Tag Archives: Federalist Papers

Nieuwsbericht ‘Hans-Martien ten Napel doceert Advanced Course over de Federalist Papers in VS’

“Van 19-22 juni jl. nam Hans-Martien ten Napel, universitair hoofddocent Staats- en bestuursrecht, deel aan Acton University in Grand Rapids, Michigan. Acton University, dat jaarlijks wordt georganiseerd door het Acton Institute, is ‘a unique, four-day exploration of the intellectual foundations of a free society’. Er komen meer dan 1.000 cursisten op af uit de hele wereld en uit diverse sectoren van het maatschappelijke leven.

Ten Napel doceerde aan Acton University een ‘advanced course’ over ‘The Relevance of the Federalist Papers Today’. Deze lezing was o.m. gebaseerd op een bijdrage die hij leverde aan de onlangs verschenen bundel De Federalist Papers. Bakermat van het moderne constitutionalisme (Damon, 2018). De bundel is de eerste Nederlandstalige inleiding tot wat wel is genoemd ‘the most important book in political science ever written in the United States’, ‘a basic source of constitutional law’ en ‘a great classic of political theory’.”

Bron: https://www.universiteitleiden.nl/nieuws/2018/06/hans-martien-ten-napel-doceert-advanced-course-over-de-federalist-papers-in-vs.

Zie ook:

Advanced Course on ‘The Relevance of the Federalist Papers Today’

Participant, Acton University, June 20-23 2017, Grand Rapids, Michigan (II)

Participant, Acton University, June 20-23 2017, Grand Rapids, Michigan (I)

 

Advanced Course on ‘The Relevance of the Federalist Papers Today’

In 2015, renowned progressive legal scholar Sanford Levinson published a book, entitled An Argument Open to All. Reading the Federalist in the 21st Century. In this lecture, we will look at some of Levinson’s findings regarding ‘the most important work in political science ever written in the United States’, and also ask ourselves the question: where does he go wrong?

I will be teaching the course as part of Acton University 2018, 19-22 June, Grand Rapids, MI.

Acton University is a unique, four-day exploration of the intellectual foundations of a free society. Guided by a distinguished, international faculty, Acton University is an opportunity to deepen your knowledge and integrate philosophy, theology, business, development – with sound, market based, economics.’

For more information, see: http://university.acton.org/course/relevance-federalist-papers-today

See also:

Participant, Acton University, June 20-23 2017, Grand Rapids, Michigan (I)

Participant, Acton University, June 20-23 2017, Grand Rapids, Michigan (II)

Bijdrage aan bundel De Federalist Papers. Bakermat van het moderne constitutionalisme (2018)

 

Bijdrage aan bundel De Federalist Papers. Bakermat van het moderne constitutionalisme (2018)

‘De Federalist Papers worden zeer geprezen door vele presidenten van de V.S., waaronder Washington, Jefferson en Theodore Roosevelt. Het Amerikaanse Hooggerechtshof citeert er tot op de dag van vandaag regelmatig uit als maatgevend voor de uitleg van de Constitutie. En politiek historicus Clinton Rossiter noemt ze ‘the most important work in political science that has ever been written, or is likely ever to be written, in the United States.’ Een werk dat volgens Tocqueville, de auteur van hét standaardwerk over democratie, ‘overal ter wereld gelezen zou moeten worden door wie in politiek en recht is geïnteresseerd’. In deze bundel worden de Federalist Papers, voor het eerst in de geschiedenis van de Lage Landen, voor een Nederlandstalig publiek ingeleid en becommentarieerd.’

Bron: https://www.damon.nl/book/de-federalist-papers#product_description.

Op deze plaats kan ook worden doorgeklikt naar de inhoudsopgave en de inleiding van de buindel.

Mijn eigen bijdrage aan de bundel, die onder redactie staat van Paul de Hert, Andreas Kinneging en Gerard Versluis, is getiteld: ‘Think for yourselves? N.a.v. Sanford Levinson, An Argument Open to All. Reading The Federalist in the 21st Century (2015)’.

Een niet-definitieve versie versier van deze bijdrage, zonder notenapparaat, valt te lezen in een eerdere reeks posten op dit blog:

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (VI, slot): Levinson, de bloedverwant

Zie voorts:

Upcoming Speaking Engagement: Symposium The Federalist Papers, Brussel, 20 april 2017

Participant, ‘Great Transformations: Political Science and the Big Questions of Our Time’, 2016 APSA Annual Meeting, Philadelphia, PA, September 1-4

 

 

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (VI, slot): Levinson, de bloedverwant

Dit is het zesde en laatste deel van een nieuwe serie blogposts gebaseerd op een bijdrage die ik een jaar geleden, op 20 april 2017, leverde aan een symposium over The Federalist Papers. Het symposium, dat plaatsvond in Brussel, was georganiseerd door De Debatten. ‘De Debatten is een initiatief van de Vrije Universiteit Brussel met de Universiteit Leiden en als Nederlandstalig forum een vaste waarde onder rechtsfilosofen en rechtshistorici uit de Lage Landen en een groeiende waarde binnen de wereld van de politieke filosofie.’ De bijdrage is onlangs ook, in definiteve vorm en voorzien van notenapparaat, gepubliceerd. Meer informatie daarover volgt nog.

De laatste opmerking, te weten dat ook het pleidooi van Levinson voor ‘popular constitutionalism’ aandacht verdient, brengt mij tenslotte op een evaluerende opmerking ten aanzien van het boek van Levinson over de Federalist Papers. De ontegenzeggelijk ernstige ondertoon van de mailwisseling tussen Balkin en Levinson kan een aanwijzing zijn dat niet alleen progressieve liberalen onderling, maar ook conservatieve en progressieve liberalen elkaar in de huidige tijd beter kunnen vasthouden dan elkaar vliegen afvangen. Uiteraard zal tussen hen de waardering van het verschijnsel Trump, en daarmee ook die van de toestand waarin de Amerikaanse constitutionele democratie verkeert, uiteenlopen. Toch konden liberalen van uiteenlopende signatuur elkaar wel eens nodig hebben om bepaalde waarden in het staatsbestel die hen allen dierbaar zijn, in stand te houden. Niet alleen staat de liberale democratie wereldwijd onder druk, maar ook binnen het Westen is haar voortbestaan, zoals Balkin terecht opmerkt, nooit vanzelfsprekend. Dat geldt ook nu.

Dat er van de kant van een uitgesproken progressieve liberaal als Levinson openheid bestaat richting conservatieve stromingen, mag blijken uit het feit dat hij recentelijk voor de American Society for Political and Legal Philosophy een bundel hielp redigeren, getiteld American Conservatism (2016). Deze bundel bevat o.a. een hoofdstuk over constitutioneel conservatisme, welke richting wordt uiteengezet met behulp van de begrippen ‘balance’, ‘restraint and the rule of law’, ‘education, recurrence to first principles, and reverence’, ‘preservation in an emergency’, ‘political limits, effective government, and preservation by adaption’. Het zijn stuk voor stuk begrippen die een andere sfeer ademen dan An Argument Open to All. Het is een spannende vraag hoe het Amerikaanse conservatisme, en het constitutionele conservatisme in het bijzonder, zich de komende periode verder zullen ontwikkelen. De opkomst van het eerdergenoemde populistische constitutionalisme, en een ‘Trumpisme’ als mogelijk uitvloeisel daarvan, stelt deze denkrichting immers voor vragen, al is er zeker niet alleen maar sprake van bedreigingen. Voor de beantwoording van dergelijke vragen is Levinson niet de aangewezen persoon. Daarvoor is hij te weinig een geestverwant van het conservatisme.

