Tag Archives: geloof

Boekbespreking van Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom. To Be Fully Human in Radix. Tijdschrift over geloof, wetenschap en samenleving

 

In de onlangs uitgekomen tweede aflevering uit 2018 van Radix. Tijdschrift over geloof, wetenschap en samenleving staat een nieuwe recensie van mijn boek Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom. To Be Fully Human van de hand van R.J. (Robert) van Putten MSc MA.

Uit de recensie:

‘Ten Napels boek is een rechtstheoretische studie, grotendeels geschreven tijdens een scholarship aan Princeton, binnen een programma waarin verbinding wordt gelegd tussen juridische en theologische studies.’ (p. 152)

‘Het boek is voor de auteur een poging om zijn onderzoekslijnen rond recht, religie en constitutie van de afgelopen decennia bijeen te brengen en met een eigen these over religieuze vrijheid en de democratische rechtsstaat te komen.’ (ibid.)

‘Het is steeds ingebed in de persoonlijke intellectuele zoektocht van de auteur, legt verbindingen met het Nederlandse denken en doen, maar is vooral een grondige bijdrage aan discussies binnen het domein van het constitutioneel recht.’ (ibid.)

Het slot van de recensie luidt als volgt:

‘In deze hoofdstukken weet Ten Napel centrale noties uit de sociale en politieke filosofie van de brede christendemocratische traditie soepel in te zetten voor zijn betoog, waarbij hij steeds de bredere relevantie ervan betoogt. Dat wil zeggen, hij maakt zijn lezers – en dus vooral ook zijn vakgenoten in het constitutioneel recht – duidelijk dat zijn visie niet alleen van betekenis is voor religieuzen, maar vooral ook het project van een liberaal-democratische samenleving en rechtsstaat als zodanig ondersteunt. Ten Napel is zich nadrukkelijk bewust van het feit dat hij een relatief ongebruikelijk boek heeft geschreven. Op heel eloquente manier behandelt hij dan ook “anticipated criticism”, namelijk dat zijn boek te normatief zou zijn voor de discipline van het constitutioneel recht. Het gaat inherent om “essentially contested concepts”, waardoor een normatief perspectief onvermijdelijk is. En gegeven het feit dat de theologie van grote invloed is geweest op centrale concepten als constitutionalisme, democratie en religieuze vrijheid zou het eerder vreemd zijn wanneer inzichten uit de christelijke traditie buiten beschouwing zouden moeten blijven.

Ten Napel heeft al met al een heel fraai boek opgeleverd. Het is vooral ook een boek dat het verdient breder gelezen te worden dan binnen de kringen van de internationale constitutionele rechtswetenschap. Juist ook voor het Nederlandse publieke debat vormt dit boek nadrukkelijk een theoretische versterking tegenover al te secularistische (en daarmee potentieel zelfondermijnende) benaderingen van democratie, rechtsstaat en religieuze vrijheid. Er staat, kortom, veel op het spel met deze thematiek. Niets minder dan To be fully human.’ (p. 154)

De auteur van de recensie is als docent en promovendus verbonden aan de afdeling Bestuurswetenschappen & Politicologie van de Vrije Universiteit Amsterdam.

Het tijdschrift Radix is ‘een multidisciplinair, wetenschappelijk kwartaaltijdschrift dat een platform biedt voor artikelen op de kruispunten van geloof, wetenschap en samenleving’ en wordt uitgegeven door ForumC.

Bron, en bestelinformatie: https://www.forumc.nl/radix/recente-nummers.

Zie voorts:

Review of book on ‘Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom. To Be Fully Human’

Artikel ‘Geloof in de liberale democratie’ in Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid

Press Release: ‘Hans-Martien ten Napel has book published “Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom. To Be Fully Human”’

 

Geloof in de liberale democratie (II): de kritiek van Jean L. Cohen

Dit is het tweede deel van een nieuwe serie blogposts, die tevens – in definitieve vorm en aangevuld met een notenapparaat – als artikel zal verschijnen in het eerstvolgende nummer van het Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid. Voor het eerste deel, zie de links onderaan deze blogpost.

