Expertisecentrum Politieke Legitimiteit

‘Het Expertisecentrum Politieke Legitimiteit is per 2017 in het leven geroepen om het aanbod van onderzoeksthema’s en -vaardigheden van wetenschappers uit Leiden en Den Haag beter te laten aansluiten bij de vraag vanuit overheden, maatschappelijke instanties en bedrijven. Het centrum biedt bemiddeling en begeleiding bij het uitvoeren van vraaggestuurd (contract)onderzoek naar politieke legitimiteit in theorie en praktijk, in binnen- en buitenland.

De Universiteit Leiden heeft op vier faculteiten (waarvan drie in Leiden en één in Den Haag) een indrukwekkende expertise in huis op het gebied van ‘politieke legitimiteit’. Onze onderzoekers houden zich bijvoorbeeld bezig met internationale conflictoplossing, de positie van veiligheidsdiensten, democratische vernieuwing, de toekomst van politieke partijen, de legitimiteit van de rechterlijke macht, enzovoort.

Deze onderzoekers zijn sinds 2010 samengebracht binnen het profileringsgebied Politieke Legitimiteit, waarin de Universiteit Leiden hen heeft gestimuleerd om vernieuwend, vaak multi- en interdisciplinair onderzoek te doen. Het actieve netwerk dat hiervan het resultaat is, en dat zich over de vier faculteiten uitstrekt, heeft per 2017 een expertisecentrum voortgebracht.

Het Expertisecentrum

Het Expertisecentrum Politieke Legitimiteit heeft als doel om de maatschappelijke vraag naar wetenschappelijk onderzoek in kaart te brengen en actief vraaggericht onderzoek op te zetten, in samenwerking met enerzijds de onderzoekers en anderzijds maatschappelijke en overheidsinstanties die behoefte hebben aan nieuw onderzoek naar (onderwerpen gelieerd aan) politieke legitimiteit. Het expertisecentrum bemiddelt in het opstellen van aanvragen en onderzoeksopdrachten om de samenwerking tussen opdrachtgever en uitvoerende onderzoeker(s) te vergemakkelijken. De coördinatie van het centrum is in handen van prof. dr. Wim Voermans (Staats- en Bestuursrecht) en dr. Geerten Waling (Politieke Wetenschap).

Meer informatie

Download onze brochure (pdf) voor een uitgebreide toelichting en voorbeelden. Voor meer informatie: g.h.waling@fsw.leidenuniv.nl.’

Bron: https://www.universiteitleiden.nl/research-focus-areas/politieke-legitimiteit/expertisecentrum-politieke-legitimiteit.

Lezing: ‘Why Religous Freedom?’ op 7 april a.s.

UPDATE: Professor Neville Rochow SC is helaas verhinderd, de lezing van Prof. Scharffs gaat gewoon door.

‘Het Centrum voor Religie en Recht en het onderzoekersnetwerk Religie en Recht nodigen u graag uit voor een vrijdagmiddaglezing op 7 april 2017 met als spreker professor Brett Gilbert Scharffs, Francis R. Kirkham Professor of Law and Associate Dean for Research and Academic Affairs at the J. Reuben Clark Law School of Brigham Young University (BYU), daar is hij ook Associate Director of the International Center for Law and Religion Studies.

Het onderwerp van de lezing van professor Scharffs zal zijn: ‘Why Religious Freedom? Why the Religiously Committed and the Religiously Indifferent Should Care’. Voorafgaand aan de lezing zal professor Neville Rochow SC een korte inleiding geven over het werk van eerdergenoemd centrum waaraan hij als Senior International Fellow verbonden is. Professor Rochow is European Union Government Relations Representative van The Church of Jesus Christ of Latter-day Saints in Brussel, en daarnaast onder meer lid van het bestuur van de Research Unit for the Study of Society, Law and Religion aan Adelaide Law School, Australië. De bijeenkomst begint om 15.00 uur (14.30 uur inloop). Op de website van het Centrum voor Religie en Recht (www.religie-recht.nl) treft u de exacte locatie en routebeschrijving aan. De bijeenkomst wordt om 16.30 uur afgesloten met een netwerkborrel.

De voertaal van de lezing is Engels.’

