Tag Archives: SGP

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (V)

In december 2017 presenteerde ik een paper over bovengenoemd onderwerp tijdens de Staatsrechtconferentie aan de Universiteit Maastricht. Dit paper verschijnt binnenkort als hoofdstuk in de bundel ‘Begrenzende soevereiniteit’, onder redactie van Sascha Hardt, Aalt Willem Heringa en Antonia Waltermann.

In een serie van zes wekelijkse blogposts zal hier het paper alvast te lezen zijn. Voor de gefinaliseerde versie, voorzien van notenapparaat, zij verwezen naar de bundel. Het behoeft geen betoog dat het onderwerp hernieuwde actualiteitswaarde heeft, onder meer met het oog op de a.s. verkiezingen voor het Europees Parlement.

  1. Hoe nu verder? (vervolg)

Voor wie bovenstaande nog altijd te abstract blijft, is er inmiddels door het Tweede-Kamerlid Bisschop (SGP) een initiatiefnota gepresenteerd, waarin maar liefst 20 min of meer concrete stappen worden geformuleerd om in de richting van een statenbond te gaan. De nota, getiteld ‘De lidstaten weer aan het roer!’, is bedoeld als alternatief voor de toekomstscenario’s die de Europese Commissie in 2017 heeft geformuleerd. Kenmerkend voor deze scenario’s is dat de politieke en economische integratie alleen nog maar zal worden geïntensiveerd. Hiertegenover doen onder meer in populistische partijen scenario’s de ronde waarin Nederland de EU verlaat of de EU als geheel desintegreert. Bisschop beoogt in zijn nota een tussenweg te schetsen tussen deze beide uitersten.

Alvorens deze tussenweg in meer detail weer te geven, verdienen de ‘constructiefouten’ aandacht, die de initiatiefnota waarneemt als het gaat om de EU. Als gevolg van deze fouten, kan het proces van sluipende Europeanisering en daarmee uitholling van de soevereiniteit van de nationale lidstaten doorgang blijven vinden. Het betreft achtereenvolgens: ‘Onduidelijke grenzen aan de bevoegdheden van de Europese Unie (…) Té politieke rol van de Europese Commissie (…) Europees Hof als politieke macht (…) Geringe formele invloed nationale parlementen op Europese besluitvorming’. Het gaat mij er hier nu niet om deze punten stuk voor stuk te bespreken. Op onderdelen worden zij weersproken door en in de staatsrechtelijke literatuur. Wel kan worden geconstateerd dat het hier stuk voor stuk om kernpunten gaat, waarover het staatsrechtelijke debat meer dan nu zou behoren te gaan.

De ‘concrete aanbevelingen en beslispunten’ die Bisschop vervolgens formuleert, zijn het waard hier volledig weer te geven. Te vaak gaapt er een kloof tussen inzichten ontleend aan de constitutionele theorie en de dagelijkse parlementaire en politieke praktijk. Het lijstje uit de initiatiefnota laat, hoe men ook aankijkt tegen de diverse punten, tenminste zien dat operationalisering niettemin een haalbare kaart is:

