Geloof in de liberale democratie (I): Inleiding

Volgens de vandaag verschenen Ranglijst Christenvervolging 2018 van Open Doors werden in 2017 wereldwijd 3.066 christenen omgebracht omwille van hun geloof. Met name in landen als Pakistan en India neemt het geweld tegen christenen inmiddels landen ‘schrikbarende vormen’ aan (zie https://www.opendoors.nl/vervolgdechristenen/nieuws/2018/januari/ranglijst-christenvervolging-2018/).

Toen ik in de zomer van 2014 naar de Verenigde Staten vertrok om mij aan een theologisch centrum een academisch jaar lang bezig te houden met het thema godsdienstvrijheid, verwachtte ik dat er sprake zou zijn van een contrast met de wijze waarop in Europa in het algemeen en Nederland in het bijzonder tegen dit mensenrecht werd aangekeken. Proefde ik hier ondanks de internationale geloofsvervolging in sommige gevallen vijandigheid, maar overwegend onverschilligheid jegens het recht, Amerika is het land waar de vrijheid van godsdienst traditioneel als ‘First Freedom’ wordt aangemerkt. Dit niet alleen omdat het recht is opgenomen in het Eerste Amendement bij de Amerikaanse Grondwet, maar ook omdat brede lagen van de bevolking het beschouwen als het meest fundamentele van alle mensenrechten. Dat heeft te maken met de wordingsgeschiedenis van de Verenigde Staten, waarnaar immers veel Europeanen zijn gemigreerd die in hun vaderland vervolgd werden vanwege hun geloof. In het Eerste Amendement gaat het zelfs niet over de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging, zoals in de Nederlandse Grondwet, maar alleen over godsdienst. Zo centraal staat de vrijheid van godsdienst in Amerika, dacht ik.

Direct tijdens het eerste colloquium van de interdisciplinaire onderzoeksgroep van ethici, juristen en theologen waarvan ik deel kwam uit te maken, bleek evenwel ook in de Verenigde Staten een debat op gang te zijn gekomen over de merites van het internationale recht op godsdienstvrijheid in zijn huidige vorm. Een deelnemer aan de wekelijkse discussies was zelf rechtstreeks afkomstig uit een meerjarig internationaal onderzoeksproject over de ‘Politics of Religious Freedom’, dat inmiddels tot een gelijknamige bundel heeft geleid. Zoals de titel van project en bundel reeds aangeeft, wordt het hierin voorgesteld alsof in elk geval de internationale godsdienstvrijheid beheerst wordt door politieke intenties en overwegingen. Westerse landen zouden op neokoloniale wijze met behulp van dit instrument hun eigen waarden trachten op te dringen aan andere culturen en religies. Een dergelijk perspectief verschilt onmiskenbaar van de oorspronkelijke Amerikaanse zienswijze, volgens welke de godsdienstvrijheid eerder een natuurrecht is, dat in principe aan eenieder toekomt en voorafgaat aan de staat. De staat heeft vervolgens dit recht te respecteren, of hem dit nu gelegen komt of niet.