In een andere bijdrage aan de bundel over conservatisme merkt Patrick J. Deneen van de University of Notre Dame echter, in navolging van Louis Hartz, op dat er welbeschouwd slechts een filosofische traditie heeft bestaan in de Verenigde Staten. Daarmee doelt hij op de vraag of aldaar eigenlijk wel kan worden gesproken van een conservatieve traditie en dat er het nodige te zeggen valt voor de gedachte dat hetgeen er doorgaat voor conservatisme niet veel meer dan een variant van het alom aanwezige liberalisme is. Het is in dit verband veelzeggend dat de Federalist Papers als basisdocument van het Amerikaanse bestel, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het werk van Montesquieu, in hun geheel als ‘modern’ kunnen worden beschouwd. Volgens Deneen voert het al met al niet te ver om te stellen dat er in de Verenigde Staten slechts onderscheiden kan worden tussen een klassiek liberalisme, in de traditie van denkers als John Locke en Adam Smith, enerzijds en een progressief liberalisme in de lijn van filosofen als J.S. Mill, Rousseau, Kant en, later, Rawls en Habermas anderzijds. Het debat zou daarmee in de kern gaan tussen de eerste twee ‘waves of modernity’ (Leo Strauss). En dan volgt de zin waaraan deze slotparagraaf haar titel ontleent: of er in de Verenigde Staten al dan niet een conservatieve traditie bestaat, blijft volgens Deneen een dankbaar onderwerp voor discussie en nader onderzoek naar de vraag op welke manieren het Amerikaanse conservatisme ten principale liberaal blijft, kan gemakkelijk wederom tot de vaststelling leiden dat ‘the fiercest battles are those fought between brothers’.

Deneen zelf trekt hieruit zijn consequenties door zich in toenemende mate buiten het liberalisme te positioneren. Hij is echter niet de enige intellectueel die bezig is of lijkt afscheid te nemen van het liberalisme en het zal interessant zijn het debat hierover, dat naar verwachting niet zal verstommen in de voor ons liggende jaren, te volgen. Opnieuw zou het te ver voeren het debat hier verder weer te geven, laat staan er een bijdrage aan te leveren.

Voor de doeleinden van deze serie blogposts is het toereikend om vast te stellen dat klassieke en progressieve liberalen, zoals Levinson, ondanks dat zij misschien niet in alle opzichten geestverwanten zijn, toch bloedverwanten van elkaar blijven. Het boek An Argument Open to All vormt hiervan het overtuigende bewijs. Het mag uitzonderlijk heten dat een staatsrechtswetenschapper de moeite neemt om alle 85 oorspronkelijke essays van een commentaar te voorzien, met als leidende vraag wat de mogelijke relevantie ervan is in de huidige tijd. Levinson komt vervolgens ook nog tot de conclusie dat deze actuele relevantie er in alle 85 gevallen is. De centrale boodschap die hij uit de Federalist Papers meent te mogen afleiden, te weten dat ook thans politiek bewuste burgers moeten nadenken over de Grondwet en deze waar nodig weer in rapport dienen te brengen met de tijd, sluit goed aan bij een momenteel sterke stroming binnen het vergelijkende constitutionele recht die aandacht heeft voor ‘constitutional design’. Zijn these dat hij welbeschouwd Publius aan zijn zijde heeft, wanneer hij een pleidooi houdt voor voortdurende kritische reflectie op het constitutionele bestel, is een handschoen die andere wetenschappers gelet op de door Levinson aangehaalde passages uit de Federalist Papers nog niet zo eenvoudig zullen vinden om op te pakken.

Dat Levinson hierbij ook zijn stellingname potentieel complicerende kwesties, zoals die van de heterogeniteit van de hedendaagse Amerikaanse bevolking en de menselijke natuur, niet uit de weg gaat, valt eveneens te prijzen. Levinson is vervolgens enigszins in het defensief geraakt met zijn pleidooi voor ‘populistisch constitutionalisme’ als gevolg van de verkiezing van Trump tot president. Deze uitslag kwam ook voor anderen onverwacht. Het heeft bij Levinson nog niet tot een aanwijsbare verandering van standpunt geleid met betrekking tot ‘popular constitutionalism’. In eerste instantie leidde het wel tot een enigszins opportunistische aandoende oproep aan het Electoral College om het tij te keren nu dat mogelijk was.

Dat een dergelijk opstelling niet representatief is voor het hele progressieve liberalisme, bewijst de op het eerste gezicht bedachtzamere stellingname van Balkin. Balkin is, evenals Levinson, bezorgd over de ‘constitutional rot’ die zich in de Verenigde Staten volgens hem bezig is te voltrekken. Anders dan Levinson, beschouwt hij een aantal veiligheidskleppen die zijn ingebouwd in de Amerikaanse Grondwet om de doorwerking van de wil van de meerderheid te temperen als waardevol. Ook is hij beducht voor instrumenten als het referendum of de Constitutionele Conventie om de wil van het volk sterker te laten doorklinken in constitutionele zaken, zeker in het huidige tijdsgewricht. Tenslotte vraagt hij aandacht voor een aantal maatschappelijke instellingen en organisaties die eveneens van belang zijn voor de duurzaamheid van een constitutionele democratie. Daarmee nadert hij het conservatisme en illustreert hij de stelling van Deneen en anderen dat het conservatief en progressief liberalisme in de Verenigde Staten in de kern van de zaak loten van dezelfde stam zijn. Wie niet bereid is het liberalisme vaarwel te zeggen, zoals Deneen, ontkomt er niet aan Levinson tenminste als bloedverwant tegemoet te treden. In deze bijdrage heb ik daartoe een poging ondernomen.

Zie voor de eerdere delen in deze serie blogposts:

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (V): Trump

 

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (V): Trump

Dit is het vijfde deel van een nieuwe serie blogposts gebaseerd op een bijdrage die ik een jaar geleden, op 20 april 2017, leverde aan een symposium over The Federalist Papers. Het symposium, dat plaatsvond in Brussel, was georganiseerd door De Debatten. ‘De Debatten is een initiatief van de Vrije Universiteit Brussel met de Universiteit Leiden en als Nederlandstalig forum een vaste waarde onder rechtsfilosofen en rechtshistorici uit de Lage Landen en een groeiende waarde binnen de wereld van de politieke filosofie.’ De bijdrage is onlangs ook, in definiteve vorm en voorzien van notenapparaat, gepubliceerd. Meer informatie daarover volgt nog.