Het is niet mogelijk op deze plaats recht te doen aan het, zoals gezegd, gedegen artikel van Cohen. Voor de doeleinden van deze bijdrage volstaan enkele punten. Het eerste is de concrete aanleiding voor Cohen om haar artikel te schrijven. Deze wordt gevormd door twee rechtszaken bij het Amerikaanse Hooggerechtshof, die in de periode dat ik in de Verenigde Staten onderzoek verrichtte ook inderdaad de maatschappelijke en wetenschappelijke discussie over het onderwerp godsdienstvrijheid beheersten. De eerste rechtszaak is die van een behoudende evangelisch-lutherse school, die een lerares ontsloeg, omdat zij onvoldoende bij de identiteit van de school zou passen. In deze zaak, uit 2012, gaat het om het leerstuk dat in de Verenigde Staten bekend staat als de ‘ministerial exception’. In Europa is de doctrine eerder bekend onder de aanduiding ‘church autonomy’, dat wil zeggen de vrijheid van religieuze organisaties als kerken om bijvoorbeeld een eigen personeelsbeleid te voeren. In bepaalde gevallen ontvangen religieuze instellingen op grond van dit leerstuk inderdaad een vrijstelling van overigens algemeen geldende non-discriminatievoorschriften. Dit geldt in het bijzonder voor voorgangers, vandaar de naam ‘ministerial’ in de Verenigde Staten. De vraag is echter hoever het begrip ‘voorganger’ kan en moet worden opgerekt. Het Amerikaanse Hooggerechtshof geeft geen precieze omschrijving, maar stelde toch ook in dit geval de school in het gelijk. De betreffende lerares was immers geen lekenleerkracht, maar kon vanwege de training die zij had ontvangen zelf als geestelijke gelden.

De tweede rechtszaak betreft die van een christelijke onderneming, Hobby Lobby, die zich met een beroep op de vrijheid van godsdienst onttrok aan de door de Obama-regering opgelegde verplichting om aan haar personeel een ziektekostenverzekering aan te bieden waarin tevens anticonceptiemiddelen waren opgenomen. Ook in deze zaak stelde het Hof de onderneming in het gelijk. Nog meer dan de eerste zaak, heeft het Hobby Lobby-arrest een gevoelige zenuw geraakt. In een bekend geworden artikel in de Harvard Law Review sprak de auteur van een ‘Hobby Lobby-moment’. Hij suggereerde daarmee dat deze zaak achteraf weleens een keerpunt kon blijken te zijn geweest in de publieke opinie over de godsdienstvrijheid. Kon dit recht voorheen op betrekkelijk algemene instemming rekenen in de Amerikaanse samenleving, afgezien van de eerdergenoemde groep van nieuwe critici van de godsdienstvrijheid, een uitspraak ten gunste van een onderneming die zich beroept op een recht dat primair bedoeld is voor individuen tegenover de staat zou slecht begrepen worden.

Dit laatste geldt zeker voor Cohen, die zoals gezegd haar artikel begint met een behandeling van deze beide rechtszaken. In de uitspraken leest zij een wederopleving van een oude, middeleeuwse benadering van religieuze corporaties als zouden deze een bepaalde mate van autonomie of zelfs soevereiniteit bezitten. In een iets moderner jasje valt dit gedachtengoed ook te herleiden tot het Britse, pluralistische denken zoals zich dat rond het begin van de twintigste eeuw manifesteerde. Het is inderdaad al vaker opgemerkt dat de individuele godsdienstvrijheid zoals wij deze thans kennen haar wortels heeft in een meer collectieve vorm van godsdienstvrijheid zoals deze tijdens de late Middeleeuwen ontstond. Dit laatste idee staat bekend als dat van ‘freedom of the church’. Ook is er in later tijd een pluralistische school van denken geweest over de staat, die deels teruggreep op dergelijke noties. Nog recentere stromingen als het liberale pluralisme, waartoe bijvoorbeeld William A. Galston behoort, grepen op hun beurt weer terug op dit Britse, pluralistische denken.

