Artikel ‘Klein verschil, grote gevolgen. Het arrest van de Hoge Raad in de SGP-zaak nader geduid’, in Wapenveld (2010)

IMG_1755

‘Op 9 april 2010 sprak de Hoge Raad uit dat de Nederlandse Staat verplicht is effectieve maatregelen te nemen om een einde te maken aan de onthouding van het passief kiesrecht aan vrouwen door de SGP. Dit terwijl de Raad van State op 5 december 2007 juist had geoordeeld dat van een daadwerkelijke beperking van het passief kiesrecht geen sprake is, nu vrouwen in Nederland van voldoende andere partijen lid kunnen worden die wel vrouwen kandideren voor vertegenwoordigende functies. Hoe kan het dat twee hoogste rechtscolleges in betrekkelijk korte tijd tot deels tegengestelde uitspraken komen en hoe in het bijzonder het recente arrest van de Hoge Raad nader te duiden?’

Over Wapenveld:

‘”Wapenveld is een blad waarin gedacht wordt vanuit de kern van het christelijk geloof. Deze kern ziet in Wapenveld wijd. In aflevering op aflevering wordt een veelvoud van thema’s op het terrein van kerk, theologie en samenleving belicht. Wapenveld is een kwaliteitsblad. Neem het en lees het.” Dat zegt Arjan Plaisier, scriba van de Protestantse Kerk in Nederland. Lees hier wat anderen vinden van Wapenveld.’

Voor het artikel, zie:

https://www.researchgate.net/publication/46388254_Klein_verschil_grote_gevolgen_Het_arrest_van_de_Hoge_Raad_in_de_SGP-zaak_nader_geduid;

https://openaccess.leidenuniv.nl/handle/1887/15970;

http://wapenveldonline.nl/artikel/953/klein-verschil-grote-gevolgen/.

Opinieartikel ‘Over koning moeten we dóórdenken’ (2000)

trouw_logo

Zelfs als je het eens bent met de bezwaren tegen het koningschap, erfelijkheid en onschendbaarheid, is het nog niet nodig direct voor een republiek te zijn. Het kan heel democratisch zijn een ondemocratisch element als het koningschap te handhaven.

Op de dag van de boekpresentatie van ‘Macht verloren, gezag versterkt. Historische en staatsrechtelijke opmerkingen over het koningschap in Nederland’ van de hand van J.Th.J. van den Berg, een opiniestuk over dit onderwerp dat ik schreef in 2000:

http://www.trouw.nl/tr/nl/5009/Archief/article/detail/2500096/2000/11/24/Over-koning-moeten-we-doordenken.dhtml.

Co-auteur, boek Juridische betekenis en reikwijdte van het begrip ‘rechtsstaat’ in de legisprudentie & jurisprudentie van de Raad van State’ (2011)

images

Lees hier het Woord vooraf van de toenmalige vice-president van de Raad van State, mr. H.D. Tjeenk Willink:

‘Woord vooraf

De studie die hier voorligt van de hand van mevrouw prof. mr. J.H. Gerards, prof. dr.W.J.M.Voermans, mr. dr. M.L. van Emmerik en dr. H.-M.Th.D.Ten Napel over de rechtsstaat, tot stand gebracht onder auspiciën van het Instituut voor Publiekrecht van de Universiteit Leiden, vormt de vierde uitgave in de serie ‘Studies en rapporten van de Raad van State’. Deze ‘Studies en rapporten’ brengen aspecten in het werk van de Raad en zijn beide Afdelingen voor het voetlicht die voor dat werk van bijzonder gewicht zijn.

De rechtsstaat vormt niet alleen het fundament van het Nederlandse staatsbestel, maar ook van het werk van de Raad van State.Tegelijkertijd is het begrip rechtsstaat “maar moeilijk te vangen”, zoals de auteurs opmerken aan het begin van het hoofdstuk waarin zij de notie van de rechtsstaat in Nederland, de Europese Unie en de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bespreken. Deze moeilijkheid heeft hen er evenwel niet van weerhouden handzame schema’s te ontwikkelen voor de analyse van het gebruik van rechtsstatelijke begrippen in de legisprudentie en de jurisprudentie van de Raad van State.