Deze laatste opmerking van Levinson brengt ons als vanzelf bij de verkiezing van Donald Trump tot President, die een jaar na de verschijning van An Argument Open to All. Reading the Federalist heeft plaatsgevonden. Zoals niet geheel verwonderlijk is voor een progressieve liberaal, heeft Levinson zich reeds tijdens de campagne bij herhaling kritisch over Trump uitgelaten. Daarbij heeft hij bepaald geen blad voor de mond genomen, zoals wij hierna nog zullen zien. Een boeiende vraag is wat het feit dat Trump, ondanks de reserves die Levinson en anderen jegens hem koesterden, toch is gekozen, voor eventuele implicaties heeft voor de opvattingen van Levinson inzake de wenselijkheid van ‘popular constitutionalism’. Ook bijvoorbeeld sommige conservatieve intellectuelen koesterden bezwaren tegen de kandidatuur van Trump. Blijft Levinson ook onder de huidige politieke omstandigheden voorstander van een bijstelling van het Amerikaanse bestel die het eenvoudiger zou maken voor een meerderheid als de huidige Republikeinse om haar politieke wil door te drukken?

De verkiezing van Trump heeft potentieel ook implicaties voor het vertrouwen dat Levinson stelt in het electoraat, wanneer hij een nieuwe Constitutionele Conventie bepleit. Terecht wijst hij erop dat tegenstanders van een dergelijke Conventie deels worden gedreven door vrees voor een daartoe onvoldoende toegerust electoraat. Consequent doorredenerend zou je in dat geval ook niet moeten doorgaan met het houden van periodieke verkiezingen, al is ook verdedigbaar dat het kiezen van politici onder een vigerende constitutie een lager niveau van reflectie vereist dan het ontwerpen of ingrijpend herzien van die constitutie zelf. De – opnieuw spannende – vraag is wat de verkiezing van Trump met Levinson heeft gedaan, waar het zijn op zichzelf prijzenswaardige vertrouwen in het hedendaagse Amerikaanse electoraat betreft. Is op dit moment de tijd wel rijp te noemen voor een nieuwe exercitie als die van Publius van 250 jaar geleden, ondanks de gebreken die het Amerikaanse politieke bestel mag vertonen?

Het aardige is dat deze vragen niet alleen gesteld kunnen worden, maar er ook een antwoord op te geven valt, dankzij een gepubliceerde mailwisseling tussen Levinson en Jack M. Balkin, hoogleraar staatsrecht en het Eerste Amendement aan Yale. Balkin is eveneens een progressieve liberaal. Toch zit hij, zoals aanstonds zal blijken, beduidend anders in het onderwerp ‘popular constitutionalism’ dan Levinson. De mailwisseling tussen Balkin en Levinson, gepubliceerd onder de titel ‘Democracy and Dysfunction’, speelde zich af in de periode tussen 29 september 2015 en 3 december 2016. De presidentsverkiezingen waren op 8 november 2016.

Voor de opvattingen van Levinson over de kandidatuur van Trump, en over zijn kandidaat voor het vice-presidentschap Mike Pence, is een mail van hem van 1 augustus 2016 illustratief, waarin hij Trump bestempelt als ‘a narcissistic sociopath’ die het verdient om verslagen te worden. Het zou een ‘utter calamity’ zijn voor de Verenigde Staten en de hele wereld indien hij toch werd verkozen. In dat geval voorzag Levinson allerlei zwarte scenario’s, uiteenlopend van secessiebewegingen in New England en Californië tot een ‘de facto military coup’ in de vorm van een weigering om bepaalde bevelen uit te oefenen van een niet of onvoldoende gekwalificeerde opperbevelhebber. Een en ander naast massademonstraties en rellen bij gelegenheid van Trump’s inauguratie en de weigering van de Senaat om de meeste benoemingen goed te keuren. Misschien nog het meest rooskleurige scenario was dat Trump snel uit zijn ambt zou worden gezet en zijn kandidaat voor het vice-presidentschap Pence het roer zou overnemen. Toch was ook dit een bijzonder aantrekkelijk alternatief, nu Pence op eigen kracht het waarschijnlijk nooit tot president zou brengen in een regliere verkiezing.

Het wekt in het licht van dergelijke kwalificaties en opvattingen nauweijks verbazing dat Levinson de daadwerkelijke verkiezing van Trump tot President enkele maanden later zeer zorgelijk acht. Op 26 november 2016 schrijft hij aan Balkin van oordeel te zijn dat de Verenigde Staten ‘in the most serious existential internal crisis since 1860’ verkeert. Tevens geeft hij aan er na de verkiezingen bij de Republikeinse afgevaardigden naar het Electoral College op te hebben aangedrongen om ‘reflection and choice’ te betonen bij het maken van een keuze, zoals het college oorspronkelijk ook werd geacht te doen. Dit bij wijze van alternatief voor het eenvoudig handelen als ‘lemmings committed to a potentially suicidal choice for the nation’. Deze laatste ‘move’, het doen van een beroep op Republikeinse leden van het kiescollege is beduidend minder voor de hand liggend, aangezien Levinson zich eerder tegen het voortbestaan van uitgerekend deze instelling heeft uitgesproken. Het zou een van de belemmeringen zijn die de volledige doorwerking van de volkswil in het Amerikaanse bestel bemoeilijken en om deze reden tijdens de beoogde nieuwe Constitutionele Conventie voor afschaffing in aanmerking komen.

Balkin grijpt dit punt dan ook aan om genadeloos het dubbele in de opvattingen van Levinson aan de kaak te stellen. De laatste heeft er reeds gedurende een jaar in de mailwisseling op aangedrongen dat gebruik zou worden gemaakt van deze en andere ‘failsafes, these defenses of republican government’. Dit ondanks het feit dat hij er, evenmin als Balkin overigens, onder normale omstandigheden en specifiek het kiescollege zelfs heeft aangeduid als toonvoorbeeld van hetgeen er ondemocratisch is aan de Amerikaanse Grondwet. Nu zou er, volgens dezelfde Levinson, echter druk moeten worden uitgeoefend op de leden ervan om op 19 december 2016 hun stem op iemand anders uit te brengen dan Trump. Balkin attendeert erop dat nu blijkt hoe belangrijk het is dat, bijvoorbeeld in het geval van een demagoog die verkozen is op een programma dat in het teken staat van verandering, het doorvoeren van dergelijke verandering op voorhand zo moeilijk mogelijk wordt gemaakt. Het is niet per definitie democratisch, indien een nieuwe regering over ongebreidelde macht beschikt om haar ambities te realiseren. Integendeel, het is van belang dat het constitutionele bestel veiligheidskleppen bevat die dergelijke pogingen ernstig kunnen bemoeilijken. ‘To defeat a demagogue like Trump, in other words, one must use the tools that you, Sandy, have repeatedly denounced as making our Constitution undemocratic’, aldus Balkin.

In dit kader komt Balkin onder meer ook te spreken over het idee van nationale referenda, dat Levinson in het verleden heeft gelanceerd om de politieke patstelling in Washington te doorbreken. President Obama had, zeker tijdens zijn tweede termijn, immers de grootste moeite om een aantal beleidsvoornemens door het Congres te krijgen. Nationale referenda zouden hierbij behulpzaam kunnen zijn, had Levinson geopperd. Balkin wijst van zijn kant echter op het gevaar dat referenda kunnen inhouden wanneer een demagoog aan de macht is gekomen. Een dergelijke politicus is er immers bij uitstek op gericht ‘to circumvent established forms of lawmaking to project his power and identify his will with the will of the people’. Het is een argument dat in de Nederlandse discussie over het referendum in deze vorm niet is gebruikt, maar met de opkomst van het populisme in Europa ook hier niet lager zonder meer veronachtzaamd lijkt te kunnen worden.

