Tag Archives: Amerikaanse Grondwet

Lezing voor Bachelorstudievereniging DIQIT over ‘The Federalist Papers in de 21ste eeuw’ op 12 juni a.s.

‘In 1788 verscheen aan de overkant van de Atlantische Oceaan een artikelenreeks in 85 delen over de Amerikaanse Grondwet. Deze losse delen zijn later gebundeld en uitgebracht onder de naam The Federalist Papers. Deze artikelen tezamen gelden nog steeds als een van de meest invloedrijke commentaren op de Amerikaanse Grondwet ooit geschreven.

Op 12 juni zal dr. Hans-Martien ten Napel (universitair hoofddocent Staats- en Bestuursrecht aan de Universiteit Leiden) een lezing geven over het belang en de positie van de Federalist Papers in de huidige eeuw.

De lezing zal plaatsvinden in het Kamerlingh Onnes Gebouw te Leiden. De lezing vangt aan om 18:00 uur en duurt tot ongeveer 20:00 uur. We sluiten af met een diner in een nabijgelegen restaurant.

Aanmelding via svdiqit@gmail.com is verplicht! Na aanmelding ontvang je nadere informatie en de teksten die dr. Ten Napel zal bespreken.’

Bron: https://diqit.nl/2019/05/26/12-juni-2019-the-federalist-papers-in-de-21ste-eeuw/

Op de betreffende site valt tevens de navolgende informatie te vinden over de organiserende studievereniging:

‘DIQIT is in het jaar 2016 opgericht onder de naam Justus Lipsius Bachelor om bachelorstudenten meer te bieden dan enkel de praktische vakstudie tot jurist. Onze vereniging is van oudsher vernoemd naar de Nederlandse geleerde Justus Lipsius (1547 – 1616) die als grondlegger kan worden gezien van de Leidse traditie om studie van het recht breder te trekken, fundamenteler te maken. Rechtvaardigheid wordt namelijk niet alleen gevonden in de letter van de wet. Het vraagt ook om een actief en zelfstandig nadenken over wat dit begrip nu werkelijk inhoudt. In ons logo komen deze twee zijden van dezelfde medaille terug: aan de linkerzijde staat Vrouwe Justitia die de regels en wetten symboliseert. Aan de rechterzijde staat de Denker van Rodin, die de beschouwende en contemplatieve houding verbeeldt: beiden zijn onmisbaar voor een goede rechtsvinding.

In 2018 werd de naam gewijzigd naar DIQIT, het acroniem van de welbekende zinsnede uit Dante’s Goddelijke Komedie, waaruit het belang van rechtvaardigheidsbesef bij rechtenstudenten spreekt. Onder haar nieuwe naam zet DIQIT met overtuiging de traditie voort die door Justus Lipsius gestart is. DIQIT is daarmee een aanvulling op het bestaande curriculum dat (rechten)studenten tijdens hun bachelor volgen en wil daarmee van toegevoegde waarde zijn in het leven van iedere student. Wij geloven namelijk dat de essentie van vorming niet ligt in een formele studie, maar dat studenten juist gebruik kunnen maken van een groot historisch erfgoed en een intellectuele traditie.’

Zie voorts:

Nieuwsbericht ‘Hans-Martien ten Napel doceert Advanced Course over de Federalist Papers in VS’

Bijdrage aan bundel De Federalist Papers. Bakermat van het moderne constitutionalisme (2018)

Upcoming Speaking Engagement: Symposium The Federalist Papers, Brussel, 20 april 2017

Overwegende… Yvonne Zonderop en de wetenschappelijke kakafonie van opvattingen (II)

Voor de binnenkort verschijnende, derde aflevering van het Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid van 2018 schreef ik een Overwegende onder bovenstaande titel. In drie achtereenvolgende blogposten valt de voorlaatste versie van dit redactioneel hier alvast te lezen. Hieronder deel 2.

De reden dat door het James Madison Program alle onderwerpen worden behandeld vanuit één bepaald perspectief, is dat dit centrum de overtuiging huldigt dat de generatie die verantwoordelijk was voor de Amerikaanse Grondwet een aantal zaken juist heeft gezien. Hoewel de Founding Fathers de grondslag legden voor het zogeheten moderne constitutionalisme, bouwden zij in hun werk nadrukkelijk voort op de wijsheidstraditie van het natuurrecht en de natuurlijke rechten. Deze traditie gaat terug tot Aristoteles en is, in haar christelijke vorm, vooral verbonden met de naam van Thomas van Aquino. Het James Madison Program beschouwt de oorspronkelijke Amerikaanse idealen nog altijd als een geschikt referentiepunt voor de beoordeling van de constitutionele praktijk, waarbij een vertaalslag naar de praktijk van de 21ste eeuw moet worden gemaakt. Deze vertaalslag kan, vanwege het referentiekader, echter aanzienlijk minder verschillende kanten uitgaan dan het geval is bij de LAPA-methode.