Voor de bron, en meer informatie (waaronder een flyer), zie: http://centre-religion-law.org/en/actueel/50-lezing-why-religous-freedom-9-april.

Bijdrage ‘Onthoud de PVV het initiatief in de kabinetsformatie’ in Nederlands Juristenblad

human-rights-1714496_960_720

Bij de a.s. Tweede-Kamerverkiezingen is de, op afstand, belangrijkste vraag of de PVV als grootste uit de stembus zal komen. Als dat het geval is, ligt het volgens staatkundige conventie in de rede dat de Tweede Kamer deze partij ook het initiatief zal geven in de kabinetsformatie. Overigens is het ook denkbaar dat, al dan niet op suggestie van de PVV, ‘alleen’ een persoon wordt aangezocht die de mogelijkheid van een kabinet met deelname van de PVV gaat onderzoeken. In beide gevallen is het, hoewel vooralsnog onwaarschijnlijk, denkbaar dat op enig moment daadwerkelijk een dergelijk kabinet wordt geformeerd.

Politiek columnist Hans Goslinga heeft zich uitgesproken tegen een dergelijk scenario. Hij stelt, dat het een ‘wezensvreemde figuur’ zou opleveren indien de antisysteempartij PVV het voortouw zou krijgen bij de machtsvorming op nationaal niveau. Emeritus hoogleraar parlementaire geschiedenis en parlementair stelsel J.Th.J. van den Berg, daarentegen, wijst erop dat er tijdens kabinetsformaties vanouds nu eenmaal ‘verplichte figuren’ moeten worden gemaakt, al was het maar om mogelijkheden te elimineren. De vraag is echter of een verdergaande ‘normalisering’ van de PVV, die hiervan het gevolg zou zijn, wel gewenst is.

Lees mijn eigen antwoord op deze vraag hier:

Democratie: Verkiezingen, vertegenwoordiging en parlementair stelsel – 32 denkrichtingen

Oordeel College voor de Rechten van de Mens over handenschudden evenwichtig en weloverwogen

hand-427509_1280

Een interview met premier Rutte in het Algemeen Dagblad (AD) van vandaag opent als volgt:

‘Het is voor premier Mark Rutte een perfect voorbeeld van wat absoluut niet kan in Nederland. ,,Bizar!!!” roept de VVD-lijsttrekker tot driemaal toe uit in het Torentje. Het gaat om de allochtone sollicitant die niet welkom was bij busbedrijf Qbuzz, omdat hij om geloofsredenen vrouwen geen handen geeft.

Het College van de Rechten van de Mens gaf de sollicitant onlangs gelijk: hij hoeft vrouwen geen hand te geven. Rutte: ,,Dat vind ik echt een bizarre uitspraak! Qbuzz heeft natuurlijk volkomen gelijk. Het kan toch niet zijn dat een chauffeur zegt: ik weiger vrouwen de hand te schudden, omdat het niet past bij mijn geloof? Dat is precies waarom ik in opstand kom en heel veel mensen in opstand komen. Want de norm hier is dat je elkaars handen schudt.”’

Zie voor een commentaar op deze uitspraken van premier Rutte, mede in het licht van eerder onderzoek: https://www.linkedin.com/pulse/oordeel-college-voor-de-rechten-van-mens-over-en-ten-napel?trk=pulse_spock-articles.

 

 

 

Nieuwe aflevering Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid (2016/2) / New Issue, Journal for Religion, Law and Policy

