Tag Archives: Europese integratie

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (VI) (slot)

  1. Tot besluit

Het is uiteraard niet per definitie zo dat Nederland een dergelijke positie zou kunnen of moeten overnemen. Vanuit constitutioneel-theoretisch perspectief verdient het juist de voorkeur een stap vooruit te maken, althans voor wie openstaat voor zekere parallellen tussen de Verenigde Staten in de tijd dat The Federalist Papers verschenen en het Europa van nu. De politieke omstandigheden van dit moment maken evenwel dat het weinig realistisch is een dergelijke optie te bepleiten.

Mede in het licht van deze situatie, kan het Nederlandse staatsrecht er profijt bij hebben de inhoudelijke meningsverschillen die ten aanzien van het onderwerp overdracht van soevereine bevoegdheden aan de EU ook wetenschappelijk wel degelijk bestaan te expliciteren. Bij divergentie tussen de geschreven constitutie en een gegroeide staatkundige praktijk, is aanpassing van de geschreven constitutie nu eenmaal niet de enig denkbare optie.

In augustus 2017 verscheen in The New York Times een artikel getiteld ‘New on This Fall’s Law School Syllabus: Trump’. De gedachte achter dit artikel was dat (staatsrecht)juristen in onder meer hun onderwijs de handen vol zouden krijgen aan de constitutionele misstappen van de president van de Verenigde Staten.

De verkiezing van Trump tot president in 2016 kan ook nog op een andere manier het onderwijs en onderzoek van staatsrechtjuristen stempelen. Dan gaat het minder om de persoon en diens concrete beleid, dan wel het gebrek daaraan, maar om de onderliggende mengeling van conservatieve en populistische ideeën die tot zijn verkiezing heeft bijgedragen.

Zo werden tijdens de jaarvergadering van de American Political Science Association in augustus 2017 in San Francisco diverse panels gewijd aan vragen als: ‘Does Trumpism exist?’ De antwoorden hierop liepen uiteen, maar zeker is dat er zoiets als constitutioneel conservatisme bestaat. Dit vormt een tegenhanger van de meer gangbare, progressief-liberale wijze waarop aan Amerikaanse law schools, en tot op zekere hoogte ook in Europa, het staatsrecht bedreven pleegt te worden. In het constitutionele conservatisme bestaat meer aandacht voor de klassieke constitutionele theorie, waarin een meer natuurrechtelijke benadering niet op voorhand achterhaald wordt geacht.

In deze bijdrage heb ik voor de variatie eens dit constitutionele conservatisme gebruikt als een handvat om de vraag te beantwoorden of in de 21ste eeuw staatsbestuur zonder overdracht van soevereine bevoegdheden mogelijk is. Speciale aandacht daarbij is uitgegaan naar de gevolgen van een dergelijke overdracht van soevereine bevoegdheden aan de EU voor de constitutionele verhoudingen in het algemeen en de positie van de wetgever in het bijzonder.

Meer aandacht voor deze gevolgen zou niet alleen de vitaliteit van de liberale democratie in Europa ten goede kunnen komen. Het maakt tevens de ontstane kloof tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk, die mede hierop betrekking had, kleiner, ongeacht of de Brexit nu wel of niet als onomkeerbaar wordt beschouwd. Binnen staatsrechtelijk Nederland kan hernieuwde aandacht voor de gevolgen van soevereiniteitsoverdracht aanleiding geven tot een herbezinning op de positie die het Duitse constitutionele hof inneemt jegens het proces van Europese integratie. Het is positief dat de Staatsrechtconferentie 2017 alleen al door het thema ‘Globalisering als uitdaging voor nationale soevereiniteit’ te agenderen hieraan een bijdrage heeft geleverd, ook al zullen de opvattingen te dien aanzien uiteen blijven lopen.

Zie voorts:

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (V)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (IV)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (III)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (III)

In december 2017 presenteerde ik een paper over bovengenoemd onderwerp tijdens de Staatsrechtconferentie aan de Universiteit Maastricht. Dit paper verschijnt binnenkort als hoofdstuk in de bundel ‘Begrenzende soevereiniteit’, onder redactie van Sascha Hardt, Aalt Willem Heringa en Antonia Waltermann.