‘Hervorming van de Europese Unie

  1. Gebaseerd op de principes subsidiariteit, proportionaliteit, optimale verscheidenheid en gedifferentieerde samenwerking, maakt het kabinet in samenwerking met gelijkgezinde lidstaten een gedegen alternatief voor het voorkeursscenario van de Europese Commissie, zoals uiteengezet in het Witboek en de discussienota’s.
  2. Het kabinet streeft naar het schrappen van de zinsnede “een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa” uit de preambule en artikel 1 van het VEU. Als hiervoor onvoldoende steun blijkt te zijn onder de andere lidstaten, streeft het kabinet naar een overeenkomst met de EU waarin Nederland wordt uitgesloten van de zinsnede “een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa”, dan wel naar een andere interpretatie van deze zinsnede die benadrukt dat er binnen de EU ruimte is voor gedifferentieerde vormen van samenwerking, vastgelegd in een protocol dat toegevoegd wordt aan de Verdragen.
  3. Om de sluipende bevoegdheidsoverdracht van de lidstaten naar de EU een halt toe te roepen, verdient de bevoegdheidsverdeling tussen de EU en de lidstaten in artikelen 2–6 VWEU te worden aangescherpt. In plaats dat artikel 6 VWEU de aanvullende bevoegdheden van de EU beschrijft, somt het nieuwe artikel de exclusieve bevoegdheden van de lidstaten op.
  4. Bij iedere nieuwe wijziging van VEU en/of VWEU wordt een document opgesteld, vergelijkbaar met de Nederlandse “memorie van toelichting” en de Franse “Exposé des motifs”, waaruit kan worden opgemaakt wat de reikwijdte van het handelen van de EU mag zijn. Deze “memorie van toelichting” vormt het kader waarbinnen de Europese Commissie en het Europees Hof van Justitie nieuwe Europese wet- en regelgeving gaat opstellen en interpreteren.
  5. Nederland gaat zich sterk maken voor een meer ambtelijke en minder politieke rol voor de Europese Commissie.
  6. De Europese Commissie verliest het recht om op eigen initiatief de lidstaten te ondersteunen, te coördineren of aan te vullen op beleidsterreinen waarvoor de lidstaten primair verantwoordelijk zijn (op basis van artikel 6 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie, VWEU). Dit kan in de toekomst enkel nog na een expliciet verzoek daartoe van de Raad waarover het met gekwalificeerde meerderheid besluit.
  7. Nederland neemt het initiatief om de omvang van het Meerjarig Financieel Kader na 2020 naar beneden bij te stellen en blokkeert voorstellen waardoor de EU-begroting groeit.
  8. Het kabinet onderzoekt de mogelijkheden om in Europees verband vaker gebruik te maken van “horizonbepalingen”. Europese regelgeving zou periodiek moeten worden geëvalueerd, eventueel worden beëindigd of aangepast en opnieuw bekrachtigd. Ten minste het VEU en het VWEU zouden een begrensde geldigheidstermijn moeten krijgen.
  9. Het kabinet bepleit dat de EU door middel van het “one in, two out”-systeem gaat kappen in de Europese regelgeving. Bij de invoering van elke nieuwe bepaling worden er twee bestaande geschrapt.
  10. Een permanente werkgroep, bestaande uit vertegenwoordigers van de Raad en de nationale parlementen, gaat onderzoeken of in het licht van subsidiariteit, proportionaliteit en optimale verscheidenheid, Europese wetten, regels of programma’s moeten worden geschrapt of dat de verantwoordelijkheid hiervoor weer terug kan worden gegeven aan de lidstaten.
  11. Door de toevoeging van een speciale procedure aan het VEU wordt het veel gemakkelijker voor een lidstaat om gebruik te maken van een zogenaamde opt-out.
  12. Er worden geen verdere stappen gezet in het wijzigen van unanimiteitsbesluitvorming naar (gekwalificeerde) meerderheidsbesluitvorming.
  13. In nieuwe Europese regelgeving komt veel meer nadruk te liggen op de diversiteit van de lidstaten en de ruimte voor de lidstaten om wetten en regelgeving verschillend uit te voeren, naar gelang de bestuurlijk-juridische of cultuur-historische kenmerken van een lidstaat dit vergen.
  14. Het kabinet treedt in overleg met andere EU-lidstaten om de drempel voor de gele- en oranje-kaart-procedures te verlagen en daarnaast een rode-kaart-procedure in te voeren.
  15. Goedkeuring en wijziging van EU-verdragen moet plaatsvinden met een twee-derde meerderheid van stemmen in beide Kamers der Staten-Generaal.
  16. Het kabinet houdt voorstellen tegen waarin het Europees parlement een meer “transnationaal” karakter krijgt, zoals de invoering van Europese kieslijsten bij Parlementsverkiezingen.Hervorming van de Economische en Monetaire Unie
  17. Het kabinet stelt een wijziging van het VEU voor waardoor het lidmaatschap van de EU wordt losgemaakt van deelname aan de EMU en de onomkeerbaarheid van de euro wordt geschrapt.
  18. Het kabinet werkt samen met gelijkgezinde lidstaten om het oprichten van nog meer impliciete of expliciete transferstructuren te voorkomen. 