Tijdschrift voor Recht, Religie en Beleid

Redactioneel

Hulp gevraagd maar handen af

Auteurs Maurits Berger
Maurits Berger
Artikel

Religieuze instellingen en de participatiesamenleving

Trefwoorden scheiding van kerk en staat, Participatiemaatschappij, religie, Verzorgingsstaat
Auteurs Drs. Gert-Jan Buitendijk, Prof. dr. Christoph Hübenthal, Prof. dr. Frans Wijsen e.a.
SamenvattingAuteursinformatie
The Dutch policy of the ‘Participation Society’ intends to return many societal responsibilities to civil society. As religious organizations traditionally had undertaken that task, an increase in their participation is expected. However, the separation of state and religion often proves an obstacle. Also, there is quite some scepticism among religious organization regarding the role that a state should have in its caring duties. This contribution contains several insightful and critical articles on this subject: the introduction is by Gert-Jan Buitendijk, director-general with the Ministry of Interior, who is involved in the policy-making process of the Participation Society policy, followed by brief reflections by two scholars of religion and theology, and two representatives of the Islamic and Catholic communities. These contributions were the outcome of a lustrum symposium organized by the Journal for Religion, Law and Policy in november 2015, where academics, policy makers and representatives of religious organizations discussed the effects of the ‘Participation Society’ policies and laws in the Netherlands.
Drs. Gert-Jan Buitendijk
Drs. G-J Buitendijk is vanaf 1 april 2016 directeur-generaal Bestuur en Wonen op het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en voordien vanaf 2011 directeur-generaal Bestuur en Koninkrijksrelaties. Hij was van 1992-1995 verbonden aan de Erasmus Universiteit en werkt sinds 1995 bij de rijksoverheid, eerst bij het ministerie van Financiën en vanaf 2006 bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Van 1998 tot eind 2006 was hij tevens wethouder in Strijen.
Prof. dr. Christoph Hübenthal
Prof. dr. C.W. Hübenthal is hoogleraar Systematische theologie aan de Faculteit der Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen van de Radboud Universiteit. Hij studeerde theologie, filosofie en sportwetenschap aan de Eberhard-Karls-Universität Tübingen en promoveerde daar ook.
Prof. dr. Frans Wijsen
Prof. dr. Wijsen is hoofd van de afdeling Empirische en praktische religiewetenschap en vice-decaan aan de Faculteit der Filosofie, Theologie en Religiewetenschappen van de Radboud Universiteit.
Drs. Marianne Vorthoren
Drs. M.H. Vorthoren is sinds 2001 werkzaam bij Stichting Platform Islamitische Organisaties Rijnmond (SPIOR), de regionale koepelorganisatie van moskeeën en sociaal-culturele islamitische organisaties, sinds 2012 als directeur. Daarnaast is ze voorzitter van de Stichting Veelkleurige Religies Rotterdam, van waaruit verschillende praktische activiteiten voor interreligieuze ontmoeting worden georganiseerd, met name bezoeken aan de diversiteit van gebedshuizen in Rotterdam.
Dr. Erik Sengers
Dr. E. Sengers is godsdienstsocioloog en theoloog, en werkt als stafmedewerker voor de Dienst Caritas van het bisdom Haarlem-Amsterdam. Sengers is docent in het hoger onderwijs en publicist over vraagstukken betreffende religie en samenleving/caritaswetenschap/christelijke sociale leer. Eerder was hij voorzitter van de WMO Adviesraad in het stadsdeel Amsterdam-Zuidoost.
Artikel

Nederland en kinderhuwelijken

Trefwoorden kinderhuwelijken, informele huwelijken, religieuze huwelijken, gedwongen huwelijken
Auteurs Prof. dr. Susan Rutten
SamenvattingAuteursinformatie
Current developments and recent research findings reveal that the Netherlands have to cope with the existence of child marriages. In this article it will be examined whether the modifications that were introduced by the Dutch marriage law that entered into force at the end of 2015, can be expected to contribute to the improvement of issues on child marriages.
Prof. dr. Susan Rutten
Prof. dr. S.W.E. Rutten is bijzonder hoogleraar Islamitisch familierecht in een Europese context aan de Universiteit Maastricht.
Artikel

Een kerk spreekt zich uit over de democratische rechtsstaat

Trefwoorden democratische rechtsstaat, kerk/religie, godsdienstvrijheid,, publiek domein, Verlichting
Auteurs Prof. dr. Leo Koffeman
SamenvattingAuteursinformatie
This article presents a summary of a report of the (mainline) Protestant Church in the Netherlands on democracy and the rule of law (see: www.protestantsekerk.nl/Lists/PKN-Bibliotheek/The-church-and-the-democratic-constitutional-state.pdf), including an evaluation. It starts from the presumption that modern plural society rightly expects religious communities to present their views in this regard explicitly and clearly. The report presents an interpretation of what ‘the separation of church and state’ entails, as well as an analysis of recent developments in the public domain. The church expresses its critical solidarity with the modern state. It points to the risk of democracy turning into a market rather than a forum.
Prof. dr. Leo Koffeman
Prof. dr. L.J. Koffeman is buitengewoon hoogleraar Kerkrecht aan de theologische faculteit van de Universiteit van Stellenbosch (Zuid-Afrika). Hij is sinds september 2015 emeritus hoogleraar Kerkrecht en oecumene van de Protestantse Theologische Universiteit (Amsterdam), en is tevens verbonden aan de theologische faculteit van de Universiteit van Pretoria (Zuid-Afrika).
Artikel

Paus Benedictus XVI: onvermoed rechtsfilosoof?