Cohen heeft moeite met deze denkrichting. Zij meent dat rechterlijke uitspraken als hiervoor genoemd eerder een bedreiging vormen voor, dan een uitbreiding van de vrijheid, de democratische legitimiteit en de vorm van pluralisme die een liberale democratie volgens haar dienen te kenmerken. In het kort komt haar kritiek erop neer dat we een terugkeer meemaken van een liberaal constitutionele benadering die vragen als die over de evangelisch-lutherse school en de christelijke onderneming inmiddels gewoon was te behandelen in termen van rechtvaardigheid, naar een benadering die deze weer opvat in termen van bevoegdheid van levensbeschouwelijke organisaties tegenover de staat. Zij spreekt van een opvatting als zouden deze organisaties over een eigen jurisdictie beschikken, die hen ten onrechte immuun maakt voor bepaalde door de staat uitgevaardigde regelgeving. Vervolgens komt zij tot de terechte vaststelling, dat een en ander voortkomt uit een politiek-theologische visie op de waarde van instituties en ook van soevereiniteit. Het is voor onderzoekers op het terrein van recht en religie soms noodzakelijk om de theologische achtergronden van bepaalde regels, of zoals in dit geval de uitzondering op dergelijke regels, in de beschouwing te betrekken. Hoewel zelf niet theologisch geschoold of geëngageerd, geeft Cohen er blijk van dit goed te begrijpen. De collectieve dimensie van godsdienstvrijheid heeft haar wortels in de strijd tussen pausen en vorsten in de 11e en 12e eeuw over de vraag wie het recht had hoge geestelijken te benoemen.

In de beleving van Cohen leidt de hedendaagse variant van deze theologisch-politieke visie tot ongerechtvaardigde privileges van religieuze instellingen, zoals de behoudende evangelisch-lutherse school, en zelfs bedrijven. Deze kunnen zich bijgevolg onttrekken aan juridische verplichtingen. Dat is voor Cohen geen kwestie van eerlijke of gelijke behandeling, maar een inbreuk op hoe liberale rechten in de praktijk behoren uit te werken. Daarmee levert de theologisch-politieke opvatting volgens haar een bedreiging op van democratisch-rechtsstatelijke verworvenheden. Het maakt het er voor Cohen begrijpelijkerwijze niet beter op dat die situatie zich niet tot de Verenigde Staten beperkt. Hoewel zij begon met het behandelen van twee Amerikaanse arresten, worden dezelfde argumentaties wereldwijd gebruikt onder de noemer van de ‘vrijheid van godsdienst’. Dit levert potentieel bijvoorbeeld ook een risico op voor Nederland, waar Cohen de lezing gaf waarop haar in deze paragraaf besproken artikel is gebaseerd.

Zoals duidelijk mag zijn, kwalificeert Cohen zich met haar kritiek op de vrijheid van religieuze organisaties om bijvoorbeeld een eigen personeelsbeleid te voeren als ‘new critic of religious freedom’. Maar beperkt de kritiek van Cohen zich eigenlijk nog wel tot de godsdienstvrijheid of gaat het haar in de kern om een bepaald ideaal van liberale democratie? Naar mijn oordeel is dit laatste het geval.

Geloof in de liberale democratie (I): Inleiding

Presentation during Cardiff Festival for Law and Religion

New Facebook Page on Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom. To Be Fully Human

Geloof in de liberale democratie (I): Inleiding

Volgens de vandaag verschenen Ranglijst Christenvervolging 2018 van Open Doors werden in 2017 wereldwijd 3.066 christenen omgebracht omwille van hun geloof. Met name in landen als Pakistan en India neemt het geweld tegen christenen inmiddels landen ‘schrikbarende vormen’ aan (zie https://www.opendoors.nl/vervolgdechristenen/nieuws/2018/januari/ranglijst-christenvervolging-2018/).

Toen ik in de zomer van 2014 naar de Verenigde Staten vertrok om mij aan een theologisch centrum een academisch jaar lang bezig te houden met het thema godsdienstvrijheid, verwachtte ik dat er sprake zou zijn van een contrast met de wijze waarop in Europa in het algemeen en Nederland in het bijzonder tegen dit mensenrecht werd aangekeken. Proefde ik hier ondanks de internationale geloofsvervolging in sommige gevallen vijandigheid, maar overwegend onverschilligheid jegens het recht, Amerika is het land waar de vrijheid van godsdienst traditioneel als ‘First Freedom’ wordt aangemerkt. Dit niet alleen omdat het recht is opgenomen in het Eerste Amendement bij de Amerikaanse Grondwet, maar ook omdat brede lagen van de bevolking het beschouwen als het meest fundamentele van alle mensenrechten. Dat heeft te maken met de wordingsgeschiedenis van de Verenigde Staten, waarnaar immers veel Europeanen zijn gemigreerd die in hun vaderland vervolgd werden vanwege hun geloof. In het Eerste Amendement gaat het zelfs niet over de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, zoals in de Nederlandse Grondwet, maar alleen over godsdienst. Zo centraal staat de vrijheid van godsdienst in Amerika, dacht ik.