In een serie van vijf à zes wekelijkse blogposts zal hier het paper alvast te lezen zijn. Voor de gefinaliseerde versie, voorzien van notenapparaat, zij verwezen naar de bundel. Het behoeft geen betoog dat het onderwerp hernieuwde actualiteitswaarde heeft, onder meer met het oog op de a.s. verkiezingen voor het Europees Parlement.

  1. De kloof tussen norm en werkelijkheid

Wanneer we nu vanuit het perspectief van de wat meer natuurrechtelijke constitutionele theorie naar de Europese Unie (EU) kijken, dan is het eerste gebrek dat opvalt, dat er geen duidelijk identificeerbare ‘regering’ valt aan te wijzen. Dit is vanouds wel een belangrijke voorwaarde voor in elk geval democratische legitimiteit. Binnen nationale staten als Nederland is er dan ook sprake van dergelijke regeringen. Zoals Möllers betoogt, is er welbeschouwd in Europees verband geen oplossing voor deze tekortkoming. Het is een gevolg van de fase van integratie waarin de EU zich bevindt, of eigenlijk: is blijven steken.

De rechtsfilosoof Andreas Kinneging heeft er ruim tien jaar geleden reeds op gewezen, dat een dergelijke onvoltooid karakter van de Europese staatsvorming vanuit klassiek constitutioneel theoretisch perspectief als problematisch valt aan te merken. Historisch gezien zijn er, naast eenheidsstaten, welbeschouwd slechts federale staten en statenbonden te onderscheiden. De gedachte dat de EU een nieuw soort tussenvorm zou kunnen vormen tussen deze twee, dan wel een voortdurend voorschrijdend proces zou inhouden, valt in het gunstigste geval als postmodern aan te merken: ‘Unidentified political objects do not and cannot exist.’ Toch is dit de mythe waarmee de Europese integratie nu al verscheidene decennia, ook staatsrechtelijk, wordt gerechtvaardigd.

Inmiddels heeft deze Europese schemertoestand, die vanuit het oogpunt van democratische legitimiteit derhalve niet verkiesbaar is, ‘de invloed en de zelfstandige beslissingsmacht van het Nederlandse parlement verkleind’. Onder deze omstandigheden is een dergelijke overdracht van bevoegdheden echter, zoals de Staatscommissie parlementair stelsel in haar probleemverkenning vaststelde, ‘niet vrij van problemen’: ‘Zo is er nog steeds sprake van een democratisch tekort, vooral omdat op EU niveau een volwaardig parlementair stelsel ontbreekt: het ontbreekt aan een Europese regering die op alle beleidsterreinen verantwoordelijk is aan en het vertrouwen behoeft van het         Europees Parlement. Burgers in Nederland ervaren het Europees Parlement bovendien ook niet als hùn parlement. Hoewel het verdrag van Lissabon het Europees Parlement meer bevoegdheden heeft gekregen [sic], is het door de Tweede Kamer gehanteerde argument dat de Nederlandse parlementaire zeggenschap is overgenomen door het Europees Parlement niet houdbaar. Nog steeds geldt immers voor het optreden van een Nederlandse bewindspersoon in een vergadering van de Europese Raad van Ministers ministeriële verantwoordelijkheid ten opzichte van het Nederlandse parlement. Kortom het juiste samenstel van checks and balances ontbreekt op het niveau van de EU.’

Dit laatste werd in de staatsrechtelijke literatuur reeds eerder beaamd, en vormt naast de afwezigheid van een duidelijk identificeerbare regering een tweede gebrek, hoewel er zeker ook tegengeluiden waarneembaar zijn. Ik noem hier, in chronologische volgorde, drie voorbeelden van auteurs die de gevolgen van het proces van Europese integratie voor de trias politica hebben besproken. Allereerst heeft Leonard Besselink er in een artikel over de invloed van Europa op de binnenlandse constitutionele verhoudingen op gewezen, dat de traditionele trias mede daardoor op de kop is gezet. Vanouds stond de wetgevende macht daarin centraal. De uitvoerende macht had tot taak de door de wetgever vastgestelde wetten uit te voeren en de rechterlijke macht diende ertoe daarbij rijzende geschillen te beslechten. Inmiddels zijn de uitvoerende en de rechterlijke macht echter de twee dominante staatsmachten geworden, terwijl de wetgevende macht in de verdrukking is geraakt. Dit is zeker niet exclusief het gevolg van de Europese integratie. De opkomst van de sociale rechtsstaat is een eerdere en minstens zo belangrijke oorzaak. De Europeanisering heeft dit proces wel versterkt. Ook in 2005, het jaar van het referendum over de Europese Grondwet, signaleerde Besselink reeds een gebrek aan debat over deze toch wezenlijke zaken.