In deze nieuwe serie blogposts, die tevens – in definitieve vorm en aangevuld met een notenapparaat – als artikel zal verschijnen in het eerstvolgende nummer van het Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid, ga ik verder niet in op de bezwaren van de zogeheten ‘new critics of religious freedom’ in het algemeen. Zoals te verwachten valt, vormen de critici geen homogene groep en een enigszins representatieve bespreking van de verschillende naar voren gebrachte punten zou reeds een volledig artikel vergen. Bovendien waaieren de bezwaren disciplinair gezien nogal uit. In plaats hiervan licht ik er een artikel uit van een auteur, die vooral vanuit de invalshoek van het constitutionele recht relevante punten naar voren brengt: hoogleraar politieke theorie aan de Universiteit van Columbia in New York Jean L. Cohen. Cohen doet dit bovendien op degelijke wijze, want goed geïnformeerd over de opvattingen van haar tegenstanders waartegen zij bezwaar maakt. Vervolgens zal ik aangeven waarom de visie van Cohen op geloof in de liberale democratie op gespannen voet staat met een christelijke mensvisie zoals bijvoorbeeld geformuleerd door de Zuid-Afrikaanse emeritus-hoogleraar christelijke ethiek Koos Vorster. Deze visie heeft historisch doorgewerkt in zowel de wijze waarop westerse staten zoals Nederland zijn ingericht, t.w. volgens de principes van respectievelijk de rechtsstaat en de democratie, als in de vormgeving van het recht op godsdienstvrijheid. De serie sluit af met een korte beschouwing over de reden waarom verwacht mag worden dat van deze laatste wijze van staatsinrichting een grotere aantrekkingskracht zal blijven uitgaan, zowel binnen als buiten de academische wereld, dan van de door Cohen aangehangen variant van liberale democratie. Dit is mede van belang voor de instandhouding van het geloof in de liberale democratie als zodanig.

Zie ook:

Nieuwsbericht ‘Hans-Martien ten Napel neemt deel aan boekpanel over recht en godsdienstvrijheid tijdens jaarvergadering van de American Academy of Religion in Boston, MA’

Colloquium Geloof in democratie

Redactioneel, ‘Hoe kan het democratisch ethos worden bevorderd?’

Artikel in Liberaal Reveil (I)

Het nieuwste nummer van Liberaal Reveil is onder meer gewijd aan de Amerikaanse presidentsverkiezingen en de afgelopen Tweede Kamerverkiezingen in Nederland. Hierin staat ook een artikel van mijn hand, getiteld ‘Rel rond fastfoodketen Chick-fil-A laat zien: scheiding van kerk en staat niet langer grootste zorg in Amerika’.

Voor de inhoudsopgave van het nummer, zie http://teldersstichting.vvd.nl/nieuws/307/oktobernummer-liberaal-reveil-verschenen. Losse nummers zijn te bestellen voor 9,25, door een mail te sturen naar het secretariaat van de Teldersstichting (info@teldersstichting.nl) dan wel te bellen (070-3631948).

Hieronder volgen de eerste drie paragrafen van het artikel:

‘1. Inleiding

Wat heeft de rel rond de in kipproducten gespecialiseerde fastfoodketen Chick-fil-A van afgelopen zomer te zeggen over de mate van godsdienstvrijheid in de Verenigde Staten? Nadat eigenaar Dan Cathy van de keten zich in een interview had uitgesproken voor een traditionele, bijbelse opvatting over het huwelijk, dreigden burgemeesters van verschillende grote Amerikaanse steden als Boston en Chicago nieuwe vestigingen van de keten in hun steden te zullen weren. Kennelijk geldt de godsdienstvrijheid niet of in mindere mate voor zakenmensen en doen deze er in elk geval verstandig aan niet teveel uiting te geven aan hun religieuze opvattingen buiten de samenkomsten van, in dit geval, New Hope Baptist Church in Fayetteville, Ga.1)

Deze rel van nationale proporties laat zien dat, anders dan in Europa wel wordt aangenomen, in de Verenigde Staten niet langer het waarborgen van de scheiding van kerk en staat de grootste bron van zorg vormt. Veeleer gaat het erom een nieuw evenwicht te vinden tussen een zestal zogeheten ‘essentiële rechten en vrijheden’ van godsdienst. Behalve de scheiding van kerk en staat, betreft dit de vrijheid van geweten, religieus pluralisme, religieuze gelijkheid, het verbod van de verlening van een voorkeursstatus aan religie en de godsdienstvrijheid zelf.2) Het verdient bovendien opmerking dat de scheiding van kerk en staat volgens deze principes niet strikt hoeft of zelfs mag worden uitgelegd.