Ook het idee van de Constitutionele Conventie als zodanig, waarmee Levinson dergelijke hervormingen hoopte te kunnen realiseren, stelt Balkin althans voor het moment onder kritiek. Het zou de slechtst denkbare timing zijn om daarop te blijven aandringen, nu er juist een demagoog aan de macht was gekomen. Trump was verkozen op een populistisch programma dat het bestaande constitutionele bestel wilde opblazen. Dat betekende dat zeker ook een deel van zijn aanhang de behoefte zou kunnen voelen om aan een Constitutionele Conventie deel te nemen. In het beste geval zou er, gegeven de tijdens de verkiezingscampagne aan het licht gekomen verdeeldheid in de samenleving, geen overeenstemming bereikt kunnen worden over de door te voeren hervormingen. Er bestond echter ook het risico dat Trump met zijn gebleken charisma zowel de Conventie als de door Republikeinen gedomineerde wetgevende vergaderingen van de staten naar zijn hand zou weten te zetten. In het laatste geval waren hervormingen in autoritaire richting denkbaar, zoals die momenteel bijvoorbeeld ook in Hongarije en Polen plaatsvinden. Met andere woorden, aldus Balkin aan Levinson, ‘[e]ven if you are correct that we need new constitutional amendments, the moment for an Article V convention can’t arise until the demagogue is thoroughly defeated and discredited’.

Balkin sluit af met wat zonder reserve wijze woorden genoemd kunnen worden over de duurzaamheid van een politiek bestel als het Amerikaanse, zoals in de tijd van de Federalist Papers al werd gezien. De opstellers van de Grondwet zagen in dat een republiek als de Amerikaanse op de lange termijn niet in stand zou blijven zonder ‘political faith’, door hem omschreven als de toewijding van burgers aan het algemeen welzijn. Ook de vitale rol van maatschappelijke organisaties, zoals media en onderwijsinstellingen, bij het onderhouden van het idee van ‘self-governance’ beklemtoonde Balkin. Hij maakte vervolgens zonder te aarzelen de sprong naar het heden: twee eeuwen later begrepen wij nog steeds ‘that the machine will not go of itself’. Nog altijd was de inspanning van velen vereist om de zich herhalende bedreigingen van de democratie het hoofd te bieden en het vertrouwen in de politieke instituties te herstellen wanneer dit geschonden was. De rol van het constitutionele recht hierbij was een beperkte, maar essentiële: ‘constitutional structure’ kan deze bijdrage van maatschappelijke organisaties immers zowel faciliteren als bemoeilijken. Vandaar dat zeker in de huidige tijd de bestudering daarvan weer zo belangrijk was.

Zoals blijkt uit deze laatste opmerking blijkt, en ook uit hetgeen ik eerder opmerkte over het zwaartepunt in het werk van Levinson, is dit welbeschouwd geen punt van verschil tussen Balkin en hem. Hun waardering van de in de Amerikaanse Grondwet ingebouwde mechanismen om de doorwerking van de volkswil te temperen, verschilt echter. Levinson was, en blijft, daar kritisch over. Balkin schrijft echter dat, hoewel het Amerikaanse staatsbestel al eens gefaald heeft rond de Burgeroorlog in de 19deeeuw en dit nogmaals kan gebeuren, de Grondwet toch zo in elkaar is gezet dat de kans of falen wordt verkleind. De reden is hiervoor is dat nadrukkelijk is rekening gehouden met een dergelijke kans op mislukking. Thans is opnieuw een test aangebroken van de kracht van de ingebouwde mechanismen die de risico’s van verandering beogen te temperen.

De vraag hoe deze test zal uitvallen, is een thema dat beoefenaren van het constitutionele recht in de Verenigde Staten en daarbuiten de komende jaren nog veel werk zal geven. Balkin heeft daar inmiddels een voorschot opgenomen door de huidige situatie in de Verenigde Staten nog niet als een constitutionele crisis aan te merken, maar hoogstens als ‘constitutional rot’. Levinson zal zich ongetwijfeld ook verder in deze discussie begeven, al was het maar omdat hij samen met Balkin reeds tien jaar geleden een baanbrekend artikel over het verschijnsel constitutionele crisis schreef. Voor ons voert deze discussie te ver en het is er ook nog te vroeg voor. Daarom volsta ik in dit hoofdstuk met weergave van de bovengenoemde opvattingen van Balkin, die een fraai tegenwicht vormen bij de eerder weergegeven opvattingen van Levinson terzake van ‘popular constitutionalism’. De lezer kan zich zo zelf een oordeel vormen over de merites van beide standpunten, die zoals vaker beide een kern van waarheid lijken te bevatten.

Zie verder:

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (IV): De heterogeniteit van de huidige Amerikaanse bevolking en de menselijke natuur

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (III): De achterlopende Grondwet

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (II): Een opzienbarend boek

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (I): Inleiding

 

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (IV): De heterogeniteit van de huidige Amerikaanse bevolking en de menselijke natuur

Dit is het vierde deel van een nieuwe serie blogposts gebaseerd op een bijdrage die ik een jaar geleden, op 20 april 2017, leverde aan een symposium over The Federalist Papers. Het symposium, dat plaatsvond in Brussel, was georganiseerd door De Debatten. ‘De Debatten is een initiatief van de Vrije Universiteit Brussel met de Universiteit Leiden en als Nederlandstalig forum een vaste waarde onder rechtsfilosofen en rechtshistorici uit de Lage Landen en een groeiende waarde binnen de wereld van de politieke filosofie.’ De bijdrage is onlangs ook, in definiteve vorm en voorzien van notenapparaat, gepubliceerd. Meer informatie daarover volgt nog.

Het ligt in de rede is hierbij nog een tweede fundamentele kwestie te betrekken die Levinson aansnijdt. Deze heeft betrekking op Federalist nr. 2. Hierin geeft Publius aan te hebben opgemerkt hoe ‘Providence has been pleased to give this one connected country, to one united people, a people descended from the same ancestors, speaking the same language, professing the same religion, attached to the same principles of government, very similar in their manners and customs’.

Levinson trekt terecht in twijfel of het Amerikaanse volk in de tijd dat de Federalist Papers werden geschreven wel zo homogeen was als Publius hier doet voorkomen. Een belangrijkere vraag is evenwel of wij heden ten dage met hem van oordeel zijn dat voor het welslagen van het Amerikaanse politieke experiment, dan wel vergelijkbare experimenten elders, een dergelijke mate van homogeniteit van de bevolking van belang is. Levinson stelt zichzelf inderdaad de vraag of er geen grenzen zijn aan de diversiteit die een samenleving zich kan veroorloven in het geval zij een republikeinse regeringsvorm voorstaat. Hij heeft ook reserves tegen groepen immigranten uit niet- of zelfs anti-democratische landen, die zich in Amerika terugtrekken in de eigen groep en aldus parallelsamenlevingen vormen.  Aan de andere kant bewijst het succes van de Verenigde Staten in de afgelopen 250 jaar, ondanks soms ernstige verdeeldheid, dat de homogeniteit die vereist is bepaald ook weer niet absoluut is.