Trefwoorden Rechtsfilosofie, paus Benedictus XVI, achtergrondcultuur, Rechtspositivisme
Auteurs Mr. dr. Richard Steenvoorde
SamenvattingAuteursinformatie
During his pontificate pope Benedict XVI held five important speeches on democracy and law. In a new study, edited by Marta Cartabia and Andrea Simonici, it is argued that these speeches constitute a papal legal philosophy on the foundation of law. This book review explores that claim. Did emeritus pope Benedict XVI have a distinctive legal philosophy? May be, but the material covered in the book might not be enough to fully support the status of pope Benedict XVI as a legal philosopher. What is needed is a more integral study that includes other papal statements on the principles of law (for instance to the Roman Rota) on the one hand, and the work of the theologian Joseph cardinal Ratzinger before he became pope Benedict XVI on the other hand.
Mr. dr. Richard Steenvoorde
Mr. dr. R.A.J. Steenvoorde O.P. is lid van de Orde der Predikers (dominicanen) en woont en werkt in Oxford (Blackfriars Hall). Hiervoor was hij onder andere secretaris van het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken (CIO) en jurist ad extra voor het Secretariaat van de Rooms Katholieke Kerk in Nederland.
Artikel

Conservatisme onder Nederlandse evangelische christenen: een hedendaagse ‘religion gap’?

Trefwoorden economisch conservatisme, cultureel conservatisme, orthodoxe christenen, pro life issues
Auteurs Dr. Paul Vermeer, Prof. dr. Peer Scheepers en Drs. Joris Kregting
SamenvattingAuteursinformatie

Opinieartikel, ‘De staat moet zich niet bemoeien met religieuze praktijken’ (2011)

fdlogo

‘We zijn geneigd om de overheid op allerlei manieren te laten ingrijpen in religieuze praktijken. Hierdoor dreigt de godsdienstvrijheid een lege huls te worden.

Lees hier het hele artikel, dat ik samen schreef met Jaco van den Brink:

https://www.researchgate.net/publication/254888497_De_staat_moet_zich_niet_bemoeien_met_religieuze_praktijken;

https://openaccess.leidenuniv.nl/handle/1887/17928.

Over het Friesch Dagblad:

‘Een christelijke, regionale krant waarbij de kijk op de journalistiek wordt bepaald en gevoed door christelijke normen en waarden. Binnen het Friesch Dagblad wordt gewerkt vanuit een overtuiging aangaande God, mens en wereld. In het verlengde daarvan ziet het Friesch Dagblad het als zijn roeping al zijn journalistieke arbeid in dienst te stellen van het goede, onder meer in termen van geloof & levensbeschouwing, duurzaamheid (zorg voor de wereld), samenleving en rechtvaardigheid, met een speciale belangstelling voor de regio.’

Bron: http://www.frieschdagblad.nl/index.asp?_ga=1.183229926.1535370535.1456318815.

 

Bijdrage aan bundel Religie als bron van sociale cohesie in de democratische rechtsstaat (2005)

Unknown

‘Terugblikkend op de laatste paar decennia zien we een scherp toegenomen secularisering, ontkerkelijking en ontzuiling van de Nederlandse samenleving, maar ook een toenemend zichtbaar en merkbaar worden van de religieuze pluriformiteit binnen deze samenleving. Met name de opkomst van de islam als snelstgroeiende godsdienst in Nederland is opmerkelijk. Die opkomst gaat gepaard met spanningen in een samenleving die zelf hoe langer hoe meer vervreemd raakt van haar religieuze wortels en die steeds minder bekwaam lijkt in haar omgang met godsdienst.
De opkomst van de islam heeft ons in verlegenheid gebracht over de spirituele wortels en bronnen van samenleving en staat. Alom klinkt dan ook de roep om herstel van normen en waarden. Maar welke waarden en normen moeten dat zijn? Waarop zijn ze gefundeerd? Wat is hun uiteindelijke anker-punt? Nu de secularisering in feite “voltooid” is en we de secularisering zelfs al voorbij lijken te zijn, wordt de vraag actueel of we in deze post-geseculariseerde situatie nog wel uit de voeten kunnen met liberale concepten als godsdienstvrijheid en scheiding tussen kerk en staat alleen?