2. Het Eerste Amendement

De Verenigde Staten worden op godsdienstig terrein dikwijls geassocieerd met een strikte scheiding van kerk en staat. Helemaal ten onrechte is dat niet. De geschiedenis van het ontstaan van het land kan men immers tenminste gedeeltelijk interpreteren als de poging tot het maken van een nieuwe start van een heterogene groep vluchtelingen uit Europa, die met elkaar gemeen hadden dat zij te lijden hadden gehad onder de een of andere vorm van staatsreligie. Het lag dan ook voor de hand dat zij aan de andere zijde van de Atlantische Oceaan allesbehalve deze situatie wilden continueren. De opstellers van de Amerikaanse constitutie waren diep doordrongen van het feit dat ‘the church could do wrong’.3)

Toch beginnen hier direct reeds de complicaties. Onder degenen die zich nieuw vestigden in Amerika, bestonden namelijk de nodige verschillen van inzicht over de vraag hoe ver de scheiding van kerk en staat precies diende te gaan. Bepaalde stromingen, waaronder de Evangelicalen en Verlichtingsdenkers, wilden daarin beduidend verder gaan dan bijvoorbeeld de Puriteinen en de civiele republikeinen die religie in het algemeen en het Christendom in het bijzonder van fundamenteel belang achtten voor zowel het welzijn van de burgers als het goed functioneren van het democratische bestel.

Uiteindelijk leidde deze tamelijk bonte cocktail van opvattingen in 1791 tot het befaamde Eerste Amendement bij de Amerikaanse constitutie. Dat zegt weliswaar, dat de federale staat op geen enkele manier mag bijdragen aan een establishment van religie. Tegelijkertijd beklemtoont het echter hoe belangrijk de vrije uitoefening van iemands godsdienst is:

‘Congress shall make no law respecting an establishment of religion, or prohibiting the free exercise thereof (…).’

Uit deze formulering blijkt reeds dat de scheiding van kerk en staat niet het enige leerstuk is dat van belang is voor een goed begrip van de godsdienstige verhoudingen in de Verenigde Staten. Niet voor niets spreekt een gezaghebbend handboek van het eerdergenoemde samenstel van zes, nauw met elkaar samenhangende, ‘essentiële rechten en vrijheden’ van godsdienst.5) De vier hierboven onderscheiden groeperingen van civiele republikeinen, Evangelicalen, Puriteinen en Verlichtingsdenkers onderschrijven weliswaar van oudsher in beginsel al deze principes, maar verschillen van mening over hun relatieve gewicht.

3. Verschuivende kerk-staatverhoudingen

Als gevolg hiervan is het niet verwonderlijk, dat over de juiste balans tussen met name het verbod van de verlening van een nationale voorkeursstatus aan religie enerzijds en de vrije uitoefening daarvan anderzijds door de hele geschiedenis van de Verenigde Staten heen discussie is blijven bestaan en ook dat de balans nu eens naar de ene kant, dan weer naar de andere kant is doorgeslagen. Globaal kunnen in de Amerikaanse kerk-staatverhoudingen tenminste drie fasen worden onderscheiden.6)

Het verbod van de verlening van een voorkeursstatus aan religie dat in het Eerste Amendement is neergelegd, verhinderde niet dat er – mede onder invloed van de religieuze opwekkingsbeweging van de ‘Second Great Awakening’ (1790-1840), waaraan onder anderen de naam verbonden is van de Presbyteriaanse predikant Charles Finney – gedurende ruim 150 jaar na de aanname daarvan sprake zou zijn van een informele establishment van het (blanke) protestantisme. Dit kwam bijvoorbeeld tot uitdrukking in gebed en bijbellezing op de ‘common schools’ van de staat.

