion.

Ook de kwestie rond weigerambtenaren biedt stof tot discussie. Premier Rutte stopt niet onder stoelen of banken dat het niet-aanpakken van ambtenaren van de burgerlijke stand, die weigeren homo-stellen te trouwen, een concessie is aan coalitiepartner CDA. Hem wordt door leden van de eigen partij en van de oppositie verweten daardoor de liberale zaak te verloochenen. Maar is dat ook daadwerkelijk zo?

Een democratie veronderstelt een zekere waardeconsensus. Het gelijkheidsbeginsel behoort tot die waardeconsensus en een uitvloeisel daarvan is het homohuwelijk. Geloofsgemeenschappen kunnen geen automatische uitzondering claimen indien hun geloofsovertuigingen botsen met de effectuering van de waardeconsensus door de overheid. Maar tegelijkertijd zou de staat waar mogelijk moeten vermijden om gelovigen voor de pijnvolle keuze te plaatsen te kiezen tussen een geloofsovertuiging en het naleven van de wet.

In het licht van onder meer de Canadese rechtspraak, hebben juist werkgevers, en dat is de overheid in dezen, de verplichting om de geloofsovertuiging van een werknemer voor zover als redelijk is te accommoderen. Voor de redelijkheid is undue hardship de maatstaf. Het kost de overheid in dezen echter geen undue hardship om de weigerambtenaren te accommoderen. Immers, ook indien deze ambtenaren weigeren een bepaald huwelijk te sluiten, kan zonder problemen in alle gemeenten in het land elk aangevraagd homohuwelijk worden voltrokken. Er zijn immers genoeg ambtenaren (gelovig en niet gelovig) die geen morele bezwaren hebben.

Anders dan menig deelnemer aan de discussie lijkt te denken, is het ook niet het doel van grondrechten om minderheidsgroepen te dwingen de gangbare acceptatie van homoseksualiteit over te nemen. Juist het gelijkheidsbeginsel werkt hier beide kanten op en dus is een voorzichtige afweging op zijn plaats. Zowel diegenen die homoseksuele geaardheid als moreel gelijkwaardig beschouwen als zij die morele bezwaren koesteren tegen homoseksuele huwelijken, hebben in gelijke mate recht op hun mening en overtuiging. Beide groepen zijn niet gerechtigd zich discriminatoir te gedragen.

Oprecht geloven in vrijheid (IV): casus boerka-verbod

Hieronder de tweede casus zoals behandeld in het artikel over godsdienstvrijheid onder vuur uit het maart-nummer van Ars Aequi.

Nadat de toenmalige Tweede Kamerleden Wilders in 2005 en Kamp (VVD) in 2007 reeds initiatiefvoorstellen hadden ingediend om het dragen van een boerka of een nikaab te verbieden, heeft de regering anno 2011 een wetsvoorstel met die strekking voorgelegd aan de Raad van State. In haar persbericht motiveerde de regering dit indertijd door het dragen van geheel of vrijwel geheel het gelaat bedekkende kleding aan te merken als ‘fundamenteel in strijd met het karakter van het publiek verkeer waarin wij elkaar met herkenbaar gelaat gelijkelijk tegemoet treden’. De regering toonde zich ervan bewust dat dergelijke kleding ‘ook met een beroep op godsdienstige overtuiging wordt gerechtvaardigd’, maar was van mening dat het dragen van dergelijke gelaatsbedekkende kleding ‘veeleer samenhangt met culturele, regionale tradities’.

Vanuit het oogpunt van de godsdienstvrijheid is deze analyse opnieuw problematisch. In welke lezing van de vrijheid van godsdienst en de scheiding van kerk en staat is het aan de overheid om deze analyse ten behoeve van de individuele burger te maken? Bovendien is, zoals het Canadese Hooggerechtshof terecht heeft opgemerkt, niet van belang of het individu zich uit religieus oogpunt ‘verplicht’ voelt om de boerka te dragen, maar slechts of die keuze samenhangt met een godsdienstige overtuiging. Het Zuid-Afrikaanse Constitutionele Hof, dat evenals het Canadese Hooggerechtshof de sincerity-test toepast in vrijheid van godsdienstzaken, acht het verschil tussen cultuur en religie kunstmatig als het om een ‘oprecht geloof’ van het individu gaat, want in dat geval ‘culture and religion sing with the same voice’.

Er is dus zonder meer sprake van een inmenging in de vrijheid van godsdienst van individuen die uit godsdienstige overtuiging hun gelaat bedekken. Ook hier hield het kabinet echter rekening mee en achtte ‘een beperking van de godsdienstvrijheid in deze, indien daar sprake van is, nodig en gerechtvaardigd in het belang van de bescherming van het karakter en de goede gewoonten van het openbaar leven in Nederland’.