Veronderstelt een goed functionerende democratische rechtsstaat niet een geestelijke dimensie, een dimensie die nu juist geboden kan worden door godsdienst? Dient juist het verschijnsel godsdienst niet veel serieuzer genomen te worden? Is juist godsdienst niet de vindplaats van deugden en fungeert godsdienst niet als het overbrengingsmechanisme van die deugden op volgende generaties? Bevordert juist godsdienst niet de sociale cohesie in een samenleving en creëert zij niet de voorwaarden voor een effectieve én legitieme rechtsstaat?
Dit is een boek in de Meijersreeks. De reeks valt onder de verantwoordelijkheid van het E.M. Meijers Instituut voor Rechtswetenschappelijk Onderzoek van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Leiden. Het boek maakt onderdeel uit van het interfacultaire programma “Sociale cohesie en multiculturaliteit”.’

Mijn eigen bijdrage aan deze bundel, geredigeerd door B. Labuschagne, is getiteld ‘Tussen hoop en wantrouwen. De actualiteit van het protestantse denken over de verhouding tussen godsdienst en staat’: https://openaccess.leidenuniv.nl/handle/1887/13333.

Zie over de presentatie van de bundel met minister Verdonk voor Vreemdelingenzaken en Integratie:

http://www.leidenuniv.nl/nieuwsarchief2/396.html.

Bestelinformatie van de bundel:

http://www.bol.com/nl/p/religie-als-bron-van-sociale-cohesie-in-democratische-rechtsstaat/1001004002483739/?country=BE.

Bijdrage aan bundel Ongewenste goden. De publieke rol van religie in Nederland (2006)

ongewenste-goden

‘Religie is een nieuwe scheidslijn in politiek en samenleving. Dat is het cruciale thema van Ongewenste goden. Kunnen we de scheiding van kerk en staat en de godsdienstvrijheid handhaven in een maatschappij die meer en meer multireligieus wordt?

De spanningen in immigratieland Nederland spitsen zich toe op de rol van religie in het openbare leven. Moslims zullen pas in Nederland integreren als hun godsdienst niet meer als een sta-in-de-weg fungeert, heet het. De gematigde kritiek houdt in dat de islam in het Westen de waarden moet absorberen die de vrijheid van het individu waarborgen. Radicaler is het denkbeeld dat moslims die hier willen leven hun religie moeten opgeven. In het spoor van deze islamkritiek zijn ook het christendom en andere religies onder vuur komen te liggen als achterlijke relicten uit onverlichte tijden.

De vrijheid van godsdienst, van onderwijs en van vereniging is dan aan een drastische herdefiniëring toe. Andere stemmen in het debat benadrukken juist de onmisbaarheid van religie voor de moraal en de gemeenschapszin.’

Mijn eigen bijdrage, getiteld ‘Culturele verscheidenheid is het wezen van de schepping. Een oneigentijds pleidooi van de Verenigde Naties voor een multiculturele politiek’, valt hier te raadplegen: https://openaccess.leidenuniv.nl/bitstream/handle/1887/15112/Ongewenste+goden1.pdf%3bjsessionid=6D4B7845195E385AD9ED052CE2FB9DAB?sequence=2.

Bestelinformatie van de bundel als geheel, verschenen onder redactie van Marcel ten Hooven en Theo de Wit:

http://www.bol.com/nl/p/ongewenste-goden/1001004002729397/.