De door het James Madison Program gevolgde werkwijze doet denken aan wat er wekelijks wereldwijd in christelijke kerken gebeurt. Daar worden immers vragen besproken waarmee gelovigen in de 21ste eeuw worstelen. Dit gebeurt niet zonder enig vast referentiepunt, maar bij een geopende Bijbel. Toch is het, met uitzondering van enkele meer fundamentalistische stromingen binnen het christendom, niet zo dat voorgangers menen met het voorlezen van enkele Bijbelverzen deze vragen van een antwoord te kunnen voorzien. Daarvoor is het tevens nodig een vertaalslag naar het heden te maken. Het artikel van Van Stiphout over de staatsleer van de Rooms-Katholieke Kerk volgens de katholieke sociale leer vormt hiervan een treffende illustratie. Deze laatste leer is, anders dan wel wordt gedacht, niet statisch van karakter. Integendeel, zij moet voortdurend ‘bij de tijd’ worden gebracht en vertaald naar onder meer het continent waar zij moet worden toegepast. Toch kan de leer ook weer niet alle kanten opgaan. Een aantal algemene, in het artikel besproken uitgangspunten, zoals solidariteit en subsidiariteit, ligt immers vast.

Wordt vervolgd.

Zie ook:

Overwegende… Yvonne Zonderop en de wetenschappelijke kakafonie van opvattingen (I)

Member, Editorial Board, Journal for Religion, Law and Policy

Overwegende… Yvonne Zonderop en de wetenschappelijke kakafonie van opvattingen (I)

Voor de binnenkort verschijnende, derde aflevering van het Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid van 2018 schreef ik een Overwegende onder bovenstaande titel. In drie achtereenvolgende blogposten valt de voorlaatste versie van dit redactioneel hier alvast te lezen.

In haar boek Ongelofelijk beschrijft Yvonne Zonderop de teloorgang van het christelijk geloof in Nederland gedurende de afgelopen vijftig jaar. Die teloorgang is volgens Zonderop, die zelf ook op jonge leeftijd afstand nam van het katholicisme, tot daaraan toe. Met het christelijk geloof dreigt volgens haar echter ook de Nederlandse cultuur te verdwijnen, die immers vanouds met het christendom verweven was. Zonderop zou er geen bezwaar tegen hebben als het christelijk geloof een heropleving zou doormaken, zij het niet in de beperkende, kerkelijke vorm die het vroeger kende. Wat wezenlijker is, meent zij, is dat de belangstelling voor de christelijke cultuur herleeft. Zonderop heeft begrip voor het feit dat politici als Wilders en Baudet hiervoor, in navolging van Fortuyn, aandacht vragen. Dat gebeurt echter regelmatig op (de islam-)uitsluitende wijze. Bovendien moeten we niet al ons heil van de politiek verwachten. Een algemener reveil is daarom volgens Zonderop gewenst, op straffe van een verdere uitholling van enkele van de centrale waarden die onze cultuur heeft voortgebracht.

Toen ik het boek van Zonderop las, moest ik denken aan mijn verblijf in de Verenigde Staten van vier jaar geleden. Tijdens mijn onderzoekssabbatical bezocht ik trouw de bijeenkomsten van twee verschillende staatsrechtelijke centra aan dezelfde Princeton-universiteit. Het eerste centrum was het Law and Public Affairs Program (LAPA). Hier vonden boeiende seminars plaats, die een rechtsvergelijkend en theoretisch karakter hadden. De theorieën die uiteen werden gezet, gingen evenwel alle kanten uit waardoor ik tegen het eind van mijn verblijf wel door de seminars was verrijkt, maar ook enigszins gedesoriënteerd. Het andere centrum, genaamd het James Madison Program in American Ideals and Institutions, besprak dikwijls dezelfde thema’s. Het verschil met de LAPA-seminars was, dat deze onderwerpen vanuit een vast referentiekader werden behandeld. Dit kader bestond, zoals de naam van het centrum reeds suggereert, uit de idealen die 250 jaar geleden ten grondslag lagen aan de Amerikaanse Grondwet. Voor de doeleinden van deze bijdrage kunnen deze kort worden samengevat onder de noemer ‘zelfbestuur’.