Direct tijdens het eerste colloquium van de interdisciplinaire onderzoeksgroep van ethici, juristen en theologen waarvan ik deel kwam uit te maken, bleek evenwel ook in de Verenigde Staten een debat op gang te zijn gekomen over de merites van het internationale recht op godsdienstvrijheid in zijn huidige vorm. Een deelnemer aan de wekelijkse discussies was zelf rechtstreeks afkomstig uit een meerjarig internationaal onderzoeksproject over de ‘Politics of Religious Freedom’, dat inmiddels tot een gelijknamige bundel heeft geleid. Zoals de titel van project en bundel reeds aangeeft, wordt het hierin voorgesteld alsof in elk geval de internationale godsdienstvrijheid beheerst wordt door politieke intenties en overwegingen. Westerse landen zouden op neokoloniale wijze met behulp van dit instrument hun eigen waarden trachten op te dringen aan andere culturen en religies. Een dergelijk perspectief verschilt onmiskenbaar van de oorspronkelijke Amerikaanse zienswijze, volgens welke de godsdienstvrijheid eerder een natuurrecht is, dat in principe aan eenieder toekomt en voorafgaat aan de staat. De staat heeft vervolgens dit recht te respecteren, of hem dit nu gelegen komt of niet.

In deze nieuwe serie blogposts, die tevens – in definitieve vorm en aangevuld met een notenapparaat – als artikel zal verschijnen in het eerstvolgende nummer van het Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid, ga ik verder niet in op de bezwaren van de zogeheten ‘new critics of religious freedom’ in het algemeen. Zoals te verwachten valt, vormen de critici geen homogene groep en een enigszins representatieve bespreking van de verschillende naar voren gebrachte punten zou reeds een volledig artikel vergen. Bovendien waaieren de bezwaren disciplinair gezien nogal uit. In plaats hiervan licht ik er een artikel uit van een auteur, die vooral vanuit de invalshoek van het constitutionele recht relevante punten naar voren brengt: hoogleraar politieke theorie aan de Universiteit van Columbia in New York Jean L. Cohen. Cohen doet dit bovendien op degelijke wijze, want goed geïnformeerd over de opvattingen van haar tegenstanders waartegen zij bezwaar maakt. Vervolgens zal ik aangeven waarom de visie van Cohen op geloof in de liberale democratie op gespannen voet staat met een christelijke mensvisie zoals bijvoorbeeld geformuleerd door de Zuid-Afrikaanse emeritus-hoogleraar christelijke ethiek Koos Vorster. Deze visie heeft historisch doorgewerkt in zowel de wijze waarop westerse staten zoals Nederland zijn ingericht, t.w. volgens de principes van respectievelijk de rechtsstaat en de democratie, als in de vormgeving van het recht op godsdienstvrijheid. De serie sluit af met een korte beschouwing over de reden waarom verwacht mag worden dat van deze laatste wijze van staatsinrichting een grotere aantrekkingskracht zal blijven uitgaan, zowel binnen als buiten de academische wereld, dan van de door Cohen aangehangen variant van liberale democratie. Dit is mede van belang voor de instandhouding van het geloof in de liberale democratie als zodanig.

Zie ook:

Nieuwsbericht ‘Hans-Martien ten Napel neemt deel aan boekpanel over recht en godsdienstvrijheid tijdens jaarvergadering van de American Academy of Religion in Boston, MA’

Colloquium Geloof in democratie

Redactioneel, ‘Hoe kan het democratisch ethos worden bevorderd?’

Nieuwsbericht ‘Hans-Martien ten Napel neemt deel aan boekpanel over recht en godsdienstvrijheid tijdens jaarvergadering van de American Academy of Religion in Boston, MA’

/

‘Van 18 tot 21 november j.l. namen ruim 10.000 religiewetenschappers en theologen deel aan de jaarvergaderingen van de American Academy of Religion en de Society of Biblical Literature in Boston, MA.

Een dag voor deze jaarvergaderingen organiseerde het Center of Theological Inquiry in Princeton, NJ, een Law and Religious Freedom boekpanel over twee boeken die de vrucht zijn van het gelijknamige onderzoek dat gedurende het academisch jaar 2014-2015 aan dit centrum heeft plaatsgevonden.