 

 

Discussiebijdrage over rechtsvinding rond ritueel slachten (II)

In de onlangs verschenen derde aflevering van het Tijdschrift voor Constitutioneel Recht van dit jaar luidt de stelling: ‘Het verbod van ritueel slachten is een rechtmatige beperking van de godsdienstvrijheid’. Voor de stelling pleit mr. J.J.J. Sillen, universitair hoofddocent staats- en bestuursrecht aan de Radbouduniversiteit Nijmegen. Hieronder volgt het tweede en laatste deel van de reactie die ik schreef op zijn betoog (zie voor het eerste deel de blogpost van 8 augustus j.l.).

2. Het arrest Cha’are Shalom Ve Tsedek t. Frankrijk

Sillen vervolgt zijn bijdrage door te stellen dat de Raad van State uit het arrest-Cha’are ten onrechte afleidt dat een verbod op ritueel slachten het EVRM schendt. Nu noemt hij zelf, mede onder verwijzing naar andere auteurs, de argumentatie van het Hof in Cha’are reeds niet geheel ten onrechte ‘rommelig en weinig overtuigend’. Het lijkt dan ook niet bijster zinvol om als volgende in de rij hier mijn exegese van dit arrest te geven. Liever volsta ik met de constatering dat, behalve de Raad van State, bijvoorbeeld ook de eerdergenoemde Schrijver het arrest uitlegt als dat ritueel slachten aangemerkt dient te worden als ‘an essential aspect of the Jewish religion’.5) Zelfs Thieme erkende ten langen leste tijdens de Eerste Kamerbehandeling dat haar wetsvoorstel inbreuk maakt op de onder andere in artikel 9 EVRM verankerde godsdienstvrijheid, zij het niet wegens dit arrest.6) Maar dat is ook direct mijn punt: een dergelijke vaststelling kan, welbeschouwd, toch beter niet afhankelijk worden gemaakt van de interpretatie van een enkel – en dan nog minder gelukkig – arrest?

Verder zal de afwegingsruimte die Nederland bij de beoordeling van de noodzakelijkheid van een beperking van de godsdienstvrijheid in dit geval heeft, anders dan Sillen veronderstelt, beperkt zijn. Uit jurisprudentie van het EHRM blijkt immers dat dit het geval is wanneer, zoals in casu, de bescherming van religieus pluralisme in het geding is.7)

3. De slotsom van Sillen en wat deze duidelijk maakt

Sillen maakt ons deelgenoot van zijn persoonlijke twijfels terzake van de wenselijkheid van een verbod op onverdoofd ritueel slachten. Belangrijker is echter dat hij tot het juridische oordeel komt dat een dergelijk verbod verenigbaar is met zowel de Nederlandse Grondwet als het EVRM. Hij zou als parlementariër dan ook voor het oorspronkelijke voorstel hebben gestemd. Dit alles op basis van de in deze reactie langsgelopen punten, die ook bijeengenomen toch wel enigszins aan de oppervlakte blijven.

Wat zowel de persoonlijke twijfel van Sillen als de uitkomst van zijn juridische analyse duidelijk maken, is dat er voor alles behoefte is aan een theorie van het betreffende grondrecht van de godsdienstvrijheid. Noch de notie van het kernrecht noch de exegese van een enigszins dubbelzinnig arrest raken deze werkelijke kern van de zaak. Tevens is bezinning nodig op de zowel in het advies van de Raad van State als tijdens de parlementaire behandeling naar voren gekomen vraag of en zo ja in hoeverre dieren als rechtssubjecten kunnen worden beschouwd.8)

Wat het eerste punt betreft, tegen theorievorming over mensenrechten wordt hier te lande al snel vreemd aangekeken, anders dan in bijvoorbeeld de Verenigde Staten.9) Bovendien kan men ook onbewust wel degelijk van een bepaalde theorie uitgaan, zoals bijvoorbeeld die waarin het recht van elk individu om zijn of haar eigen levensbeschouwelijke keuzes te maken centraal staat. In de afgelopen periode heb ik, met andere auteurs, een tweetal eerste pogingen ondernomen een alternatieve theorie te ontwikkelen. De eerste poging had een rechtsfilosofisch karakter, de tweede was van meer rechtsvergelijkende aard.10)

Dit is niet de plaats om de in dit verband ontwikkelde gedachten en stellingen te herhalen. De geïnteresseerde lezer zij verwezen naar de in de noten vermelde stukken. Wel kan worden opgemerkt dat een koerswijziging in de benadering van de godsdienstvrijheid gewenst lijkt, mede met het oog op de stabiliteit van het democratisch bestel. De grootste zorg die het Nederlandse debat over het onverdoofd ritueel slachten oproept is dat dit leidt tot een vervreemding van levensbeschouwelijke minderheden van de democratische rechtsstaat in het algemeen en de mensenrechten in het bijzonder. Een constitutioneel bestel komt onherroepelijk onder druk te staan indien een consensus over de morele grondslagen ervan verregaand komt te ontbreken.