Wordt vervolgd

Redactioneel ‘Religie en de rule of law’

Redactioneel, ‘Hoe kan het democratisch ethos worden bevorderd?’

Member, Editorial Board, Journal for Religion, Law and Policy

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (V): Trump

Dit is het vijfde deel van een nieuwe serie blogposts gebaseerd op een bijdrage die ik een jaar geleden, op 20 april 2017, leverde aan een symposium over The Federalist Papers. Het symposium, dat plaatsvond in Brussel, was georganiseerd door De Debatten. ‘De Debatten is een initiatief van de Vrije Universiteit Brussel met de Universiteit Leiden en als Nederlandstalig forum een vaste waarde onder rechtsfilosofen en rechtshistorici uit de Lage Landen en een groeiende waarde binnen de wereld van de politieke filosofie.’ De bijdrage is onlangs ook, in definiteve vorm en voorzien van notenapparaat, gepubliceerd. Meer informatie daarover volgt nog.

Deze laatste opmerking van Levinson brengt ons als vanzelf bij de verkiezing van Donald Trump tot President, die een jaar na de verschijning van An Argument Open to All. Reading the Federalist heeft plaatsgevonden. Zoals niet geheel verwonderlijk is voor een progressieve liberaal, heeft Levinson zich reeds tijdens de campagne bij herhaling kritisch over Trump uitgelaten. Daarbij heeft hij bepaald geen blad voor de mond genomen, zoals wij hierna nog zullen zien. Een boeiende vraag is wat het feit dat Trump, ondanks de reserves die Levinson en anderen jegens hem koesterden, toch is gekozen, voor eventuele implicaties heeft voor de opvattingen van Levinson inzake de wenselijkheid van ‘popular constitutionalism’. Ook bijvoorbeeld sommige conservatieve intellectuelen koesterden bezwaren tegen de kandidatuur van Trump. Blijft Levinson ook onder de huidige politieke omstandigheden voorstander van een bijstelling van het Amerikaanse bestel die het eenvoudiger zou maken voor een meerderheid als de huidige Republikeinse om haar politieke wil door te drukken?

De verkiezing van Trump heeft potentieel ook implicaties voor het vertrouwen dat Levinson stelt in het electoraat, wanneer hij een nieuwe Constitutionele Conventie bepleit. Terecht wijst hij erop dat tegenstanders van een dergelijke Conventie deels worden gedreven door vrees voor een daartoe onvoldoende toegerust electoraat. Consequent doorredenerend zou je in dat geval ook niet moeten doorgaan met het houden van periodieke verkiezingen, al is ook verdedigbaar dat het kiezen van politici onder een vigerende constitutie een lager niveau van reflectie vereist dan het ontwerpen of ingrijpend herzien van die constitutie zelf. De – opnieuw spannende – vraag is wat de verkiezing van Trump met Levinson heeft gedaan, waar het zijn op zichzelf prijzenswaardige vertrouwen in het hedendaagse Amerikaanse electoraat betreft. Is op dit moment de tijd wel rijp te noemen voor een nieuwe exercitie als die van Publius van 250 jaar geleden, ondanks de gebreken die het Amerikaanse politieke bestel mag vertonen?

Het aardige is dat deze vragen niet alleen gesteld kunnen worden, maar er ook een antwoord op te geven valt, dankzij een gepubliceerde mailwisseling tussen Levinson en Jack M. Balkin, hoogleraar staatsrecht en het Eerste Amendement aan Yale. Balkin is eveneens een progressieve liberaal. Toch zit hij, zoals aanstonds zal blijken, beduidend anders in het onderwerp ‘popular constitutionalism’ dan Levinson. De mailwisseling tussen Balkin en Levinson, gepubliceerd onder de titel ‘Democracy and Dysfunction’, speelde zich af in de periode tussen 29 september 2015 en 3 december 2016. De presidentsverkiezingen waren op 8 november 2016.

Voor de opvattingen van Levinson over de kandidatuur van Trump, en over zijn kandidaat voor het vice-presidentschap Mike Pence, is een mail van hem van 1 augustus 2016 illustratief, waarin hij Trump bestempelt als ‘a narcissistic sociopath’ die het verdient om verslagen te worden. Het zou een ‘utter calamity’ zijn voor de Verenigde Staten en de hele wereld indien hij toch werd verkozen. In dat geval voorzag Levinson allerlei zwarte scenario’s, uiteenlopend van secessiebewegingen in New England en Californië tot een ‘de facto military coup’ in de vorm van een weigering om bepaalde bevelen uit te oefenen van een niet of onvoldoende gekwalificeerde opperbevelhebber. Een en ander naast massademonstraties en rellen bij gelegenheid van Trump’s inauguratie en de weigering van de Senaat om de meeste benoemingen goed te keuren. Misschien nog het meest rooskleurige scenario was dat Trump snel uit zijn ambt zou worden gezet en zijn kandidaat voor het vice-presidentschap Pence het roer zou overnemen. Toch was ook dit een bijzonder aantrekkelijk alternatief, nu Pence op eigen kracht het waarschijnlijk nooit tot president zou brengen in een regliere verkiezing.