Op het Europese vlak zelf is de situatie, volgens zijn voormalige Utrechtse collega Deirdre Curtin, niet veel beter: ‘At the international and European level the principle of separation of powers is not applied and has never been. In the context of the European Union there has never even been lip service paid to the principle of separation of powers.’

Tenslotte signaleren ook de auteurs van de mastermonografie Unierecht in de Nederlandse rechtsorde een onmiskenbare kloof tussen de suggestie die de Nederlandse Grondwet wekt aangaande soevereiniteit en de wetgevingspraktijk: ‘Wie als buitenstaander de Nederlandse Grondwet leest, zou de indruk kunnen krijgen dat Nederland een soevereine staat is, waar de wetgever de hoogste staatsmacht is en waar de overheid overeenkomstig de bepalingen betreffende de sociale grondrechten zorgt voor het welzijn van de ingezetenen. In werkelijkheid wordt de inhoud van de Nederlandse wetgeving in sterke mate beheerst door Europese bepalingen en heeft de lidstaat Nederland op het gebied van bijvoorbeeld de sociale grondrechten nog maar een beperkte zelfstandigheid.’

Zie voorts:

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (I)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (II)

Paper-presentatie tijdens Staatsrechtconferentie over ‘Globalisering als uitdaging voor nationale soevereiniteit’ in Maastricht

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (I)

In december 2017 presenteerde ik een paper over bovengenoemd onderwerp tijdens de Staatsrechtconferentie aan de Universiteit Maastricht. Dit paper verschijnt binnenkort als hoofdstuk in de bundel ‘Begrenzende soevereiniteit’, onder redactie van Sascha Hardt, Aalt Willem Heringa en Antonia Waltermann.

In een nieuwe serie van vijf à zes wekelijkse blogposts zal hier het paper alvast te lezen zijn. Voor de gefinaliseerde versie, voorzien van notenapparaat, zij verwezen naar de bundel. Het behoeft geen betoog dat het onderwerp hernieuwde actualiteitswaarde heeft, onder meer met het oog op de a.s. verkiezingen voor het Europees Parlement.

  1. Inleiding

Op 9 februari 2018 meldde SC Online, dat de Europese begrotingsdans weer was begonnen. Een dag eerder had dezelfde publicatie onder de titel ‘Parlement vroegtijdig betrekken bij begrotingsplannen’ aandacht geschonken aan het proefschrift van Michal Diamant over de invloed van het Europees economisch bestuur op het budgetrecht van het Nederlandse parlement. Hoewel het budgetrecht formeel intact is gebleven, dreigt het materieel als gevolg van dit Europees economisch bestuur geleidelijk verder uitgehold te raken. Dezelfde Diamant waarschuwde op 13 februari 2018 tijdens een deskundigenbijeenkomst de Eerste Kamer voor het gebrek aan democratische legitimiteit van de nieuwe voorstellen van de Europese Commissie om de Economische en Monetaire Unie verder te verdiepen.

De trend dat een nationaal parlement als het Nederlandse de begroting inhoudelijk steeds minder kan beïnvloeden, roept de vraag op hoe dit vanuit staatkundig perspectief moet worden beoordeeld. Het politieke staatsrecht kan, wil het betekenis houden, immers niet volstaan met het beschrijven van de ontwikkelingen die zich voordoen. Er dient ook een evaluatie te volgen. Dit geldt zeker ook voor een zo ingrijpend fenomeen als de Europese integratie en de hieruit voortvloeiende Europese rol van regering en Staten-Generaal. Het budgetrecht betreft een kernrecht van het parlement. Historisch heeft het ten grondslag gelegen aan de opkomst ervan: ‘no taxation without representation’. De vraag rijst of het vroegtijdig betrekken van het parlement bij de begrotingsvoornemens, zoals geopperd door Diamant en anderen, voldoende helpt. Afgezien hiervan, wordt het probleem nog vergroot door het feit dat niet alleen het budgetrecht in het geding is. Ook meer in het algemeen dreigt de Europese integratie de rol van nationale parlementen verder uit te hollen dan op grond van andere ontwikkelingen internationaal reeds het geval was. Dit heeft te maken met het feit dat het een vorm van transnationale samenwerking betreft, die vergaande gevolgen heeft voor de soevereiniteit van de lidstaten.