Grondwet noch EVRM vat onder de legitieme doelen met het oog waarop de godsdienstvrijheid kan worden beperkt echter de ‘bescherming van het karakter en de goede gewoonten van het openbaar leven’. Dat is geen toeval of onvolledigheid, maar volgt uit de ijzeren logica van het grondrecht en de mensenrechten. Immers, indien de vrijheid van godsdienst of mensenrechten slechts die keuzes zouden beschermen die de meerderheid verstandig, correct of aanvaardbaar acht, waren zij overbodig.

Het kabinetsstandpunt gaf dus uitdrukking aan een filosofie die strijdig is met de essentie van de vrijheid van godsdienst en de achterliggende vrijheidsgedachte die inherent is aan de mensenrechten. Het beoogde door middel van strafbaarstelling individuen te dwingen zich aan te passen aan de meerderheid. Maar goedschiks of kwaadschiks, de tolerantie tegenover afwijkende meningen is juist een wezenskenmerk van de democratische rechtsstaat. Ondanks een bijzonder kritisch advies van de Raad van State, is het wetsvoorstel op 3 februari 2012 echter toch ingediend bij de Tweede Kamer.

Ongetwijfeld roept de gezichtsbedekkende kleding daadwerkelijke praktische problemen op, bijvoorbeeld bij identiteitscontroles op vliegvelden of ter voorkoming van tentamenfraude bij onderwijsinstellingen. Maar dit zou kunnen worden verholpen door voor die situaties te verplichten dat degene die gezichtsbedekkende kleding draagt haar gelaat laat zien aan veiligheids- of onderwijspersoneel van hetzelfde geslacht. Dergelijke wettelijke vereisten laten zich wel rechtvaardigen onder de beperkingsclausules en zijn proportioneel en subsidiair. Dit geldt ook voor het argument van de vrouwenemancipatie: indien men het strafbaar zou stellen dat een man zijn vrouw dwingt haar gelaat te bedekken zou men in volledige overeenstemming met de vrijheidsgedachte achter de mensenrechten handelen. Het verbieden van het dragen van de boerka op zich raakt echter ook vrouwen (waaronder alleenstaanden) die een eigen keuze hebben gemaakt hun gelaat te bedekken op een disproportionele manier.

Oprecht geloven in vrijheid (III): casus islam in het gedoogakkoord

In het artikel in Ars Aequi worden, aan de hand van het kader uit deel II van deze miniserie, de volgende actuele casus behandeld: het gedoogakkoord, het boerka-verbod, weigerambtenaren en de SGP, en ritueel slachten en mannenbesnijdenis. In deze post staat de eerste casus centraal.

In bijlage I bij het gedoogakkoord VVD-CDA-PVV staat te lezen:

‘De drie partijen VVD, PVV en CDA verschillen van mening over aard en karakter van de islam. De scheidslijn zit hem in het karakteriseren van de islam als óf religie óf (politieke) ideologie.

Partijen accepteren elkaars verschil van inzicht hierover en zullen hier ook op grond van hun eigen opvattingen naar handelen.’

 

Dit van 30 juni 2010 daterende ‘agreement to disagree’ vervulde primair een politieke functie in de zin dat het voor VVD en CDA de politieke samenwerking met de PVV legitimeerde. Ook is het aannemelijk dat de intentie ervan was de grondrechtenbescherming van moslims door de wetgever te blijven waarborgen, mede gelet op de expliciete vermelding van de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van onderwijs in het regeerakkoord van het kabinet-Rutte.

Niettemin valt, indien wij door een juridische bril naar de verklaring kijken, op dat de drie partijen de veronderstelling lijken te delen dat slechts aanhangers van ‘religies’ de bescherming van de godsdienstvrijheid kunnen inroepen. Maar wie bepaalt dan wat een religie is, coalitie- en gedoogpartners, de regering, de rechter, een overheidsorgaan voor godsdienstzaken? Dit is niet louter een hypothetische vraag, in verschillende delen van de wereld was of is dit aan de orde. Zo is Duitsland bij herhaling bekritiseerd voor het feit dat Scientology niet als geloofsgemeenschap maar als commerciële vereniging wordt aangemerkt.

