Artikel in Liberaal Reveil (I)

Het nieuwste nummer van Liberaal Reveil is onder meer gewijd aan de Amerikaanse presidentsverkiezingen en de afgelopen Tweede Kamerverkiezingen in Nederland. Hierin staat ook een artikel van mijn hand, getiteld ‘Rel rond fastfoodketen Chick-fil-A laat zien: scheiding van kerk en staat niet langer grootste zorg in Amerika’.

Voor de inhoudsopgave van het nummer, zie http://teldersstichting.vvd.nl/nieuws/307/oktobernummer-liberaal-reveil-verschenen. Losse nummers zijn te bestellen voor 9,25, door een mail te sturen naar het secretariaat van de Teldersstichting (info@teldersstichting.nl) dan wel te bellen (070-3631948).

Hieronder volgen de eerste drie paragrafen van het artikel:

‘1. Inleiding

Wat heeft de rel rond de in kipproducten gespecialiseerde fastfoodketen Chick-fil-A van afgelopen zomer te zeggen over de mate van godsdienstvrijheid in de Verenigde Staten? Nadat eigenaar Dan Cathy van de keten zich in een interview had uitgesproken voor een traditionele, bijbelse opvatting over het huwelijk, dreigden burgemeesters van verschillende grote Amerikaanse steden als Boston en Chicago nieuwe vestigingen van de keten in hun steden te zullen weren. Kennelijk geldt de godsdienstvrijheid niet of in mindere mate voor zakenmensen en doen deze er in elk geval verstandig aan niet teveel uiting te geven aan hun religieuze opvattingen buiten de samenkomsten van, in dit geval, New Hope Baptist Church in Fayetteville, Ga.1)

Deze rel van nationale proporties laat zien dat, anders dan in Europa wel wordt aangenomen, in de Verenigde Staten niet langer het waarborgen van de scheiding van kerk en staat de grootste bron van zorg vormt. Veeleer gaat het erom een nieuw evenwicht te vinden tussen een zestal zogeheten ‘essentiële rechten en vrijheden’ van godsdienst. Behalve de scheiding van kerk en staat, betreft dit de vrijheid van geweten, religieus pluralisme, religieuze gelijkheid, het verbod van de verlening van een voorkeursstatus aan religie en de godsdienstvrijheid zelf.2) Het verdient bovendien opmerking dat de scheiding van kerk en staat volgens deze principes niet strikt hoeft of zelfs mag worden uitgelegd.

2. Het Eerste Amendement

De Verenigde Staten worden op godsdienstig terrein dikwijls geassocieerd met een strikte scheiding van kerk en staat. Helemaal ten onrechte is dat niet. De geschiedenis van het ontstaan van het land kan men immers tenminste gedeeltelijk interpreteren als de poging tot het maken van een nieuwe start van een heterogene groep vluchtelingen uit Europa, die met elkaar gemeen hadden dat zij te lijden hadden gehad onder de een of andere vorm van staatsreligie. Het lag dan ook voor de hand dat zij aan de andere zijde van de Atlantische Oceaan allesbehalve deze situatie wilden continueren. De opstellers van de Amerikaanse constitutie waren diep doordrongen van het feit dat ‘the church could do wrong’.3)

Toch beginnen hier direct reeds de complicaties. Onder degenen die zich nieuw vestigden in Amerika, bestonden namelijk de nodige verschillen van inzicht over de vraag hoe ver de scheiding van kerk en staat precies diende te gaan. Bepaalde stromingen, waaronder de Evangelicalen en Verlichtingsdenkers, wilden daarin beduidend verder gaan dan bijvoorbeeld de Puriteinen en de civiele republikeinen die religie in het algemeen en het Christendom in het bijzonder van fundamenteel belang achtten voor zowel het welzijn van de burgers als het goed functioneren van het democratische bestel.

Uiteindelijk leidde deze tamelijk bonte cocktail van opvattingen in 1791 tot het befaamde Eerste Amendement bij de Amerikaanse constitutie. Dat zegt weliswaar, dat de federale staat op geen enkele manier mag bijdragen aan een establishment van religie. Tegelijkertijd beklemtoont het echter hoe belangrijk de vrije uitoefening van iemands godsdienst is:

‘Congress shall make no law respecting an establishment of religion, or prohibiting the free exercise thereof (…).’