De studie wordt uitgegeven onder de naam van de auteurs. De inhoud blijft voor hun rekening en geeft niet noodzakelijkerwijs het standpunt van de Raad van State weer.

Oud-staatsraad prof. mr. E.A. Alkema en prof. mr. E.C.M. Jurgens, die een klankbord vormden voor de onderzoekers, dank ik voor hun inzet bij de totstandkoming van deze studie, alsmede de begeleidingsgroep vanuit het Constitutioneel Beraad van de Raad van State onder voorzitterschap van de voorzitter van het Beraad, staatsraad Van Dijk en met als leden de staatsraden Schuyt en Vermeulen en de secretaris van het Beraad, mevrouw dr. H.J.Th.M. van Roosmalen.

De auteurs dank ik voor het vele werk dat zij hebben verzet. Met het resultaat wens ik alle betrokkenen van harte geluk. Naar mijn hoop en overtuiging zullen de observaties van de onderzoekers bijdragen aan de explicitering en consistentie van de hantering van het rechtsstaatbegrip bij de uitoefening van de beide hoofdtaken van de Raad.

Ik spreek de wens uit dat deze nieuwe uitgave in de serie ‘Studies en rapporten’ de lezer veel genoegen en inspiratie verschaft.

H.D.Tjeenk Willink
vice-president’

Voor een downloadbare versie van het rapport, alsmede bestelinformatie, zie:

https://www.raadvanstate.nl/publicaties/publicaties.html.

Discussiebijdrage over rechtsvinding rond ritueel slachten (I)

In de zojuist verschenen derde aflevering van het Tijdschrift voor Constitutioneel Recht van dit jaar luidt de stelling: ‘Het verbod van ritueel slachten is een rechtmatige beperking van de godsdienstvrijheid’. Voor de stelling pleit mr. J.J.J. Sillen, universitair hoofddocent staats- en bestuursrecht aan de Radbouduniversiteit Nijmegen. Hieronder volgt het eerste deel van de reactie die ik schreef op zijn betoog (de betreffende aflevering komt pas over enige tijd digitaal beschikbaar via http://www.tvcr.nl/). Hopelijk worden de door Sillen in zijn betoog gemaakte punten voldoende duidelijk uit de context.

Kritiek Sillen op rechtsvinding rond ritueel slachten raakt niet de kern

In hetgeen volgt ga ik in op de twee kwesties die Joost Sillen aansnijdt in zijn reactie op de hem door de redactie voorgelegde stelling: ‘Het verbod op ritueel slachten is een rechtmatige beperking van de godsdienstvrijheid?’ Dat zijn respectievelijk de Grondwet en de kern van de godsdienstvrijheid en het EVRM en het arrest Cha’are. Vervolgens bespreek ik kort de slotsom waartoe deze overwegingen Sillen brengen en wat deze duidelijk maakt.

1. De kwestie van het kernrecht

Sillen verwondert zich over de eigenzinnige rechtsvinding van bijvoorbeeld de Raad van State, wanneer wordt betoogd dat een verbod op ritueel slachten onrechtmatig zou zijn. Hij beaamt dat de onverdoofde rituele slacht onder de reikwijdte van artikel 6, eerste lid, Gw. valt, hetgeen mij winst lijkt. Sillen neemt echter aanstoot aan het feit dat de Raad voor een rechtmatige beperking van de hierin neergelegde vrijheid van godsdienst onder meer als materiële eis stelt dat deze de kern van het grondrecht eerbiedigt. Aangezien het wetsvoorstel-Thieme niet aan deze eis voldoet, beoordeelt de Raad het als ongrondwettig. Ook de argumentatie die ten grondslag ligt aan het stellen van deze eis, bevredigt Sillen niet.