Het is interessant om dit tweede, majeure punt dat Levinson maakt in zijn boek te bezien in relatie tot zijn centrale stelling. Wat betekent de mate van heterogeniteit van de Amerikaanse bevolking op dit moment voor het vertrouwen dat we kunnen hebben in haar vermogen om met behulp van reflectie en keuze de Amerikaanse Grondwet up-to-date te brengen dan wel te houden?

Menselijke natuur

Hier komt nog een derde fundamentele kwestie die Levinson aansnijdt bij, te weten die van de menselijke natuur. Volgens Federalist nr. 6, ‘men are ambitious, vindictive and rapacious’. In zijn commentaar op dit essay bestrijdt Levinson dit niet. Hij merkt slechts op dat Publius dit heel in het algemeen stelt en daarbij dus geen uitzondering maakt voor de Amerikanen. Volgens hem heeft dit bijzondere implicaties voor internationale lezers van de Federalist Papers. Zij moeten zich, als Publius gelijk heeft, dus ook op het ergste voorbereiden ten aanzien van de Amerikanen zelf.

Dit punt wordt nog versterkt door de zin uit Federalist nr. 10, waarop Levinson zich concentreert in zijn commentaar daarop. Deze zin luidt: ‘If the impulse and the opportunity [to engage in factitious conduct] be suffered to coincide, we well know that neither moral nor religious motives can be relied on as an adequate control.’ In reactie hierop schrijft Levinson dat Amerikanen dit moeilijk vinden om te bevatten, omdat zij graag anders willen geloven. Toch sluit hij zijn commentaar op dit essay af met een retorisch bedoelde vraag: ‘Is it chimerical to believe that the United States Constitution, even buttressed by “moral” or “religious” education, can provide adequate protection against our “latent” natures and the propensity to self-preference over the common good?’

Als dit evenwel het geval is, dan rijst tevens de vraag hoe de derde fundamentele kwestie die Levinson in zijn boek aansnijdt zich verhoudt tot zijn hoofdstelling, te weten dat een vorm van ‘popular constitutionalism’ gewenst is om de Amerikaanse Grondwet weer in rapport te brengen met de tijd. Daarbij is het overigens zo dat ook kan worden betoogd, zoals Levinson meer of minder impliciet doet, dat wanneer ‘reflection and choice’ 250 jaar geleden mogelijk zijn gebleken, dit thans ook het geval zou moeten zijn. Hoogstens kan men zich dan afvragen hoe breed de kring van hierbij betrokkenen dient te zijn. Zoals wij eerder zagen, trekt Levinson zelf al een mogelijke grens, wanneer hij stelt dat het om mensen moet gaan die tenminste in staat zijn de Federalist Papers te lezen.

Mickey Edwards van het niet-partijgebonden Aspen Institute heeft Levinson op deze complicatie gewezen tijdens een discussie tussen beiden bij de Brookings Institution. Levinson antwoordde hierop dat er waarschijnlijk momenten waren dat hij pessimistischer was over het vermogen van zijn mede-Amerikanen om serieus van gedachten te wisselen over aangelegenheden betreffende het staatsbestuur. Op bijna profetische wijze liet hij hierop volgen dat ‘that pessimism would lead me to have very serious questions about whether I will regard the outcome of the 2016 elections as legitimate’.

Zie ook de eerdere bijdragen in deze reeks blogposts:

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (III): De achterlopende Grondwet

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (II): Een opzienbarend boek

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (I): Inleiding

 

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (III): De achterlopende Grondwet

Dit is het derde deel van een nieuwe serie blogposts gebaseerd op een bijdrage die ik een jaar geleden, op 20 april 2017, leverde aan een symposium over The Federalist Papers. Het symposium, dat plaatsvond in Brussel, was georganiseerd door De Debatten. ‘De Debatten is een initiatief van de Vrije Universiteit Brussel met de Universiteit Leiden en als Nederlandstalig forum een vaste waarde onder rechtsfilosofen en rechtshistorici uit de Lage Landen en een groeiende waarde binnen de wereld van de politieke filosofie.’ De bijdrage verschijnt later deze maand, in definiteve vorm en voorzien van notenapparaat, ook in druk.

Welbeschouwd heeft Levinson slechts een centraal punt waarop hij de aandacht wil vestigen naar aanleiding van de Federalist Papers. Direct bij de bespreking van Federalist nr. 1 merkt hij op dat Publius er, als kind van de Verlichting, van uitging dat de opstellers van de Grondwet in staat zouden zijn om te reflecteren op de vraag hoe deze eruit diende te zien. Of, in de beroemde woorden van Publius zelf: ‘it seems to have been reserved to the people of this country, by their conduct and example, to decide the important question, whether societies of men are really capable or not, of establishing good government from reflection and choice, or whether they are forever destined to depend, for their political constitutions, on accident and force.’

Als dat ruim twee eeuwen geleden zo was, dan valt volgens Levinson niet in te zien waarom dat thans anders zou moeten zijn: ‘The central question is whether we still believe, well into the third century after October 27, 1787, when Publius’s initial essay was published, that it makes sense to subject American constitutionalism to the standards of “reflection and choice.”’ Vandaar ook de titel van Levinson’s boek, die is ontleend aan hetgeen Publius tegen het eind van zijn eerste essay opmerkt. Publius belooft daar dat ‘[m]y arguments will be open to all, and may be judged of by all’. Levinson bestempelt deze belofte ook twee eeuwen later nog als ‘deeply inspirational’. Publius gaf direct aan het begin van de Federalist Papers blijk van zijn vertrouwen in het vermogen van de Amerikaanse bevolking om over het staatsbestuur te beraadslagen en daarover vervolgens belangwekkende beslissingen te nemen. De vraag die thans voorligt, luidt: ‘Do we believe that is possible today, or is it a quixotic, even potentially dangerous fantasy?’

Levinson betoont zich hiermee voorstander van wat ‘popular constitutionalism’ wordt genoemd, wel te onderscheiden van het op dit moment tevens gebruikte ‘populist constitutionalism’. Bij deze laatste term is het de vraag of er geen sprake is van een contradictio in terminis, in de zin dat er een spanning bestaat tussen liberaal constitutionalisme en populisme, voorzover de laatste stroming zich met een beroep op het ‘echte’ volk keert tegen pluralisme. Bij ‘popular constitutionalism’ is dit niet, of althans minder, het geval. ‘Popular constitutionalism’ is voor Levinson een term die ervan uitgaat dat de bevolking als geheel in staat is om nog altijd deel te nemen aan een serieuze gedachtenwisseling over constitutionele aangelegenheden, zoals Federalist nr. 1 die reeds voor zich zag, in elk geval voorzover het de lezers van de Federalist Papers zelf betrof. Deze laatste clausulering is onthullend, aangezien het direct ook weer een aanzienlijke inperking van het ‘popular constitutionalism’ impliceert, althans denkbaar acht.