Uit deze formulering blijkt reeds dat de scheiding van kerk en staat niet het enige leerstuk is dat van belang is voor een goed begrip van de godsdienstige verhoudingen in de Verenigde Staten. Niet voor niets spreekt een gezaghebbend handboek van het eerdergenoemde samenstel van zes, nauw met elkaar samenhangende, ‘essentiële rechten en vrijheden’ van godsdienst.5) De vier hierboven onderscheiden groeperingen van civiele republikeinen, Evangelicalen, Puriteinen en Verlichtingsdenkers onderschrijven weliswaar van oudsher in beginsel al deze principes, maar verschillen van mening over hun relatieve gewicht.

3. Verschuivende kerk-staatverhoudingen

Als gevolg hiervan is het niet verwonderlijk, dat over de juiste balans tussen met name het verbod van de verlening van een nationale voorkeursstatus aan religie enerzijds en de vrije uitoefening daarvan anderzijds door de hele geschiedenis van de Verenigde Staten heen discussie is blijven bestaan en ook dat de balans nu eens naar de ene kant, dan weer naar de andere kant is doorgeslagen. Globaal kunnen in de Amerikaanse kerk-staatverhoudingen tenminste drie fasen worden onderscheiden.6)

Het verbod van de verlening van een voorkeursstatus aan religie dat in het Eerste Amendement is neergelegd, verhinderde niet dat er – mede onder invloed van de religieuze opwekkingsbeweging van de ‘Second Great Awakening’ (1790-1840), waaraan onder anderen de naam verbonden is van de Presbyteriaanse predikant Charles Finney – gedurende ruim 150 jaar na de aanname daarvan sprake zou zijn van een informele establishment van het (blanke) protestantisme. Dit kwam bijvoorbeeld tot uitdrukking in gebed en bijbellezing op de ‘common schools’ van de staat.

Aan deze periode van een informele voorkeursstatus kwam een einde na de Tweede Wereldoorlog. Dit valt onder andere af te lezen uit een serie uitspraken van het Amerikaanse Hooggerechtshof, waaronder Engel t. Vitale (1962) en Abington School District t. Schempp (1963). In deze twee beslissingen bepaalde het Hof met 8 tegen 1 stemmen, dat noch een door de staat geschreven gebed noch het Onze Vader en een bijbellezing onderdeel mochten uitmaken van het curriculum van door de overheid bestuurde en bekostigde scholen. In de eerste zaak oordeelde het Hof, dat als gevolg van het Eerste Amendement ‘in this country it is no part of the business of government to compose official prayers for any group of the American people to recite as a part of a religious program carried on by government’.7) Een jaar later stelde het Hof dat het bij het Onze Vader en een bijbellezing ging om ‘religious exercises, required by the States in violation of the command of the First Amendment that the Government maintain strict neutrality, neither aiding nor opposing religion’.8) Het feit dat deelname aan de godsdienstoefeningen op vrijwillige basis geschiedde, deed daarbij niet terzake.

Voor deze – thans definitieve – disestablishment van religie was in feite reeds de toon gezet in de uitspraak in de zaak Everson t. Board of Education uit 1947, waarin het Hof in algemene zin verklaarde dat ‘[n]o tax in any amount, large or small, can be levied to support any religious activities or institutions, whatever they may be called, or whatever form they may adopt to teach or practice religion. (…) In the words of Jefferson, the clause against establishment of religion by law was intended to erect “a wall of separation between Church and State”.’9)

In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw is vervolgens geleidelijk aan de vraag opgekomen of de constitutioneel op zichzelf gerechtvaardigde disestablishment van het protestantisme niet is doorgeslagen in een marginalisering van de publieke rol van het geloof in het algemeen.10) Daarmee zou er toch weer sprake zijn van de verlening van een voorkeursstatus, nu aan wat wel wordt aangeduid als het sectarisch secularisme. Het zijn bewegingen als de Moral Majority en Christian Coalition die er als geen ander in zijn geslaagd deze problematiek op de politieke agenda te krijgen en daarmee de derde fase in de Amerikaanse kerk-staatverhoudingen in te luiden. De titels van twee in de noten genoemde boeken geven de verschuiving fraai aan: respectievelijk The Naked Public Square (1984) en Religion Returns to the Public Square (2003).
De rel rond de fastfoodketen Chick-Fil-A kan enerzijds worden geïnterpreteerd als uitdrukking van deze nieuwe, vrijmoediger omgang met de rol van religie in het publieke domein, anderzijds als duidelijke indicatie van het ongemak waartoe dit aanleiding kan geven bij de waarschijnlijk mede als gevolg hiervan recentelijk eveneens in assertiviteit toegenomen seculiere stroming in de Amerikaanse samenleving. Ook de recente verontwaardiging onder Amerikaanse rooms-katholieke organisaties over de moeite die zij ervaren bij het verkrijgen van uitzonderingen op de aan te bieden pakketten in het kader van Obama’s zorgwetgeving voor onderdelen waartegen zij principiële bezwaren hebben, zoals abortus, sterilisatie en voorbehoedsmiddelen, vormt een duidelijke uitdrukking van de aanhoudende culture war.11)