Hiervoor haalden wij reeds de neutraliteit van de staat en de terughoudendheid van overheidsorganen aan, die gepast is als het gaat om godsdienstbeleving. Mede op basis van die uitgangspunten wordt in verschillende rechtssystemen ervoor gekozen om de subjectieve beleving en de oprechte overtuiging van de individuele gelovige centraal te stellen bij invulling van het begrip ‘godsdienst/religie’. Dit geldt voor Scientology-aanhangers, maar zeker ook voor hen die betekenis ontlenen aan de islam, los ervan of zij orthodox of vrijzinnig zijn, tot welke stroming zij behoren en welke etnische achtergrond zij hebben. En de bescherming van dit grondrecht geldt zoals gezien ook voor ‘niet-religieuze’ levensovertuigingen of geloven.

Niet alleen het standpunt van de PVV maar ook de gezamenlijke verklaring botst, de goede intenties ten spijt, dus welbeschouwd met de invulling van de godsdienstvrijheid door de rechterlijke macht in Nederland, Straatsburg en verschillende andere democratische rechtsstaten. De vraag is welke consequentie dit heeft. Het gedoogakkoord heeft immers geen juridische betekenis of directe rechtsgevolgen. Maar het gedoogakkoord behelst wel politieke afspraken tussen drie partijen die de conditio sine qua non zijn voor het bestaan van het minderheidskabinet-Rutte. De met de godsdienstvrijheid strijdige gezamenlijke verklaring heeft daarmee in ieder geval in politieke zin invloed op de godsdienstvrijheid in Nederland, los ervan of zij in concrete en specifieke gevallen kan leiden tot onaanvaardbare inbreuken op dit grondrecht.

Oprecht geloven in vrijheid (II): Achtergrond en essentie van de vrijheid van godsdienst

Hieronder het kader van de bijdrage in Ars Aequi (zie deel I van de miniserie), dat gebruikt wordt bij de analyse van de diverse casus die hierna volgen. 

Het idee van vrijheid van godsdienst maakt onderdeel uit van veel religies en bestond reeds in samenlevingen voor de moderniteit. Het is zeker ook onlosmakelijk verbonden met het concept van de moderne mensenrechten. Het wordt bepleit in de geschriften van verlichtingsdenkers en stond reeds in de eerste moderne constituties.

De vrijheid van godsdienst behoort ook tot de authentieke constitutionele traditie in Nederland. Immers, het feit dat de Habsburgse staat uit loyaliteit met de katholieke kerk de nieuwe religie – het protestantisme – bestreed, deed de Nederlandse protestanten uiteindelijk in opstand komen tegen de staat zelf. Alhoewel de vrijheid die religieuze minderheden in de Republiek der Verenigde Nederlanden genoten naar huidige mensenrechtenstandaarden ontoereikend zal worden geacht, kwam door de vrijheid die zij destijds in Nederland genoten tot uitdrukking dat de afwezigheid van dwang en beperking als het gaat om de keuzes die mensen maken op basis van hun geweten, levensbeschouwing of geloofsovertuiging tot de inherente rechten behoort die ieder mens heeft.

Toen, maar nu nog steeds, heeft de godsdienstvrijheid een belangrijke functie in het geheel van grondrechten en democratische-rechtsstatelijke principes. Zij vervult een essentiële functie, niet alleen voor ‘pockets of resistance’ van orthodox gelovigen in een toenemend seculiere maatschappij, maar voor eenieder, inclusief vrijdenkers, agnosten en de ‘unconcerned’. Immers, dankzij de godsdienstvrijheid kan niemand, dat wil zeggen noch de staat, noch de meerderheid van de bevolking, noch de buurman ons voorschrijven wat wij moeten geloven of niet geloven.

Vrijheid en diversiteit zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Mensen verschillen van elkaar en zullen uiteenlopende keuzes maken in het leven. Pogingen om de samenleving te homogeniseren botsen dus per definitie met de keuzes van individuen en leiden voor die individuen tot een onvrij gevoel. Naarmate mensen vrijer zijn in het maken van hun eigen keuzes, het bepalen van een eigen identiteit, wordt de samenleving pluriformer. En hoe pluriformer de samenleving hoe groter de vrijheid moet zijn om te voorkomen dat mensen worden beperkt.

Het seculariteitsbeginsel (de scheiding van kerk en staat) dient ingevuld te worden in het licht van de godsdienstvrijheid. Een lezing van seculariteit die leidt tot beperking van de vrijheid van godsdienst is een poging de samenleving te homogeniseren en daarmee de andere kant van de medaille van de theocratie.