Het wekt in het licht van dergelijke kwalificaties en opvattingen nauweijks verbazing dat Levinson de daadwerkelijke verkiezing van Trump tot President enkele maanden later zeer zorgelijk acht. Op 26 november 2016 schrijft hij aan Balkin van oordeel te zijn dat de Verenigde Staten ‘in the most serious existential internal crisis since 1860’ verkeert. Tevens geeft hij aan er na de verkiezingen bij de Republikeinse afgevaardigden naar het Electoral College op te hebben aangedrongen om ‘reflection and choice’ te betonen bij het maken van een keuze, zoals het college oorspronkelijk ook werd geacht te doen. Dit bij wijze van alternatief voor het eenvoudig handelen als ‘lemmings committed to a potentially suicidal choice for the nation’. Deze laatste ‘move’, het doen van een beroep op Republikeinse leden van het kiescollege is beduidend minder voor de hand liggend, aangezien Levinson zich eerder tegen het voortbestaan van uitgerekend deze instelling heeft uitgesproken. Het zou een van de belemmeringen zijn die de volledige doorwerking van de volkswil in het Amerikaanse bestel bemoeilijken en om deze reden tijdens de beoogde nieuwe Constitutionele Conventie voor afschaffing in aanmerking komen.

Balkin grijpt dit punt dan ook aan om genadeloos het dubbele in de opvattingen van Levinson aan de kaak te stellen. De laatste heeft er reeds gedurende een jaar in de mailwisseling op aangedrongen dat gebruik zou worden gemaakt van deze en andere ‘failsafes, these defenses of republican government’. Dit ondanks het feit dat hij er, evenmin als Balkin overigens, onder normale omstandigheden en specifiek het kiescollege zelfs heeft aangeduid als toonvoorbeeld van hetgeen er ondemocratisch is aan de Amerikaanse Grondwet. Nu zou er, volgens dezelfde Levinson, echter druk moeten worden uitgeoefend op de leden ervan om op 19 december 2016 hun stem op iemand anders uit te brengen dan Trump. Balkin attendeert erop dat nu blijkt hoe belangrijk het is dat, bijvoorbeeld in het geval van een demagoog die verkozen is op een programma dat in het teken staat van verandering, het doorvoeren van dergelijke verandering op voorhand zo moeilijk mogelijk wordt gemaakt. Het is niet per definitie democratisch, indien een nieuwe regering over ongebreidelde macht beschikt om haar ambities te realiseren. Integendeel, het is van belang dat het constitutionele bestel veiligheidskleppen bevat die dergelijke pogingen ernstig kunnen bemoeilijken. ‘To defeat a demagogue like Trump, in other words, one must use the tools that you, Sandy, have repeatedly denounced as making our Constitution undemocratic’, aldus Balkin.

In dit kader komt Balkin onder meer ook te spreken over het idee van nationale referenda, dat Levinson in het verleden heeft gelanceerd om de politieke patstelling in Washington te doorbreken. President Obama had, zeker tijdens zijn tweede termijn, immers de grootste moeite om een aantal beleidsvoornemens door het Congres te krijgen. Nationale referenda zouden hierbij behulpzaam kunnen zijn, had Levinson geopperd. Balkin wijst van zijn kant echter op het gevaar dat referenda kunnen inhouden wanneer een demagoog aan de macht is gekomen. Een dergelijke politicus is er immers bij uitstek op gericht ‘to circumvent established forms of lawmaking to project his power and identify his will with the will of the people’. Het is een argument dat in de Nederlandse discussie over het referendum in deze vorm niet is gebruikt, maar met de opkomst van het populisme in Europa ook hier niet lager zonder meer veronachtzaamd lijkt te kunnen worden.