Noten
1) Vgl. Ross Douthat, ‘Defining Religious Liberty Down’, The New York Times, 28 juli 2012.
2) Voor de essentiële rechten en vrijheden, zie John Witte Jr. & Joel A. Nichols, Religion and the American Constitutional Experiment (3rd ed.; Boulder, Colorado: Westview Press, 2011), hoofdstuk 3.
3) Marci A. Hamilton, ‘The Calvinist Paradox of Distrust and Hope at the Constitutional Convention’, in: Michael W. McConnell, Robert F. Cochran, Jr. en Angela C. Carmella (red.), Christian Perspectives on Legal Thought (New Haven & Londen: Yale University Press, 2001) 293-306, aldaar 301.
4) Voor de stromingen, zie Witte Jr. & Nichols, Religion and the American Constitutional Experiment, hoofdstuk 2.
5) Supra, noot 2.
6) Vgl. E.J. Dionne Jr., ‘Foreword’, in: Hugh Heclo en Wilfred M. McClay (red.), Religion returns to the public square. Faith and policy in America (Baltimore en Londen: The John Hopkins University Press, 2003) xi-xvii, aldaar xiii-xiv.
7) Engel t. Vitale, 370 U.S. 421, aldaar p. 425 (1962). Het gebed luidde: ‘Almighty God, we acknowledge our dependence upon Thee, and we beg Thy blessings upon us, our parents, our teachers and our country.’
8) Abington School District t. Schempp, 374 U.S. 203, aldaar p. 225 (1963).
9) Everson t. Board of Education, 330 U.S. 1, aldaar p. 16 (1947).
10) Vgl. Richard John Neuhaus, The naked public square. Religion and democracy in America (Grand Rapids, Michigan: William B. Eerdmans Publishing Company, 1984).
11) Vgl. United States Conference of Catholic Bishops, Ad Hoc Committee for Religious Liberty, ‘Our First, Most Cherished Liberty. A Statement on Religious Liberty’, http://www.usccb.org/issues-and-action/religious-liberty/our-first-most-cherished-liberty.cfm.

– wordt vervolgd –

Discussiebijdrage over rechtsvinding rond ritueel slachten (II)

In de onlangs verschenen derde aflevering van het Tijdschrift voor Constitutioneel Recht van dit jaar luidt de stelling: ‘Het verbod van ritueel slachten is een rechtmatige beperking van de godsdienstvrijheid’. Voor de stelling pleit mr. J.J.J. Sillen, universitair hoofddocent staats- en bestuursrecht aan de Radbouduniversiteit Nijmegen. Hieronder volgt het tweede en laatste deel van de reactie die ik schreef op zijn betoog (zie voor het eerste deel de blogpost van 8 augustus j.l.).

2. Het arrest Cha’are Shalom Ve Tsedek t. Frankrijk

Sillen vervolgt zijn bijdrage door te stellen dat de Raad van State uit het arrest-Cha’are ten onrechte afleidt dat een verbod op ritueel slachten het EVRM schendt. Nu noemt hij zelf, mede onder verwijzing naar andere auteurs, de argumentatie van het Hof in Cha’are reeds niet geheel ten onrechte ‘rommelig en weinig overtuigend’. Het lijkt dan ook niet bijster zinvol om als volgende in de rij hier mijn exegese van dit arrest te geven. Liever volsta ik met de constatering dat, behalve de Raad van State, bijvoorbeeld ook de eerdergenoemde Schrijver het arrest uitlegt als dat ritueel slachten aangemerkt dient te worden als ‘an essential aspect of the Jewish religion’.5) Zelfs Thieme erkende ten langen leste tijdens de Eerste Kamerbehandeling dat haar wetsvoorstel inbreuk maakt op de onder andere in artikel 9 EVRM verankerde godsdienstvrijheid, zij het niet wegens dit arrest.6) Maar dat is ook direct mijn punt: een dergelijke vaststelling kan, welbeschouwd, toch beter niet afhankelijk worden gemaakt van de interpretatie van een enkel – en dan nog minder gelukkig – arrest?