Het eerste boek, Holy Rus’. The Rebirth of Orthodoxy in the New Russia (Yale University Press, 2017), is geschreven door James Henry Snowden hoogleraar systematische theologie aan Pittsburgh Theological Seminary John P. Burgess. Het tweede boek, Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom. To Be Fully Human (Routledge, 2017), is van de hand van Hans-Martien ten Napel.

Tijdens het drukbezochte panel reageerden, na een korte introductie door de auteurs, twee prominente referenten op de beide boeken: Shaun Casey, directeur van het Berkley Center for Religion, Peace & World Affairs aan Georgetown University en voormalig directeur van het Office of Religion and Global Affairs van het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken; en Cathleen Kaveny, Darald and Juliet Libby hoogleraar aan Boston College, met aanstellingen in zowel de Faculteit der Rechtsgeleerdheid als de Theologische Faculteit, en voorzitter van de Society of Christian Ethics.

Na reacties van de auteurs, en discussie met de zaal, werd het panel besloten met enkele conclusies door Robin Lovin, William H. Scheide Senior Fellow aan het Center of Theological Inquiry in Princeton, NJ, en Cary Maguire University Professor of Ethics emeritus aan Southern Methodist University.

Het boekpanel maakte deel uit van een bescheiden ‘book tour’ van Hans-Martien ten Napel. Zo presenteerde hij in oktober 2017 zijn boek tijdens het Annual Law and Religion Symposium aan J. Reuben Clark Law School in Provo, Utah, voor een gezelschap van 100 deelnemers uit 50 verschillende landen. In december 2017 is hij uitgenodigd te spreken over zijn boek tijdens een conferentie over ‘Reclaiming the West. Public Spirit and Public Virtue’ in Washington DC.

Vorige maand sprak Hans-Martien ten Napel eveneens over zijn boek tijdens de startbijeenkomst van het netwerk ‘Geloof in Democratie’ dat hij samen met Timo Slootweg oprichtte, als onderdeel van het interfacultaire profileringsgebied Politieke Legitimiteit van de Universiteit Leiden.’

Zie voorts:

Colloquium Geloof in democratie

‘Congres/symposium

Geloof in democratie

Datum
30 oktober 2017
Tijd
13:00 – 17:00  uur
Bezoekadres
Oude Sterrewacht
Sterrenwachtlaan 11
2311 GW Leiden
Zaal
C104

Een nieuw onderzoeksnetwerk

Veel meer dan het democratische systeem, neigen totalitaire regimes tot een zogenaamde ‘politieke religie’. Een politieke religiositeit die ons bekend is van de Franse Revolutie, het fascisme in Duitsland en Noord-Korea.

Dit verschil mag echter niet blind maken voor een fundamentele overeenkomstigheid. Schijnbaar heeft ook de democratie dergelijke totalitaire kenmerken en lijkt ook zij geneigd tot een zekere zichzelf compromitterende religiositeit. Een zekere politieke religie lijkt het product van democratie te zijn. Deze religie dreigt haar te ondergraven en in potentie zelfs te elimineren.

Het nieuwe netwerk ‘Geloof in democratie’ (GID) wil deze verschijnselen analyseren en kritisch onderzoeken. Tevens zoekt het naar de geestelijke grondslagen van een nieuwe legitimiteit: een ander democratisch geloof.

Startbijeenkomst

Op 30 oktober wordt het netwerk ten doop gehouden met een colloquium, georganiseerd rondom een drietal lezingen over het thema Geloof in democratie, waarop door enkele respondenten kort zal worden gereageerd.

De lezingen worden verzorgd door Carinne Elion-Valter (EUR), Timo Slootweg (UL) en Hans-Martien ten Napel (UL), naar aanleiding van hun recente boekpublicaties.

De lezingen zullen worden gevolgd door een dialoog tussen sprekers, respondenten en het publiek. Deze dialoog zal mede gericht zijn op het verzamelen van bouwstenen voor een in september 2018 te organiseren symposium rondom GID.

Tijdens het colloquium kunnen zij die geïnteresseerd zijn hieraan mee te werken, alvast kennismaken en hun ideeën uitwisselen.

Oproep

Met het bovenstaande in gedachten, roepen de organisatoren onderzoekers met belangstelling op om zich aan te sluiten bij ons netwerk en om aanwezig te zijn bij het colloquium. Daarnaast nodigen wij hen uit om een paper proposal in te dienen voor de eerste gezamenlijke publicatie van ‘Geloof in democratie’.

De call for proposals is te vinden op de website van dit nieuwe netwerk: www.geloofindemocratie.nl.

