Oordeel College voor de Rechten van de Mens over handenschudden evenwichtig en weloverwogen

hand-427509_1280

Een interview met premier Rutte in het Algemeen Dagblad (AD) van vandaag opent als volgt:

‘Het is voor premier Mark Rutte een perfect voorbeeld van wat absoluut niet kan in Nederland. ,,Bizar!!!” roept de VVD-lijsttrekker tot driemaal toe uit in het Torentje. Het gaat om de allochtone sollicitant die niet welkom was bij busbedrijf Qbuzz, omdat hij om geloofsredenen vrouwen geen handen geeft.

Het College van de Rechten van de Mens gaf de sollicitant onlangs gelijk: hij hoeft vrouwen geen hand te geven. Rutte: ,,Dat vind ik echt een bizarre uitspraak! Qbuzz heeft natuurlijk volkomen gelijk. Het kan toch niet zijn dat een chauffeur zegt: ik weiger vrouwen de hand te schudden, omdat het niet past bij mijn geloof? Dat is precies waarom ik in opstand kom en heel veel mensen in opstand komen. Want de norm hier is dat je elkaars handen schudt.”’

Zie voor een commentaar op deze uitspraken van premier Rutte, mede in het licht van eerder onderzoek: https://www.linkedin.com/pulse/oordeel-college-voor-de-rechten-van-mens-over-en-ten-napel?trk=pulse_spock-articles.

 

 

 

Artikel over kabinetsformatie 2012 in Tijdschrift voor Constitutioneel Recht (2013)

533

‘In een preadvies over kabinetsformaties constateert hoogleraar parlementaire geschiedenis Van Baalen dat er in de loop van de twintigste eeuw een ontwikkeling heeft plaatsgevonden waarbij de rol van de Tweede Kamer in het formatieproces geleidelijk is toegenomen. Binnen deze ontwikkeling onderscheidt Van Baalen vijf cruciale ‘gebeurtenissen’ waarin het parlement zijn positie heeft versterkt. Zo is het sinds 1939 onaanvaardbaar als een kabinet in spe geen (gedoog)steun vindt bij een Kamermeerderheid en is het sinds 1963 gewoonte dat de Kamerfracties van de politieke partijen die deel gaan nemen aan het kabinet, een regeerakkoord sluiten.

In het preadvies noemt Van Baalen ook twee manieren om de invloed van de Kamer op de kabinetsformatie verder te versterken. De eerste manier is de mildere variant die al enige tijd bestaat: de Kamer beraadslaagt in een debat over de verkiezingsuitslag, teneinde op deze wijze het initiatief te nemen in de kabinetsformatie (gecodificeerd in haar Reglement van Orde sinds 2010, door het voorstel Van der Ham en Duyvendak/Van Gent) of de Kamer draagt zelf een formateur voor bij het staatshoofd (sinds 1971 mogelijk door de motie-Kolfschoten).

De tweede manier om de invloed van de Tweede Kamer op de kabinetsformatie te vergroten is de reglementswijziging die in maart 2012 is doorgevoerd. Deze gaat verder omdat zij niet alleen de gehele formatieprocedure in handen van de Kamer legt, maar hiertoe – anders dan de hiervoor genoemde mogelijkheden – ook nog eens verplicht. Volgens Van Baalen is hiermee de parlementarisering van de kabinetsformatie voltooid: het is de laatste stap in de in 1939 begonnen toename van de rol van de Tweede Kamer gedurende het proces van kabinetsformatie.

In dit artikel wordt allereerst bezien hoe deze voltooiing van de parlementarisering van de kabinetsformatie, in de woorden van Van Baalen, is totstandgekomen. Vervolgens gaan wij na hoe de gewijzigde procedure bij de formatie van het kabinet-Rutte-II uitpakte. Tenslotte evalueren wij deze kabinetsformatie aan de hand van de gezichtspunten zoals deze in het debat over de reglementswijziging door de Kamer zelf zijn verwoord, waarbij ook de meer traditionele kritiek op de formatie aan de orde komt alsmede de vraag in hoeverre het huidige art. 139a RvOTK in de huidige redactie voor de komende jaren houdbaar is.’

Lees hier (onder ‘artikelen’) het artikel als geheel, dat ik samen schreef met J.A.H. Heijne en J.V. Veldwijk:

http://www.tvcr.nl/basis.aspx?Lid=2&Lit=VIEW&Query=TVCRU_Editions.Id=17.