Noten

5) Handelingen I, 13 december 2011, pp. 2-3.

6) Ibidem, 72.

7) Vgl. Position Paper Contactorgaan Moslims en Overheid, Bescherming van dierenwelzijn vergt geen inbreuk op de vrijheid van godsdienst!, http://www.cmoweb.nl/UserFilesUpload/org_190/positionpaper.pdf, p. 16.

8) Vgl. bijvoorbeeld Kamerstukken II 2009/10, 31 571, nr. 4 (herdruk), pp. 1-2; Handelingen II, 17 februari 2011, p. 5.

9) Vgl. bijvoorbeeld Michael J. Perry, Toward a Theory of Human Rights. Religion, Law, Courts (Cambridge, etc.: Cambridge University Press, 2007).

10) Vgl. resp. Jaco van den Brink & Hans-Martien ten Napel, ‘Godsdienstvrijheid. Staat moet zich onthouden’, in: Het goede leven. Weekkrant voor denken, doen, geloven en genieten, x, nr. 39, 30 september-7 oktober 2011, 5; Florian H. Karim Theissen & Hans-Martien ten Napel, ‘Oprecht geloven in vrijheid. Bloemlezing van een grondrecht onder vuur’, in: Ars Aequi, LXI, nr. 3, 2012, 182-187.

Discussiebijdrage over rechtsvinding rond ritueel slachten (I)

In de zojuist verschenen derde aflevering van het Tijdschrift voor Constitutioneel Recht van dit jaar luidt de stelling: ‘Het verbod van ritueel slachten is een rechtmatige beperking van de godsdienstvrijheid’. Voor de stelling pleit mr. J.J.J. Sillen, universitair hoofddocent staats- en bestuursrecht aan de Radbouduniversiteit Nijmegen. Hieronder volgt het eerste deel van de reactie die ik schreef op zijn betoog (de betreffende aflevering komt pas over enige tijd digitaal beschikbaar via http://www.tvcr.nl/). Hopelijk worden de door Sillen in zijn betoog gemaakte punten voldoende duidelijk uit de context.

Kritiek Sillen op rechtsvinding rond ritueel slachten raakt niet de kern

In hetgeen volgt ga ik in op de twee kwesties die Joost Sillen aansnijdt in zijn reactie op de hem door de redactie voorgelegde stelling: ‘Het verbod op ritueel slachten is een rechtmatige beperking van de godsdienstvrijheid?’ Dat zijn respectievelijk de Grondwet en de kern van de godsdienstvrijheid en het EVRM en het arrest Cha’are. Vervolgens bespreek ik kort de slotsom waartoe deze overwegingen Sillen brengen en wat deze duidelijk maakt.

1. De kwestie van het kernrecht

Sillen verwondert zich over de eigenzinnige rechtsvinding van bijvoorbeeld de Raad van State, wanneer wordt betoogd dat een verbod op ritueel slachten onrechtmatig zou zijn. Hij beaamt dat de onverdoofde rituele slacht onder de reikwijdte van artikel 6, eerste lid, Gw. valt, hetgeen mij winst lijkt. Sillen neemt echter aanstoot aan het feit dat de Raad voor een rechtmatige beperking van de hierin neergelegde vrijheid van godsdienst onder meer als materiële eis stelt dat deze de kern van het grondrecht eerbiedigt. Aangezien het wetsvoorstel-Thieme niet aan deze eis voldoet, beoordeelt de Raad het als ongrondwettig. Ook de argumentatie die ten grondslag ligt aan het stellen van deze eis, bevredigt Sillen niet.