Daar staat tegenover dat Levinson ten aanzien van de methoden van ‘popular constitutionalism’ juist weer betrekkelijk ruimhartig schijnt. Zo verwijst hij naar het feit dat aanhangers van de Tea Party-beweging door hun tegenstanders zijn bekritiseerd vanwege het soms tumultueueze karakter van hun protesten. Echter, dit verwijt is in het verleden ook wel gericht aan het adres van linkse demonstranten tijdens de jaren zestig van de twintigste eeuw en, recenter, de Occupy-beweging in de jaren 2011-2012. Voor Levinson is het echter in al deze gevallen de vraag: ‘Should we, however, perhaps describe these protests as “Publian moments”?’ Hier zien we Levinson dus, consistent als hij kan zijn, als verdediger optreden van de Tea Party, terwijl zelfs conservatieve staatsrechtsgeleerden soms reserves koesteren ten aanzien van de doelen en methoden van deze beweging. Deze reserves gelden in hun geval vanzelfsprekend nog sterker met betrekking tot de door de Occupy-beweging gevolgde aanpak. Levinson komt hier evenwel op door een passage uit Federalist nr. 33, waarin Publius stelt dat de federale regering ‘must judge in the first instance of the proper exercise of its powers; and its constituents in the last’. Wanneer blijkt dat de regering haar bevoegdheden heeft overschreden, en het gevaar van tyrannie dreigt, ligt het op de weg van de bevolking om passende maatregelen te treffen teneinde de schending van de Grondwet te doen stoppen.

Een en ander betekent voor Levinson dat ook vandaag de Amerikaanse Grondwet nog onderworpen dient te zijn aan ‘full and fearless critique’. Bijgevolg is het voor Levinson niet alleen denkbaar, maar in het licht van bepaalde veranderingen die zich de afgelopen 250 jaar hebben voltrokken ook wenselijk, dat de Amerikaanse Grondwet wordt gewijzigd. Zoals dikwijls wordt aangenomen, is het echter op grond van artikel V in de praktijk heel lastig is om de Grondwet te amenderen. Daarom moet er volgens Levinson desnoods buiten de grondwettelijke procedure om een Constitutionele Conventie bijeen worden geroepen. Deze zou als opdracht moeten krijgen de voorbereiding van ‘a comprehensive overview of the U.S. Constitution and the utility of many of its provisions to twenty-first century Americans’.

De aanleiding voor Levinson om zo te hechten aan constitutionele verandering is dat hij, evenals menige andere auteur, signaleert dat de Amerikaanse democratie in hoge mate ‘dysfunctioneel’ is geworden. In tegenstelling tot de meeste andere auteurs, zoekt hij de oorzaak daarvan evenwel in de Grondwet zelf. Deze mag dan nog zo bewonderd worden, zij blijft volgens Levinson tegelijkertijd ‘an “imbecility” in important aspects and in need of a full-scale checkup and diagnosis, with the possibility that fairly radical surgery may be required?’ Binnen de Grondwet gaat zijn aandacht daarbij vooral uit naar de ‘structurele’ bepalingen, die de Amerikaanse staatsinrichting betreffen. Dit is ongetwijfeld een verademing in een tijd waarin de ‘Bill of Rights’ zowel maatschappelijk als wetenschappelijk de meeste aandacht trekt. De Amerikaanse staatsinrichting zit bewust zo in elkaar dat niet alleen de Grondwet moeilijk kan worden gewijzigd, maar ook de meerderheid van het moment slechts met moeite het programma waarop zij is verkozen, zal kunnen omzetten in beleid. Dit is echter juist waar Levinson bezwaar tegen heeft.

Vanzelfsprekend laat Levinson zich in zijn streven naar verandering van de Amerikaanse Grondwet kennen als een rechtgeaarde progressieve liberaal. Opvallend daarbij is dat hij zich mede beroept op Publius zelf. Behalve Federalist nr. 1, haalt hij in dat verband ook Federalistnr. 9 aan, waarin wordt verwezen naar de nieuwe en verbeterde ‘science of politics’ waarvan gebruik mag en zelfs moet worden gemaakt. De politieke wetenschap heeft volgens deze aflevering duidelijk vooruitgang geboekt ten opzichte van de klassieke oudheid. Beginselen als de machtenscheiding waren op het moment van verschijning van de Federalist Papers bijvoorbeeld ‘wholly new discoveries, or have made their principal progress towards perfection in modern times’. Ook corrigeert Publius een denker als Montesquieu wanneer deze stelt dat, als het gaat om het bereiken en handhaven van een republikeinse regeringsvorm, de omvang van een land niet te groot moet zijn. Kortom, Publius ‘is rejecting what philosophers sometimes call the “argument from authority” in favor of what we can ascertain from our own experiences’.

Tenslotte wijst Publius in Federalist nr. 37 op de grenzen van het menselijk begrip, zeker waar het ‘the institutions of man’ betreft. Het is, zo schrijft hij, in de praktijk bijzonder lastig gebleken om de drie klassieke staatsmachten en hun bevoegdheden precies van elkaar te onderscheiden. Vrijwel dagelijks rijzen hieromtrent vragen die onmiskenbaar de ‘obscurity’ laten zien die deze onderwerpen beheerst voor zelfs de briljantste politieke wetenschappers.’ En wat Levinson ‘the most stunning sentence’ van deze aflevering noemt, een zin die betrekking heeft op de onvermijdelijke ‘inaccuracy of the terms’ die bijvoorbeeld de makers van de Constitutie hebben gehanteerd: ‘When the Almighty himself condescends to address mankind in their own language, his meaning, luminous as it must be, is rendered dim and doubtful, by the cloudy medium through which it is communicated.’ Aldus werpt Federalist nr. 37 in essentie dezelfde (meta-)vraag op als Federalist nr. 14: moeten we de Federalist Papers nu gebruiken om definitieve antwoorden te vinden op de constitutionele vragen van de dag of is de boodschap van Publius wellicht een andere, te weten ‘“Think for yourselves, drawing on your own lessons of experience. We did the best we could do, as inevitably fallible human beings. Now it’s up to you.”’

Publius hanteert al dergelijke argumenten om tot een betrekkelijk radicale breuk te komen met de theorie en praktijk van de confederatie. Inmiddels hebben wij echter bijna 250 jaar meer ervaring met politieke stelsels, waaronder het Amerikaanse. Zou het niet voor de hand liggen deze ervaring te benutten om het bestel bij te stellen indien het niet langer functioneert op de manier waarop dat zou moeten, zo vraagt Levinson zich af?

Zie voorts:

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (II): Een opzienbarend boek

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (I): Inleiding

Press Release: ‘Twelve ILS seed money grants for frontier research at Leiden Law School’

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (II): Een opzienbarend boek

Dit is het tweede deel van een nieuwe serie blogposts gebaseerd op een bijdrage die ik een jaar geleden, op 20 april 2017, leverde aan een symposium over The Federalist Papers. Het symposium, dat plaatsvond in Brussel, was georganiseerd door De Debatten. ‘De Debatten is een initiatief van de Vrije Universiteit Brussel met de Universiteit Leiden en als Nederlandstalig forum een vaste waarde onder rechtsfilosofen en rechtshistorici uit de Lage Landen en een groeiende waarde binnen de wereld van de politieke filosofie.’ De bijdrage verschijnt volgende maand, in definiteve vorm en voorzien van notenapparaat, ook in druk.

