Hoe confessioneel was De Geer eigenlijk?

Hieronder volgt de tekst aan de hand waarvan ik op 31 mei 2012 heb geopponeerd tijdens de verdediging van het proefschrift van Meindert van der Kaaij, Een eenzaam staatsman. Dirk de Geer (1870-1960), in het Groot Auditorium van de Universiteit Leiden (zie ook de eerdere post over dit proefschrift). Promotor van Van der Kaaij was prof. dr. J.Th.J. van den Berg. Van de promotiecommissie maakten voorts deel uit: prof. mr. H. Franken, prof. J.C. Kennedy PhD, prof. dr. R.A. Koole, prof. dr. P. de Rooy en ondergetekende. Aan de oppositie namen verder nog deel prof. dr. C. van Baalen en prof. mr. J.W.M. Engels. De promovendus hoefde de onderstaande vraag overigens niet meer te beantwoorden, aangezien deze werd onderbroken door het gebruikelijke Hora est.

Meneer de kandidaat,

Volgens de historicus Puchinger, die ik goed heb gekend, is het kenmerk van goede geschiedschrijving het recht doen aan mensen. Zelf is hij daarin jegens De Geer, in tegenstelling tot veel andere auteurs, kennelijk behoorlijk in geslaagd. U betoont zich althans lovend over zijn standaardwerk Colijn en het einde van de Coalitie. En in uw nabeschouwing haalt u de slotalinea aan van Puchinger’s biografische schets van De Geer in zijn Nederlandse minister-presidenten van de twintigste eeuw: ‘Wie zijn tragiek hebben aanschouwd, weten dat er naast het gebeurde in 1940-’41 nog een ander, vroeger verleden omhoog rijst, dat evenmin kan worden tenietgedaan, omdat het de staatkundige geschiedenis van Nederland van voor de Tweede Wereldoorlog mee blijft verlichten.’

Dit recht proberen te doen aan De Geer is voor mij ook hét kenmerk van uw boek, dat u als ‘buitenstaander’ schreef. Daarmee getuigt dit boek van een zelfde soort ‘zelfstandigheid van denken’ die Eddy de Geer bij J. Donner constateerde. Enig nadeel is dat dit het voor mij nog niet zo eenvoudig maakt om vanochtend oppositie te voeren. Dat geldt eens te meer nu ik enigszins tot mijn schaamte heb moeten constateren dat in de 40 lemma’s tellende historische Canon van de christen-democratie, die vorige week is gepresenteerd en waarvan ik mede de redactie heb gevoerd, de naam van De Geer slechts welgeteld eenmaal valt en dan nog in een relatieve bijzin.

Maar natuurlijk kom ik, komt u daarmee niet weg en derhalve wil ik u toch een vraag voorleggen. Op p. 427 vermeldt u hoe de anti-revolutionair Fabius De Geer eens typeerde als een ‘christelijken liberaal’, hetgeen hij niet in complimenteuze zin bedoelde. Ook meer in het algemeen was dit het voornaamste verwijt dat De Geer door confessionele collega’s, zoals Aalberse en Nolens, is gemaakt. Van deze ‘liberale, tolerante inslag’ van De Geer geeft het boek inderdaad verscheidene voorbeelden, zoals zijn opvattingen over het kiesrecht, zijn afwijzing van het anti-papisme, zijn houding tegenover de lijkverbranding en zijn visie op de positie van de vrouw.

Naar aanleiding hiervan werpt u in uw nabeschouwing de vraag op hoe confessioneel De Geer eigenlijk was. Hij zou los van de Bijbel zijn standpunten hebben bepaald (p. 429). Puchinger haalt in zijn eerdergenoemde biografische schets van De Geer evenwel een brief van Lohman uit maart 1921 aan, waarin deze schrijft dat De Geer en hij ‘zoo geheel geestverwant zijn en altijd zijn geweest’. En, zo voegt Lohman daaraan toe: ‘voor het voortbestaan van onze beginselen reken ik inzonderheid op U.’

In uw boek verwijst u zelf naar het feit dat De Geer tijdens de verkiezingscampagne van 1937 een voorkeur uitsprak voor een christelijk kabinet, aangezien hij nog graag de echtscheidingswetgeving wenste aan te scherpen en ook de zondagsrust duidelijker verankerd wilde zien. Kwesties die door verzet van de vrijzinnige partijen in zijn ogen al tientallen jaren ten onrechte sleepten (pp. 274, zie voorts pp. 276-277). De echtscheidingsproblematiek had hem al bezig gehouden sinds hij in 1907 in de Kamer was gekomen. Wat betreft de zondagsrust wilde De Geer bijvoorbeeld sportwedstrijden op zondag verboden zien. Eerder had hij als minister van binnenlandse zaken overigens reeds de bioscoopwet door de Tweede Kamer geloodst en wilde hij die zelfs als minister van financiën nog graag persoonlijk in de Senaat verdedigen. De Geer achtte dit weliswaar zelf geen ‘partijkenmerkende’ wet, maar dat was zij onder meer vanwege het erin voorziene overheidstoezicht op bioscoopfilms in werkelijkheid natuurlijk wel. (p. 211)

Mijn vraag is kort en goed hoe een en ander met elkaar te rijmen valt. De Geer mag dan ‘geen groot politiek visionair als Abraham Kuyper’ zijn geweest, maar was het niet evenwichtiger geweest om in de paragraaf over De Geer als ideoloog aan het eind van uw boek – naast zijn vooruitstrevende standpunten – ook deze thema’s terug te halen? Doet u hem met andere woorden ook in deze paragraaf voldoende recht, door als redenen waarom De Geer thuis hoorde in de CHU vooral niet-ideologische zaken aan te voeren zoals de over het algemeen irenische omgangsvormen en niet tevens het confessionele karakter van deze partij te beklemtonen waardoor hij zich eveneens aangesproken moet hebben gevoeld?