  19. Het kabinet treedt in overleg met de andere eurolanden over het gewenste kader voor het beleid en mandaat van de Europese Centrale Bank (aanbeveling initiatiefnota-Omtzigt).
  20. De Nederlandse regering stelt in de Europese Raad / Eurogroep voor om een adequate exit-strategie op te stellen voor het verlaten van de EMU, zodat het voor eurolanden die zonder transfers geen toekomst hebben zowel juridisch (zie aanbeveling 17) als praktisch mogelijk wordt de eurozone te verlaten.’

Zie ook:

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (IV)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (III)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (II)

Artikel ‘Klein verschil, grote gevolgen. Het arrest van de Hoge Raad in de SGP-zaak nader geduid’, in Wapenveld (2010)

IMG_1755

‘Op 9 april 2010 sprak de Hoge Raad uit dat de Nederlandse Staat verplicht is effectieve maatregelen te nemen om een einde te maken aan de onthouding van het passief kiesrecht aan vrouwen door de SGP. Dit terwijl de Raad van State op 5 december 2007 juist had geoordeeld dat van een daadwerkelijke beperking van het passief kiesrecht geen sprake is, nu vrouwen in Nederland van voldoende andere partijen lid kunnen worden die wel vrouwen kandideren voor vertegenwoordigende functies. Hoe kan het dat twee hoogste rechtscolleges in betrekkelijk korte tijd tot deels tegengestelde uitspraken komen en hoe in het bijzonder het recente arrest van de Hoge Raad nader te duiden?’

Over Wapenveld:

‘”Wapenveld is een blad waarin gedacht wordt vanuit de kern van het christelijk geloof. Deze kern ziet in Wapenveld wijd. In aflevering op aflevering wordt een veelvoud van thema’s op het terrein van kerk, theologie en samenleving belicht. Wapenveld is een kwaliteitsblad. Neem het en lees het.” Dat zegt Arjan Plaisier, scriba van de Protestantse Kerk in Nederland. Lees hier wat anderen vinden van Wapenveld.’

Voor het artikel, zie:

https://www.researchgate.net/publication/46388254_Klein_verschil_grote_gevolgen_Het_arrest_van_de_Hoge_Raad_in_de_SGP-zaak_nader_geduid;

https://openaccess.leidenuniv.nl/handle/1887/15970;

http://wapenveldonline.nl/artikel/953/klein-verschil-grote-gevolgen/.

Bijdrage aan bundel De multiculturele samenleving en het recht (2002)

9069164345

‘De samenleving is pluriform en multicultureel, zowel in Nederland als in de ons omringende landen. Dat trekt natuurlijk sporen in het recht. Op het eerste gezicht lijken het incidenten op een klein aantal rechtsgebieden, zoals in het personen- en familierecht. Bij nadere bestudering blijkt echter het pluriforme en multiculturele van de samenleving tot in alle uithoeken van het recht gevolgen te hebben. De bijdragen in dit boek brengen veel hiervan in beeld. Kernvragen daarbij zijn op welke manier en in welke mate de multiculturele samenleving en het recht op elkaar in werken en in hoeverre dit wenselijk, noodzakelijk of onvermijdelijk is.
Met deze vragen zullen het recht en de politiek in de komende decennia worden geconfronteerd. Onder druk van dreigende sociale en politieke onrust. Juristen hebben de taak maatschappelijk aanvaardbare antwoorden voor deze belangrijke sociale vraagstukken uit te werken – maar eigenlijk geldt dat voor iedereen in de huidige, multiculturele samenleving.’

Mijn eigen bijdrage aan deze bundel, getiteld ‘Een Nederlandse taliban?’, is hier te downloaden: https://openaccess.leidenuniv.nl/handle/1887/13921.

De inleiding op dit hoofdstuk luidt als volgt:

‘Een van de stellingen die aan deze bundel ten grondslag ligt, luidt dat de Nederlandse samenleving pluriform en multicultureel is. Dit zou gevolgen hebben tot in aIle uithoeken van het reeht.