-0-0-0-

Sanford Levinson is sinds 1980 hoogleraar rechten en politieke wetenschappen aan de Universiteit van Texas in Austin. Een eerste reden waarom hij een interessante auteur over de Federalist Papers is, is dat hij niet alleen een gecombineerde leeropdracht heeft, maar in de praktijk in zijn werk ook daadwerkelijk een integratie van rechten en politieke wetenschappen tot stand brengt. Wat de laatste discipline betreft, doet hij dat dan nog met inbegrip van de politieke theorieën. Een dergelijke benadering, die nog altijd onderscheidend is, kan zeker ook binnen het Amerikaanse constitutionele recht vruchtbaar zijn, gelet op het verschil tussen de geschreven en de ongeschreven Constitutie. Welbeschouwd is het dan ook minder toepasselijk om nog van constitutioneel recht te spreken en kan eerder de aanduiding ‘constitutional studies’ worden gebruikt. Toch blijft Levinson op de ene of de andere wijze altijd bezig met het constitutionele recht, in de zin dat hij oog houdt voor de constitutionele structuren waarbinnen zich politieke processen en ook theorievorming afspelen.

De hoofdreden waarom Levinson een boeiende auteur is wanneer het de Federalist Papers betreft, is echter ongetwijfeld dat hij de meest prominente progressief-liberale staatsrechtswetenschapper is die er in de Verenigde Staten te vinden valt op het terrein van de constitutie. Enkele kwalificaties die van Levinson zijn gegeven, mogen dit illustreren: ‘the most imaginative, innovative and provocative constitutional scholar of our time’; ‘post New Deal America’s preeminent advocate of constitutional reform’; ‘America’s greatest revolutionary constitutionalist’; en ‘the unofficial spokesman for progressive critics of the Constitution’.

Nu is het op zichzelf genomen niet heel bijzonder te noemen dat een Amerikaanse staatsrechtswetenschapper progressief-liberaal blijkt te zijn. Onder de meesten van zijn progressief-liberale collega’s behoren de Federalist Papers evenwel niet tot de standaardverwijzingen, laat staan dat zij er een boek aan wijden. Juist de combinatie van de leidende progressief-liberale staatsrechtsbeoefenaar in de Verenigde Staten met een studie over de Federalist Papers is althans op papier echter goed voor het nodige vuurwerk.

Dat wordt ook erkend door conservatievere collega’s, zoals Robert P. George van het James Madison Program in American Ideals and Institutions aan de Universiteit van Princeton. Bij wijze van aanbeveling voor een eerder boek van Levinson schreef George: ‘Few scholars are in the same league with Professor Sanford Levinson when it comes to raising provocative questions about the Constitution and conventional modes of interpreting its provisions.’ Het maakte voor George ten principale geen verschil of men het nu eens of oneens was met de analyses en conclusies van Levinson: ‘what matters is that he forces readers to think about dimensions of constitutional questions that ordinarily go unnoticed.’ Dit eerdere boek betrof Our Undemocratic Constitution: Where the Constitution Goes Wrong (And How We the People Can Correct It) en dateert van 2006. Recenter, in 2012, publiceerde Levinson verder Framed. America’s 51 Constitutions and the Crisis of Governance. Hoewel het de moeite waard lijkt te onderzoeken of en in hoeverre Levinson in de loop van de tijd een ontwikkeling heeft doorgemaakt in zijn denken over de Amerikaanse Constitutie, blijft een dergelijke poging hier achterwege. Tenslotte betreft het een bundel over de Federalist Papers, dus ligt het in de rede mij te concentreren op Levinson’s boek dat daar het meest direct over gaat.

Dat boek is ongetwijfeld An Argument Open to All, waarover de Boston Review schreef in een formulering die ik hierboven reeds half parafraseerde: ‘When the country’s most prominent critic of the Constitution writes a commentary on the most famous defense of that Constitution, it is an event. When the publication of that commentary comes at a time when the system of government that Constitution provides is, by all accounts, under serious strain, it is an event very much worth noting.’ Op de tweede helft van dit citaat komt deze serie blogposts terug in deel 6, dat is gewijd aan de verkiezing van Donald Trump tot President van de Verenigde Staten.

Overigens schrijft Levinson in zijn boek niet op de gebruikelijke wijze over de Federalist Papers, dat wil zeggen door deze te plaatsen in hun historische context. In de inleiding op zijn boek neemt hij dan ook direct afstand van het idee dat herlezing van de Federalist Papers primair zou moeten bijdragen tot een beter begrip van de oorspronkelijke bedoelingen van de Amerikaanse Constitutie. Ook is hij niet geïnteresseerd in de verschillen tussen de verschillende auteurs van de Federalist Papers, zoals menige andere wetenschapper. Teneinde dit tot uitdrukking te brengen, duidt hij hen gezamenlijk aan als ‘Publius’.

In plaats hiervan gaat Levinson in het boek juist op zoek naar de mogelijke actuele relevantie van elk van de 85 Federalist Papers. Dit zowel voor Amerikaanse lezers als voor internationale lezers die op zoek zijn naar mogelijke lessen die zij uit het werk kunnen trekken in het kader van de ‘constitutional design’ in eigen land. Natuurlijk is het weer enigszins een progressief-liberale trek om in termen van ‘constitutional design’ te denken als het om andere landen gaat, alsof de culturele en historische context waarbinnen een constitutioneel stelsel functioneert maakbaar zou zijn. Anderzijds vormen de Federalist Papers zelf een vroeg voorbeeld van deze thans wederom populaire stroming binnen het vergelijkende constitutionele recht.

Levinson’s benadering is al met al, zoals hij het zelf formuleert, ‘highly “presentist”’. Of, om de titel van de inleiding aan te halen: hij beschouwt Publius als tijdgenoot. Tot zijn eigen verrassing kwam Levinson al schrijvende tot de ontdekking dat niet alleen de paar bekende nummers, maar elk van de 85 oorspronkelijke essays ‘contains something that should spark our interest today’.

Zie voorts:

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (I): Inleiding

Upcoming Speaking Engagement: Symposium The Federalist Papers, Brussel, 20 april 2017

Participant, ‘Great Transformations: Political Science and the Big Questions of Our Time’, 2016 APSA Annual Meeting, Philadelphia, PA, September 1-4

 

 

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (I): Inleiding

Dit is het eerste deel van een nieuwe serie blogposts gebaseerd op een bijdrage die ik een jaar geleden, op 20 april 2017, leverde aan een symposium over The Federalist Papers. Het symposium, dat plaatsvond in Brussel, was georganiseerd door De Debatten. ‘De Debatten is een initiatief van de Vrije Universiteit Brussel met de Universiteit Leiden en als Nederlandstalig forum een vaste waarde onder rechtsfilosofen en rechtshistorici uit de Lage Landen en een groeiende waarde binnen de wereld van de politieke filosofie.’ De bijdrage verschijnt volgende maand, in definiteve vorm en voorzien van notenapparaat, ook in druk.

-0-0-0-

In tegenstelling tot de meeste andere lezingen tijdens dit symposium, gaat deze bijdrage niet (alleen) over de Federalist Papers zelf. In plaats daarvan kijk ik naar de Federalist Papers door de bril van de Amerikaanse staatsrechtsgeleerde Sanford Levinson. Levinson heeft in 2015 een boek gepubliceerd met als titel An Argument Open to All. Reading The Federalistin the 21st Century.