Projectwebsite

POLITIEKE LEGITIMITEIT

Bron: Congres/symposium Geloof in democratie

Zie ook:

Book Recommendations (I): Nicholas Wolterstorff, Understanding Liberal Democracy (2012)

Press Release: ‘Hans-Martien ten Napel has book published “Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom. To Be Fully Human”’

Paper presentation on ‘The Modern Challenges of Democracy’, New York University School of Law

Opinieartikel, ‘De staat moet zich niet bemoeien met religieuze praktijken’ (2011)

fdlogo

‘We zijn geneigd om de overheid op allerlei manieren te laten ingrijpen in religieuze praktijken. Hierdoor dreigt de godsdienstvrijheid een lege huls te worden.

Lees hier het hele artikel, dat ik samen schreef met Jaco van den Brink:

https://www.researchgate.net/publication/254888497_De_staat_moet_zich_niet_bemoeien_met_religieuze_praktijken;

https://openaccess.leidenuniv.nl/handle/1887/17928.

Over het Friesch Dagblad:

‘Een christelijke, regionale krant waarbij de kijk op de journalistiek wordt bepaald en gevoed door christelijke normen en waarden. Binnen het Friesch Dagblad wordt gewerkt vanuit een overtuiging aangaande God, mens en wereld. In het verlengde daarvan ziet het Friesch Dagblad het als zijn roeping al zijn journalistieke arbeid in dienst te stellen van het goede, onder meer in termen van geloof & levensbeschouwing, duurzaamheid (zorg voor de wereld), samenleving en rechtvaardigheid, met een speciale belangstelling voor de regio.’

Bron: http://www.frieschdagblad.nl/index.asp?_ga=1.183229926.1535370535.1456318815.

 

Co-redactie, themanummer ‘Thorbeckse Twisten’, CDV (2007)

IMG_1751

Uit de ‘Ter introductie’:

‘Deze bundel gaat over voortdurende competentietwisten tussen de verschillende bestuurslagen in het Huis van Thorbecke. Met dat beeld van een huis vatten we de inrichting van ons staatsbestel samen, met zijn drie bestuurslagen (gemeenten, provincies en het rijk), toegeschreven aan de liberale staatsman Johan Rudolf Thorbecke (1798-1872).’

Mijn eigen bijdrage, geschreven samen met Rien Fraanje, Dirk Gudde & Jan Prij, is getiteld ‘Reconstrueer en versterk het Huis van Thorbecke’:

‘Nederland kent drie bestuurslagen: het rijk, de provincies en de gemeenten. Dit ‘Huis van Thorbecke’ biedt al heel
lang een goede structuur voor toedeling van bestuurlijke verantwoordelijkheden, en nog steeds. Het is echter verrommeld door competentietwisten en de dominantie van technocratische benaderingen. Daarom is het de hoogste tijd voor een meer principiële aanpak waar groter niet per definitie beter is en verantwoordelijkheden weer scherper klassiek in drieën verdeeld zijn.’

Voor de volledige inhoudsopgave van het nummer en bestelinformatie, zie: https://www.tijdschriftcdv.nl/inhoud?jaar=2007&nummer=1.

Voor een downloadbare versie, zie:

http://pubnpp.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/tijdschrift/CDV/CDV2007/CDV_2007_lente.pdf.

Voor de toespraak van staatssecretaris Bijleveld bij de ontvangst van het themanummer, zie:

CDVhttps://www.rijksoverheid.nl/documenten/toespraken/2007/04/17/toespraak-staatssecretaris-bij-ontvangst-nieuwe-nummer-cdv.

Over CDV:

‘CDV is het kwartaaltijdschrift dat de functie van geheugen en geweten binnen de christendemocratie vervult. Het doet dit vanuit een kritisch solidaire en onafhankelijke opstelling ten opzichte van het CDA. Het schrijft over het spanningsveld tussen geloof en politiek, wetenschap en beleid. De afgelopen jaren trok elk nummer van CDV veel media-aandacht. CDV bevindt zich in het brandpunt van de maatschappelijke actualiteit.

CDV diept belangwekkende thema’s uit nog voordat ze actueel zijn, door mensen die er echt toe doen. Het blad is een bron van waardevolle informatie voor zowel politici als politiek geïnteresseerden, omdat het dieper liggende motieven en gedachten blootlegt achter beleidskeuzen en standpunten.’