In deze bijdrage wordt deze stelling nader onderzoeht aan de hand van een easus op het terrein van het verenigingenreeht. Het betreft de uitsluiting van vrouwen van het gewone lidmaatschap door de Staatkundig-Gereformeerde Partij (SGP). In hoeverre kan een organisatie met een beroep op de vrijheid van vereniging en andere grondreehten haar normen in eigen kring handhaven, ook wanneer het gaat om staatkundige activiteiten?

Teneinde het antwoord op deze vraag te vinden wordt eerst ingegaan op de aanleiding om juist deze casus te onderzoeken, te weten het in september 2001 verschenen landen- eommentaar van het VN-Comite ter Bestrijding van Discriminatie van Vrouwen (CEDAW) (§ 1). Vervolgens wordt ingegaan op enkele politieke en maatschappelijke reacties op dit eommentaar, voorzover de SGP betreffend (§ 2), en de opstelling van de Nederlandse en de Europese rechter terzake van partijverboden (§ 3). Ik sluit af met een conclusie (§ 4).’

Bestelinformatie van de bundel:

http://www.bol.com/nl/p/de-multiculturele-samenleving-en-het-recht/1001004001653372/.

Hoofdstuk in bundel Geschakeld recht. Verdere studies over Europese grondrechten (2009)

9789013062151-240x300

‘In dit boek, ter ere van de zeventigste verjaardag van prof. mr. E.A. Alkema, buigt een groot aantal experts zich over actuele vraagstukken op het terrein van de verbinding tussen en de wederzijdse beïnvloeding van het nationale en het Europese (internationale) recht. Daarbij staat de grondrechtenbescherming centraal. Immers, juist op dat terrein is duidelijk zichtbaar dat de Nederlandse rechtsorde niet op zichzelf staat maar “geschakeld” is aan een Europese (EVRM en Grondrechtenhandvest EU) en internationale rechtsorde (VN-mensenrechtenverdragen). In het bijzonder de Europese grondrechten vormen al vele decennia het aandachtsterrein van Evert Alkema en de auteurs in deze bundel haken daarbij aan.

Het boek biedt een rijk beeld van de ontwikkelingen in de afgelopen jaren en brengt het denken over de behandelde vraagstukken daadwerkelijk verder. Daarmee past het boek ook in actuele onderzoek van de afdeling staat- en bestuursrecht van de Universiteit Leiden waarin de betekenis van het Europese recht voor het nationale staats- en bestuursrecht centraal staat.’

Mijn eigen bijdrage aan deze bundel is getiteld: ‘”Is het aan de orde stellen van deze ondermijning van de rechtsstaat dan werkelijk ongeoorloofd?” De SGP-casus in het licht van de politieke grondrechten.’ Zie http://de SGP-casus in het licht van de politieke grondrechten.

Co-editor and co-author, Regulating Political Parties. European Democracies in Comparative Perspective (2014)

Unknown

‘Regulating Political Parties provides a novel and valuable contribution to the existing literature on political parties by discussing the various dimensions of party law and regulation, in Europe and other regions of the world. To what extent are political parties legitimate objects of state regulation? What are the dilemmas of regulating political finance? To what extent are parties accorded a formal constitutional status? What are the consequences of legal bans on political parties? How do legal arrangements affect parties representing ethnic minorities? These and related questions are discussed and examined from both theoretical and empirical perspectives. By bringing together international experts from the disciplines of law and political science, this volume thus addresses from an interdisciplinary and comparative point of view what has long been a notable lacuna in the study of political parties.’

The volume includes a chapter I co-authored with Jaco van den Brink, entitled ‘The SGP Case: Did it Really (Re)Launch the Debate on Party Regulation in the Netherlands?

Order information:

Leiden University Press: http://www.lup.nl/product/regulating-political-parties/;

The University of Chicago Press: http://press.uchicago.edu/ucp/books/book/distributed/R/bo20133500.html;

Amazon: http://www.amazon.com/Regulating-Political-Parties-Democracies-Comparative/dp/9087282184.