In hetgeen volgt, ga ik allereerst in op de vraag wat als norm kan gelden bij de evaluatie van ontwikkelingen in het politieke staatsrecht als de hierboven geschetste. Vervolgens wordt geconstateerd dat er een kloof is ontstaan tussen norm en werkelijkheid als het gaat om het Europese integratieproces in zijn huidige vorm. Op deze probleemanalyse volgt een paragraaf waarin een suggestie wordt gedaan over hoe nu verder. De bijdrage sluit af met een conclusie.

Wordt vervolgd.

Zie ook:

Paper-presentatie tijdens Staatsrechtconferentie over ‘Globalisering als uitdaging voor nationale soevereiniteit’ in Maastricht

Contribution to volume on ‘Rethinking Europe’s Constitution’ (2007)

Co-redacteur en co-auteur, bundel De betekenis van de Europese Grondwet voor de Nederlandse staatsinstellingen (2005)

 

 

Honours Class ‘Constitutionele concepten en praktijk’

5

Deze Honours Class hoop ik komende zomer aan te bieden, samen met prof. mr. J.P.H. Donner, vice-president van de Raad van State en dit academisch jaar als Cleveringa-hoogleraar verbonden aan de Universiteit Leiden.

De vakbeschrijving luidt als volgt:

‘Belangrijke staatsrechtelijke begrippen, zoals democratie, scheiding van machten en soevereiniteit, zijn historisch tot ontwikkeling gekomen binnen de grenzen van de natiestaat. Deze Honours Class zal allereerst onderzoeken wat de functies van deze begrippen waren binnen het nationale bestel en welke invulling zij in de praktijk hebben gekregen.

In de afgelopen decennia is de “beschermende” functie van natiestaten zoals Nederland verminderd. Een tweede vraag die de Class zal pogen te beantwoorden is dan ook: gegeven de nieuwe praktische werkelijkheid van Europese integratie in het bijzonder, hoe kan de essentie van deze, oorspronkelijk nationale staatsrechtelijke begrippen, ook in het vervolg gewaarborgd blijven?’

Dit vak is een Honours Class en alleen beschikbaar voor studenten van het Honours College. Zij kunnen zich tot 1 april voor het vak inschrijven.

Zie voor de volledige vakbeschrijving:

https://studiegids.leidenuniv.nl/courses/show/56319/constitutionele-concepten-en-praktijk.

Voor het nieuwsbericht over de benoeming van prof. mr. J.P.H. Donner, zie:

http://nieuws.leidenuniv.nl/nieuws-2015/piet-hein-donner-houdt-cleveringa-oratie-2015.html.

De Cleveringa-oratie 2015 van vice-president Donner is hier raadpleegbaar:

https://www.raadvanstate.nl/agenda/nieuws/tekst-nieuwsbericht.html?id=797&summary_only=&category_id=9.

In de Mare verscheen op 19 november 2015 een interview met de Cleveringa-hoogleraar, getiteld ‘Ik mis het debat met de Kamer’:

http://www.mareonline.nl/archive/2015/11/18/ik-mis-het-debat-met-de-kamer.

Opinieartikel ‘Over koning moeten we dóórdenken’ (2000)

trouw_logo

Zelfs als je het eens bent met de bezwaren tegen het koningschap, erfelijkheid en onschendbaarheid, is het nog niet nodig direct voor een republiek te zijn. Het kan heel democratisch zijn een ondemocratisch element als het koningschap te handhaven.

Op de dag van de boekpresentatie van ‘Macht verloren, gezag versterkt. Historische en staatsrechtelijke opmerkingen over het koningschap in Nederland’ van de hand van J.Th.J. van den Berg, een opiniestuk over dit onderwerp dat ik schreef in 2000:

http://www.trouw.nl/tr/nl/5009/Archief/article/detail/2500096/2000/11/24/Over-koning-moeten-we-doordenken.dhtml.