Seculariteit, gelezen in het licht van de godsdienstvrijheid, brengt met zich mee dat de staat niet mag oordelen over de theologische of inhoudelijke juistheid van een bepaalde religieuze opvatting. In dat licht is in de Nederlandse jurisprudentie het beginsel van interpretatieve terughoudendheid ontwikkeld. In de door minister De Graaf (D66) totstandgebrachte ‘Nota Grondrechten in de pluriforme samenleving’ (2004) wordt hierover gezegd dat dit beginsel ‘is gebaseerd op de overweging dat het op godsdienstig terrein niet aan buitenstaanders (inclusief overheidsorganen) is om uit te maken wat een gelovige onder (het belijden van) zijn godsdienst heeft te verstaan, een overweging die des te meer klemt in geval van confrontatie met een "vreemde" godsdienst’.

Desondanks is de vrijheid van godsdienst uiteraard geen absoluut recht. Evenals andere grondrechten kan deze vrijheid onder een in de jurisprudentie gedetailleerd ontwikkelde beperkingsclausule worden begrensd. Het Europese mensenrechtensysteem hanteert in dit verband de begrippen van ‘legitiem doel’, ‘voorzien bij wet’ en ‘noodzakelijk in een democratische samenleving’. Het doel van een rechtmatige inperking van het grondrecht moet bijvoorbeeld gelegen zijn in bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Anderzijds moet de in het geding zijnde vrijheid daarmee slechts zover worden beperkt als strikt noodzakelijk is. Mede daarom hanteert de rechter onder de beperkingsclausule van het EVRM de criteria van proportionaliteit en subsidiariteit. Is het middel erger dan de kwaal of zijn redelijke alternatieven niet toegepast, dan is de beperking uit den boze. In andere rechtssystemen, waaronder Canada en Zuid-Afrika, wordt hierbij ook wel de figuur van de ‘reasonable accomodation’ gebruikt. Bij maatregelen die bepaalde individuen of gemeenschappen buitenproportioneel raken dient een redelijke aanpassing te worden gezocht die het doel van de maatregel kan verzoenen met het grondrecht dat geraakt wordt.

Oprecht geloven in vrijheid (I): Inleiding

In het maartnummer van het juridisch maandblad Ars Aequi (http://maandblad.arsaequi.nl/content.asp) is een artikel verschenen van de hand van Florian H. Karim Theissen en mij, getiteld ‘Oprecht geloven in vrijheid. Bloemlezing van een grondrecht onder vuur’. In een miniserie zullen op dit weblog de verschillende onderdelen van dit artikel de revue passeren. Aan de orde daarbij komen onder meer: het gedoogakkoord, het boerka-verbod, weigerambtenaren en de SGP, en ritueel slachten en mannenbesnijdenis. Aangezien het onze bedoeling is met dit onderwerp door te gaan, ook in internationaal verband, is eventuele feedback welkom. Mr. F.H.K. Theissen is Legal Services manager bij PwC en tevens als promovendus verbonden aan de afdeling Europees Recht van de Universiteit Leiden. Hieronder gaat de miniserie van start met de inleiding van de bijdrage.

Op 13 december 2011 vond de behandeling in de Eerste Kamer plaats van het initiatiefwetsvoorstel-Thieme inzake invoering van verplichte voorafgaande bedwelming bij ritueel slachten. Onder de voorstanders van het wetsvoorstel in het maatschappelijk debat waren ook diegenen die pleiten voor de afschaffing van het hierbij aan de orde zijnde grondrecht op godsdienstvrijheid als zodanig. De vrijheden van meningsuiting en vergadering vormen huns inziens voldoende waarborg voor religieuze individuen en een speciale behandeling van gelovigen is volgens hen in een seculiere samenleving niet langer gerechtvaardigd.

De vrijheid van godsdienst ligt, zo lijkt het, in toenemende mate onder vuur. Toen Wilders (PVV) in 2006 voorstelde om het discriminatieverbod uit de grondwet te verwijderen, waren er felle reacties. Het ter discussie stellen van de godsdienstvrijheid, daarentegen, vindt steun onder politici aan zowel linker- als rechterzijde van het politieke spectrum, terwijl er nogal eens onverschillig van wordt kennisgenomen door de overige politici en in de maatschappij.

In dit artikel beargumenteren wij aan de hand van een viertal casusposities uit de afgelopen jaren het onverminderde belang van de godsdienstvrijheid voor een vrije, pluralistische en democratische samenleving. Onze stelling is dat wie de godsdienstvrijheid wil afschaffen of beperken daarmee niet alleen de rechten van religieuze minderheden ondermijnt, maar de bijl zet in het fundament van de open samenleving in Nederland. Wij baseren ons daarbij mede op buitenlandse literatuur en rechtspraak, voornamelijk uit Canada en Zuid-Afrika.