Ik kan in deze kritiek, zeker ook na kennisname van het artikel van Nieuwenhuis in de vorige aflevering van dit tijdschrift, wel meegaan. Nieuwenhuis kwam in dat artikel, na bestudering van de Duitse doctrine en de jurisprudentie van zowel het Bundesverfassungsgericht als het EHRM, immers tot de conclusie dat ‘rond het kernrecht een grote mate van onduidelijkheid bestaat’.1)

Zelf had ik reeds mijn bezwaren over de toepassing van de kernrechtbenadering door het gerechtshof in de SGP-zaak, waarnaar ook Sillen verwijst. De omschrijving van de kern van de godsdienstvrijheid als ‘de bescherming van de persoonlijke geloofsovertuiging alsmede de handelingen die daarmee nauw verbonden zijn’ (r.o. 6.6) noemde ik toen aan de magere kant en bovendien lastig hanteerbaar in de praktijk. Waarom – zo vroeg ik mij af – zou immers een visie op de scheppingsorde, waaruit het vrouwenstandpunt blijkens artikel 7 van het Program van Beginselen van de SGP voortvloeit, daar niet toe behoren, maar integendeel in het gunstigste geval tot de buitenste schil dienen te worden gerekend? Omgekeerd moest naar mijn oordeel worden betwijfeld of het verbod van discriminatie terzake van het passief kiesrecht nu juist wel in de kern wordt geraakt, zoals het Hof in r.o. 6.15 als uitgangspunt van zijn belangenafweging koos, indien in één partij vrouwen die daarvan op vrijwillige basis lid zijn zich niet kunnen kandideren voor een vertegenwoordigende functie.2)

Het zou dan wat opportunistisch zijn om thans de kernrechtbenadering bij de grondrechten toe te juichen, nu de Raad van State tot een mij welgevallige toepassing komt. Bovendien illustreert Sillen in zijn stuk ten overvloede welke risico’s er aan kleven door, via een op zichzelf niet eens zo vreemde redenering, tot een wat mij betreft onwenselijke conclusie te komen. Hij wil, in het geval van kernrechtbescherming, de te beschermen kern binnen de perken houden. Daarbij komt hij tot de omschrijving van de kern van een grondrecht als ‘dat handelen of nalaten zonder welk de uitoefening van het grondrecht onmogelijk is’. So far, so good. Maar vervolgens blijkt de deelname aan een (katholieke) Sacramentsprocessie niet tot de kern te behoren, aangezien daartoe geen religieuze plicht bestaat, en – erger – het ritueel slachten evenmin, want joden en islamieten hoeven als zij vegetariër worden helemaal geen vlees te eten. Ik betreur eigenlijk dat deze laatste, wat frivole redenering aan het papier van dit tijdschrift is toevertrouwd, ook al is Sillen dus persoonlijk evenmin een voorstander van de kernrechtbenadering. Daarvoor lijkt mij de zaak waarover het gaat te serieus.

Niet aan beginnen dus, die kernrechtbenadering. Laten we blijven bij de afwijzing ervan door de Grondwetgever van 1983 en door het thans demissionaire kabinet, naar aanleiding van een voorstel van de Staatscommissie-Grondwet.3) Vriend en vijand waren het erover eens dat tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel-Thieme, de bijdrage van Nico Schrijver (PvdA) in de Eerste Kamer er in kwalitatief opzicht uitsprong. Het is veelzeggend dat hij in zijn betoog de argumentatie van het kernrecht in het geheel niet nodig heeft en er dientengevolge slechts summier naar verwijst.4)

Noten

1) A.J. Nieuwenhuis, ‘De kernrechtbenadering bij de grondrechten’, in: Tijdschrift voor Constitutioneel Recht, III, nr. 2, april 2012, 138-159, aldaar 155.

2) Hans-Martien ten Napel, ‘Staat, SGP en Vrouwenverdrag: zoveel colleges, zoveel visies’, in: NJCM-Bulletin, 33, nr. 2, maart 2008, 221-229. – Noot bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 5 december 2007 (LJN-nr.: BC0619) en Gerechtshof ’s-Gravenhage, 20 december 2007 (LJN-nr.: BC 0619), aldaar 224.

3) A.J. Nieuwenhuis, ‘De kernrechtbenadering bij de grondrechten’, p. 139.

4) Handelingen I, 13 december 2011, p. 3.