Co-redacteur en co-auteur, studieboek Inleiding Staatkunde (1995)

IMG_1724

‘Met Inleiding Staatkunde heeft u een compleet en actueel studieboek in handen.

Dit boek biedt kennis en inzicht omtrent de belangrijkste thema’s van het Nederlandse staats- en bestuursrecht alsmede van de Nederlandse politiek. Het unieke van dit boek is de geïntegreerde benadering van de thema’s: zowel vanuit de juridische als vanuit de politicologische wetenschap wordt ingegaan op de ontwikkeling van onze democratische staat en op de positie van (in het bijzonder) regering en parlement, het bestuursapparaat en de rechterlijke macht.

Deze integratie tussen de juridische en de politicologische discipline is gebaseerd op het uitgangspunt dat een goed begrip van de staatsinstellingen pas ontstaat als men niet alleen weet hoe taken en bevoegdheden van de overheid en rechten en plichten van burgers zijn gereguleerd, maar ook in welk politiek krachtenveld bevoegdheden worden uitgeoefend en wat de invloed daarbij is van feitelijke machtsverhoudingen.

De gekozen aanpak blijkt onder meer uit de opneming van hoofdstukken over de politiek-theoretische ontwikkeling in het denken over (rechts)staat en democratie, de rol van politieke partijen, het functioneren van de bureaucratie en de ontwikkeling van de sociale rechtsstaat, naast de aandacht voor de kabinetsformatie, de ministeriele verantwoordelijkheid, de taken en bevoegdheden van het parlement en de rechtsbescherming tegen de overheid onder de Algemene wet bestuursrecht. Tevens wordt ingegaan op de bevoegdheden en de macht van het lokaal bestuur respectievelijk de supranationale overheden, in het bijzonder de Europese Gemeenschap. Hierbij wordt aandacht besteed aan het proces van de Europese integratie en aan de staatsrechtelijke en politicologische dimensies van de Europese Unie, die van groot belang zijn voor de Nederlandse staat.’

Ten behoeve van deze bundel leverde ik hoofdstukken over resp. Nederland als consensusdemocratie, de sociale rechtsstaat en de rechterlijke macht.

Bestelinformatie:

http://www.bol.com/nl/p/inleiding-staatkunde/666783247/;

https://www.boekenplatform.nl/inleiding-staatkunde-175502.

Co-redacteur en co-auteur, bundel Geloven in macht, de christen-democratie in Nederland (1993)

GetAttachment.aspx

‘”Men kan van mening verschillen over de precieze betekenis en relevantie van de christelijke inspiratie voor het politiek handelen. Men kan blijven twijfelen aan de bijzonderheid van het christen-democratisch gedachtegoed. Men kan het CDA verguizen of verafgoden en men kan de partij een zegen of een vloek voor Nederland vinden. maar hoe men ook tegen het CDA aankijkt, eenieder zal met een mengeling van afgunst en bewondering moeten erkennen, dat de partij in machtspolitiek opzicht sinds haar oprichting een formidabele prestatie heeft geleverd. Van dorpspolitiek tot de residentie en van de provincie tot Europa, het CDA is daar waar de macht is en waar de posten worden verdeeld.”

In deze bundel wordt de macht van de Nederlandse christen-democratie door politicologen aan een kritische analyse onderworpen. Achtereenvolgens komen daarbij aan bod: de geschiedenis en de partij-organisatie van het CDA, de maatschappelijke en electorale basis, het beleid, de strijdpunten en het Europese perspectief.’

Mijn eigen bijdrage aan deze bundel is getiteld: ‘Christen-democratie en Europese integratie’.

Recensie J.-J. van den Berg, Trouw:

http://www.trouw.nl/tr/nl/5009/Archief/article/detail/2642007/1994/02/24/Het-geheim-van-CDA-schuilt-in-aanpassing.dhtml.

Recensie H. Hermsen, BMGN (Low Countries Historical Review):

http://dspace.library.uu.nl/handle/1874/248269.

Bestelinformatie:

http://www.omero.nl/boeken/g/e/l/geloven-in-macht-de-nederlandse-christendemocratie/.