Ook het idee van de Constitutionele Conventie als zodanig, waarmee Levinson dergelijke hervormingen hoopte te kunnen realiseren, stelt Balkin althans voor het moment onder kritiek. Het zou de slechtst denkbare timing zijn om daarop te blijven aandringen, nu er juist een demagoog aan de macht was gekomen. Trump was verkozen op een populistisch programma dat het bestaande constitutionele bestel wilde opblazen. Dat betekende dat zeker ook een deel van zijn aanhang de behoefte zou kunnen voelen om aan een Constitutionele Conventie deel te nemen. In het beste geval zou er, gegeven de tijdens de verkiezingscampagne aan het licht gekomen verdeeldheid in de samenleving, geen overeenstemming bereikt kunnen worden over de door te voeren hervormingen. Er bestond echter ook het risico dat Trump met zijn gebleken charisma zowel de Conventie als de door Republikeinen gedomineerde wetgevende vergaderingen van de staten naar zijn hand zou weten te zetten. In het laatste geval waren hervormingen in autoritaire richting denkbaar, zoals die momenteel bijvoorbeeld ook in Hongarije en Polen plaatsvinden. Met andere woorden, aldus Balkin aan Levinson, ‘[e]ven if you are correct that we need new constitutional amendments, the moment for an Article V convention can’t arise until the demagogue is thoroughly defeated and discredited’.

Balkin sluit af met wat zonder reserve wijze woorden genoemd kunnen worden over de duurzaamheid van een politiek bestel als het Amerikaanse, zoals in de tijd van de Federalist Papers al werd gezien. De opstellers van de Grondwet zagen in dat een republiek als de Amerikaanse op de lange termijn niet in stand zou blijven zonder ‘political faith’, door hem omschreven als de toewijding van burgers aan het algemeen welzijn. Ook de vitale rol van maatschappelijke organisaties, zoals media en onderwijsinstellingen, bij het onderhouden van het idee van ‘self-governance’ beklemtoonde Balkin. Hij maakte vervolgens zonder te aarzelen de sprong naar het heden: twee eeuwen later begrepen wij nog steeds ‘that the machine will not go of itself’. Nog altijd was de inspanning van velen vereist om de zich herhalende bedreigingen van de democratie het hoofd te bieden en het vertrouwen in de politieke instituties te herstellen wanneer dit geschonden was. De rol van het constitutionele recht hierbij was een beperkte, maar essentiële: ‘constitutional structure’ kan deze bijdrage van maatschappelijke organisaties immers zowel faciliteren als bemoeilijken. Vandaar dat zeker in de huidige tijd de bestudering daarvan weer zo belangrijk was.

Zoals blijkt uit deze laatste opmerking blijkt, en ook uit hetgeen ik eerder opmerkte over het zwaartepunt in het werk van Levinson, is dit welbeschouwd geen punt van verschil tussen Balkin en hem. Hun waardering van de in de Amerikaanse Grondwet ingebouwde mechanismen om de doorwerking van de volkswil te temperen, verschilt echter. Levinson was, en blijft, daar kritisch over. Balkin schrijft echter dat, hoewel het Amerikaanse staatsbestel al eens gefaald heeft rond de Burgeroorlog in de 19deeeuw en dit nogmaals kan gebeuren, de Grondwet toch zo in elkaar is gezet dat de kans of falen wordt verkleind. De reden is hiervoor is dat nadrukkelijk is rekening gehouden met een dergelijke kans op mislukking. Thans is opnieuw een test aangebroken van de kracht van de ingebouwde mechanismen die de risico’s van verandering beogen te temperen.

De vraag hoe deze test zal uitvallen, is een thema dat beoefenaren van het constitutionele recht in de Verenigde Staten en daarbuiten de komende jaren nog veel werk zal geven. Balkin heeft daar inmiddels een voorschot opgenomen door de huidige situatie in de Verenigde Staten nog niet als een constitutionele crisis aan te merken, maar hoogstens als ‘constitutional rot’. Levinson zal zich ongetwijfeld ook verder in deze discussie begeven, al was het maar omdat hij samen met Balkin reeds tien jaar geleden een baanbrekend artikel over het verschijnsel constitutionele crisis schreef. Voor ons voert deze discussie te ver en het is er ook nog te vroeg voor. Daarom volsta ik in dit hoofdstuk met weergave van de bovengenoemde opvattingen van Balkin, die een fraai tegenwicht vormen bij de eerder weergegeven opvattingen van Levinson terzake van ‘popular constitutionalism’. De lezer kan zich zo zelf een oordeel vormen over de merites van beide standpunten, die zoals vaker beide een kern van waarheid lijken te bevatten.

Zie verder:

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (IV): De heterogeniteit van de huidige Amerikaanse bevolking en de menselijke natuur

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (III): De achterlopende Grondwet

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (II): Een opzienbarend boek

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (I): Inleiding