Ik kan in deze kritiek, zeker ook na kennisname van het artikel van Nieuwenhuis in de vorige aflevering van dit tijdschrift, wel meegaan. Nieuwenhuis kwam in dat artikel, na bestudering van de Duitse doctrine en de jurisprudentie van zowel het Bundesverfassungsgericht als het EHRM, immers tot de conclusie dat ‘rond het kernrecht een grote mate van onduidelijkheid bestaat’.1)

Zelf had ik reeds mijn bezwaren over de toepassing van de kernrechtbenadering door het gerechtshof in de SGP-zaak, waarnaar ook Sillen verwijst. De omschrijving van de kern van de godsdienstvrijheid als ‘de bescherming van de persoonlijke geloofsovertuiging alsmede de handelingen die daarmee nauw verbonden zijn’ (r.o. 6.6) noemde ik toen aan de magere kant en bovendien lastig hanteerbaar in de praktijk. Waarom – zo vroeg ik mij af – zou immers een visie op de scheppingsorde, waaruit het vrouwenstandpunt blijkens artikel 7 van het Program van Beginselen van de SGP voortvloeit, daar niet toe behoren, maar integendeel in het gunstigste geval tot de buitenste schil dienen te worden gerekend? Omgekeerd moest naar mijn oordeel worden betwijfeld of het verbod van discriminatie terzake van het passief kiesrecht nu juist wel in de kern wordt geraakt, zoals het Hof in r.o. 6.15 als uitgangspunt van zijn belangenafweging koos, indien in één partij vrouwen die daarvan op vrijwillige basis lid zijn zich niet kunnen kandideren voor een vertegenwoordigende functie.2)

Het zou dan wat opportunistisch zijn om thans de kernrechtbenadering bij de grondrechten toe te juichen, nu de Raad van State tot een mij welgevallige toepassing komt. Bovendien illustreert Sillen in zijn stuk ten overvloede welke risico’s er aan kleven door, via een op zichzelf niet eens zo vreemde redenering, tot een wat mij betreft onwenselijke conclusie te komen. Hij wil, in het geval van kernrechtbescherming, de te beschermen kern binnen de perken houden. Daarbij komt hij tot de omschrijving van de kern van een grondrecht als ‘dat handelen of nalaten zonder welk de uitoefening van het grondrecht onmogelijk is’. So far, so good. Maar vervolgens blijkt de deelname aan een (katholieke) Sacramentsprocessie niet tot de kern te behoren, aangezien daartoe geen religieuze plicht bestaat, en – erger – het ritueel slachten evenmin, want joden en islamieten hoeven als zij vegetariër worden helemaal geen vlees te eten. Ik betreur eigenlijk dat deze laatste, wat frivole redenering aan het papier van dit tijdschrift is toevertrouwd, ook al is Sillen dus persoonlijk evenmin een voorstander van de kernrechtbenadering. Daarvoor lijkt mij de zaak waarover het gaat te serieus.

Niet aan beginnen dus, die kernrechtbenadering. Laten we blijven bij de afwijzing ervan door de Grondwetgever van 1983 en door het thans demissionaire kabinet, naar aanleiding van een voorstel van de Staatscommissie-Grondwet.3) Vriend en vijand waren het erover eens dat tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel-Thieme, de bijdrage van Nico Schrijver (PvdA) in de Eerste Kamer er in kwalitatief opzicht uitsprong. Het is veelzeggend dat hij in zijn betoog de argumentatie van het kernrecht in het geheel niet nodig heeft en er dientengevolge slechts summier naar verwijst.4)

Noten

1) A.J. Nieuwenhuis, ‘De kernrechtbenadering bij de grondrechten’, in: Tijdschrift voor Constitutioneel Recht, III, nr. 2, april 2012, 138-159, aldaar 155.

2) Hans-Martien ten Napel, ‘Staat, SGP en Vrouwenverdrag: zoveel colleges, zoveel visies’, in: NJCM-Bulletin, 33, nr. 2, maart 2008, 221-229. – Noot bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 5 december 2007 (LJN-nr.: BC0619) en Gerechtshof ’s-Gravenhage, 20 december 2007 (LJN-nr.: BC 0619), aldaar 224.

3) A.J. Nieuwenhuis, ‘De kernrechtbenadering bij de grondrechten’, p. 139.

4) Handelingen I, 13 december 2011, p. 3.