Op 1 september 2016 woonde ik een drukbezocht panel bij over dit boek tijdens de jaarvergadering van de American Political Science Association in Philadelphia (zie foto), dat mijn belangstelling wekte voor dit boek. Het panel was getiteld ‘Is The Federalist Relevant to 21st Century Concerns?’ en stond onder voorzitterschap van Levinson’s collega Mark Graber van de University of Maryland. Naast Levinson zelf, namen aan dit panel onder anderen deel Ran Hirschl en Kim Lane Scheppele, stuk voor stuk wetenschappers met een rockster-status in het vergelijkende constitutionele recht. Kom er maar eens om in Nederland: een levendig boekpanel met prominente staatsrechtsgeleerden over de Federalist Papers, tijdens een politicologenconferentie.

Behalve op indrukken die ik opdeed tijdens dit boekpanel, is de bijdrage gebaseerd op publiekelijk beschikbare audio- en videofragmenten van Levinson, waarin hij nader ingaat op de inhoud van het boek en daarover vragen beantwoordt, alsmede recensies van het boek. Alleen al uit de vele lezingen die de auteur door de hele Verenigde Staten en voor uiteenlopende publieken over zijn boek heeft gegeven, valt op te maken hoezeer hem het onderwerp ter harte gaat en dat hij bijna een soort missie ervaart om zijn boodschap uit te dragen aan wie die ook maar horen wil.

In hetgeen volgt, worden de beschouwingen van Levinson over de Federalist Papers als leidraad gehanteerd. Uiteraard is het niet mogelijk om binnen het bestek van deze bijdrage recht te doen aan alle thema’s die Levinson in zijn boek over de Federalist Papers aanstipt. Er is in plaats daarvan voor gekozen om, de 85 beschouwingen overziende, de centrale stelling van Levinson eruit te lichten en deze te behandelen in relatie tot twee andere fundamentele kwesties die hij aansnijdt in het boek. Deze centrale stelling luidt dat het de huidige Amerikaanse bevolking ten principale vrijstaat te reflecteren op de Grondwet, evenals de Founding Fathers dat in hun tijd hebben gedaan, en hier desgewenst ook consequenties uit te trekken. Hierover gaat deel 3 van deze serie blogposts.

De twee andere fundamentele kwesties die Levinson in dit verband aansnijdt, zijn respectievelijk de heterogeniteit van diezelfde Amerikaanse bevolking (deel 4) en de menselijke natuur (deel 5). De vraag die in  dit verband rijst, is in hoeverre deze heterogeniteit en de menselijke natuur belemmeringen vormen bij de reflectie op de Grondwet door de huidige Amerikaanse bevolking.

De drie hoofdpunten van Levinson  bij elkaar genomen hebben een hernieuwde actualiteitswaarde gekregen na de verkiezing van Donald Trump tot President van de Verenigde Staten in november 2016. Het is om deze reden uniek te noemen, dat wij de indruk die dit heeft gemaakt op de auteur bijna op de voet kunnen volgen, dankzij een inmiddels gepubliceerde mailwisseling van hem met zijn collega aan Yale Jack M. Balkin zowel in de aanloop tot de Amerikaanse presidentsverkiezingen als kort daarna. Bij deze mailwisseling zal afzonderlijk worden stilgestaan (deel 6), waarna wij afsluiten met een conclusie (deel 7). Op passende, Amerikaanse wijze, geef ik deze conclusie hier alvast weer: Levinson moet zoal niet als geestverwant, dan toch in elk geval als bloedverwant, worden beschouwd door wie overtuigd is van de onverminderde relevantie van Federalist Papers bij de bestudering van het vergelijkende constitutionele recht. Deze woordspeling zal gaandeweg de bijdrage hopelijk duidelijker worden.

Ik begin deze bijdrage evenwel met iets nader te adstrueren waarom het, tijdens een symposium gewijd aan de Federalist Papers, interessant is om afzonderlijk aandacht te besteden aan uitgerekend dit boek dat daarover recentelijk is verschenen (deel 2). Wat is de achtergrond van de auteur en wat voor soort boek heeft hij geschreven?

Zie voorts:

Upcoming Speaking Engagement: Symposium The Federalist Papers, Brussel, 20 april 2017

Participant, ‘Great Transformations: Political Science and the Big Questions of Our Time’, 2016 APSA Annual Meeting, Philadelphia, PA, September 1-4

Press Release: ‘Twelve ILS seed money grants for frontier research at Leiden Law School’

Participant, Acton University, June 20-23 2017, Grand Rapids, Michigan (I)

Source: CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=240138

This week I will be attending the 2017 Acton University Conference, at DeVos Place, Grand Rapids, Michigan.

Acton University ‘is a unique, four-day exploration of the intellectual foundations of a free society. Guided by a distinguished, international faculty, Acton University is an opportunity to deepen your knowledge and integrate philosophy, theology, business, development – with sound, market based, economics.’

It is organized by the Acton Institute, ‘a think-tank whose mission is to promote a free and virtuous society characterized by individual liberty and sustained by religious principles’.

Topics dealt with include:

Thomas Jefferson v. Alexander Hamilton

The Inspiration of the Declaration: What Calvin Coolidge’s Views on Government and Faith Tell Us Today

John Locke’s Philosophy of Liberalism

Edmund Burke and the Origins of Modern Conservatism

Alexis de Tocqueville: Does Liberty Follow from Democracy?

Democracy and Development

Natural Law and Human Flourishing

“Post-Consensus” Culture and Natural Law

Religious Liberty: The Dawn of the First Amendment

The Religious Problem with Religious Freedom

Marriage and Religious Liberty

How to Understand and Critique Secularism

Presenters will be, among others:

Ryan Anderson, Ph.D., William E. Simon Senior Research Fellow in American Principles and Public Policy, The Heritage Foundation

Hunter Baker, J.D., Ph.D., University Fellow and Associate Professor of Political Science, Union University

The Honorable Judge Janice Rogers Brown, Circuit Judge, U.S. Court of Appeals for the D.C. Circuit

Lenore Ealy, Ph.D., President, The Philanthropic Enterprise, Inc.

Kenneth Grasso, Ph.D., Professor and Chair of Political Science, Texas State University

Carrie Gress, Ph.D., Author and Public Intellectual

Robert Joustra, Ph.D., Director of the Centre for Christian Scholarship, Redeemer University College

Daniel Mark, Ph.D., Professor of Political Science, Villanova University, and Chairman of the U.S. Commission on International Religious Freedom (USCIRF)

Russell Moore, President of the Ethics & Religious Liberty Commission of the Southern Baptist Convention

Svetlana Papazov, D.Min., Lead Pastor, Real Life Church; CEO & Founder, Real Life Center for Entrepreneurial and Leadership Excellence

John Pinheiro, Ph.D., Professor of History and Founding Director of Catholic Studies, Aquinas College

Amity Shlaes, Presidential Scholar, The King’s College.

Sources, and more informationActon UniversityActon Institute.

See alsoUpcoming Speaking Engagement: Symposium The Federalist Papers, Brussel, 20 april 2017