Verder zal de afwegingsruimte die Nederland bij de beoordeling van de noodzakelijkheid van een beperking van de godsdienstvrijheid in dit geval heeft, anders dan Sillen veronderstelt, beperkt zijn. Uit jurisprudentie van het EHRM blijkt immers dat dit het geval is wanneer, zoals in casu, de bescherming van religieus pluralisme in het geding is.7)

3. De slotsom van Sillen en wat deze duidelijk maakt

Sillen maakt ons deelgenoot van zijn persoonlijke twijfels terzake van de wenselijkheid van een verbod op onverdoofd ritueel slachten. Belangrijker is echter dat hij tot het juridische oordeel komt dat een dergelijk verbod verenigbaar is met zowel de Nederlandse Grondwet als het EVRM. Hij zou als parlementariër dan ook voor het oorspronkelijke voorstel hebben gestemd. Dit alles op basis van de in deze reactie langsgelopen punten, die ook bijeengenomen toch wel enigszins aan de oppervlakte blijven.

Wat zowel de persoonlijke twijfel van Sillen als de uitkomst van zijn juridische analyse duidelijk maken, is dat er voor alles behoefte is aan een theorie van het betreffende grondrecht van de godsdienstvrijheid. Noch de notie van het kernrecht noch de exegese van een enigszins dubbelzinnig arrest raken deze werkelijke kern van de zaak. Tevens is bezinning nodig op de zowel in het advies van de Raad van State als tijdens de parlementaire behandeling naar voren gekomen vraag of en zo ja in hoeverre dieren als rechtssubjecten kunnen worden beschouwd.8)

Wat het eerste punt betreft, tegen theorievorming over mensenrechten wordt hier te lande al snel vreemd aangekeken, anders dan in bijvoorbeeld de Verenigde Staten.9) Bovendien kan men ook onbewust wel degelijk van een bepaalde theorie uitgaan, zoals bijvoorbeeld die waarin het recht van elk individu om zijn of haar eigen levensbeschouwelijke keuzes te maken centraal staat. In de afgelopen periode heb ik, met andere auteurs, een tweetal eerste pogingen ondernomen een alternatieve theorie te ontwikkelen. De eerste poging had een rechtsfilosofisch karakter, de tweede was van meer rechtsvergelijkende aard.10)

Dit is niet de plaats om de in dit verband ontwikkelde gedachten en stellingen te herhalen. De geïnteresseerde lezer zij verwezen naar de in de noten vermelde stukken. Wel kan worden opgemerkt dat een koerswijziging in de benadering van de godsdienstvrijheid gewenst lijkt, mede met het oog op de stabiliteit van het democratisch bestel. De grootste zorg die het Nederlandse debat over het onverdoofd ritueel slachten oproept is dat dit leidt tot een vervreemding van levensbeschouwelijke minderheden van de democratische rechtsstaat in het algemeen en de mensenrechten in het bijzonder. Een constitutioneel bestel komt onherroepelijk onder druk te staan indien een consensus over de morele grondslagen ervan verregaand komt te ontbreken.

Noten

5) Handelingen I, 13 december 2011, pp. 2-3.

6) Ibidem, 72.

7) Vgl. Position Paper Contactorgaan Moslims en Overheid, Bescherming van dierenwelzijn vergt geen inbreuk op de vrijheid van godsdienst!, http://www.cmoweb.nl/UserFilesUpload/org_190/positionpaper.pdf, p. 16.

8) Vgl. bijvoorbeeld Kamerstukken II 2009/10, 31 571, nr. 4 (herdruk), pp. 1-2; Handelingen II, 17 februari 2011, p. 5.

9) Vgl. bijvoorbeeld Michael J. Perry, Toward a Theory of Human Rights. Religion, Law, Courts (Cambridge, etc.: Cambridge University Press, 2007).

10) Vgl. resp. Jaco van den Brink & Hans-Martien ten Napel, ‘Godsdienstvrijheid. Staat moet zich onthouden’, in: Het goede leven. Weekkrant voor denken, doen, geloven en genieten, x, nr. 39, 30 september-7 oktober 2011, 5; Florian H. Karim Theissen & Hans-Martien ten Napel, ‘Oprecht geloven in vrijheid. Bloemlezing van een grondrecht onder vuur’, in: Ars Aequi, LXI, nr. 3, 2012, 182-187.