Aan deze periode van een informele voorkeursstatus kwam een einde na de Tweede Wereldoorlog. Dit valt onder andere af te lezen uit een serie uitspraken van het Amerikaanse Hooggerechtshof, waaronder Engel t. Vitale (1962) en Abington School District t. Schempp (1963). In deze twee beslissingen bepaalde het Hof met 8 tegen 1 stemmen, dat noch een door de staat geschreven gebed noch het Onze Vader en een bijbellezing onderdeel mochten uitmaken van het curriculum van door de overheid bestuurde en bekostigde scholen. In de eerste zaak oordeelde het Hof, dat als gevolg van het Eerste Amendement ‘in this country it is no part of the business of government to compose official prayers for any group of the American people to recite as a part of a religious program carried on by government’.7) Een jaar later stelde het Hof dat het bij het Onze Vader en een bijbellezing ging om ‘religious exercises, required by the States in violation of the command of the First Amendment that the Government maintain strict neutrality, neither aiding nor opposing religion’.8) Het feit dat deelname aan de godsdienstoefeningen op vrijwillige basis geschiedde, deed daarbij niet terzake.

Voor deze – thans definitieve – disestablishment van religie was in feite reeds de toon gezet in de uitspraak in de zaak Everson t. Board of Education uit 1947, waarin het Hof in algemene zin verklaarde dat ‘[n]o tax in any amount, large or small, can be levied to support any religious activities or institutions, whatever they may be called, or whatever form they may adopt to teach or practice religion. (…) In the words of Jefferson, the clause against establishment of religion by law was intended to erect “a wall of separation between Church and State”.’9)

In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw is vervolgens geleidelijk aan de vraag opgekomen of de constitutioneel op zichzelf gerechtvaardigde disestablishment van het protestantisme niet is doorgeslagen in een marginalisering van de publieke rol van het geloof in het algemeen.10) Daarmee zou er toch weer sprake zijn van de verlening van een voorkeursstatus, nu aan wat wel wordt aangeduid als het sectarisch secularisme. Het zijn bewegingen als de Moral Majority en Christian Coalition die er als geen ander in zijn geslaagd deze problematiek op de politieke agenda te krijgen en daarmee de derde fase in de Amerikaanse kerk-staatverhoudingen in te luiden. De titels van twee in de noten genoemde boeken geven de verschuiving fraai aan: respectievelijk The Naked Public Square (1984) en Religion Returns to the Public Square (2003).
De rel rond de fastfoodketen Chick-Fil-A kan enerzijds worden geïnterpreteerd als uitdrukking van deze nieuwe, vrijmoediger omgang met de rol van religie in het publieke domein, anderzijds als duidelijke indicatie van het ongemak waartoe dit aanleiding kan geven bij de waarschijnlijk mede als gevolg hiervan recentelijk eveneens in assertiviteit toegenomen seculiere stroming in de Amerikaanse samenleving. Ook de recente verontwaardiging onder Amerikaanse rooms-katholieke organisaties over de moeite die zij ervaren bij het verkrijgen van uitzonderingen op de aan te bieden pakketten in het kader van Obama’s zorgwetgeving voor onderdelen waartegen zij principiële bezwaren hebben, zoals abortus, sterilisatie en voorbehoedsmiddelen, vormt een duidelijke uitdrukking van de aanhoudende culture war.11)

Noten
1) Vgl. Ross Douthat, ‘Defining Religious Liberty Down’, The New York Times, 28 juli 2012.
2) Voor de essentiële rechten en vrijheden, zie John Witte Jr. & Joel A. Nichols, Religion and the American Constitutional Experiment (3rd ed.; Boulder, Colorado: Westview Press, 2011), hoofdstuk 3.
3) Marci A. Hamilton, ‘The Calvinist Paradox of Distrust and Hope at the Constitutional Convention’, in: Michael W. McConnell, Robert F. Cochran, Jr. en Angela C. Carmella (red.), Christian Perspectives on Legal Thought (New Haven & Londen: Yale University Press, 2001) 293-306, aldaar 301.
4) Voor de stromingen, zie Witte Jr. & Nichols, Religion and the American Constitutional Experiment, hoofdstuk 2.
5) Supra, noot 2.
6) Vgl. E.J. Dionne Jr., ‘Foreword’, in: Hugh Heclo en Wilfred M. McClay (red.), Religion returns to the public square. Faith and policy in America (Baltimore en Londen: The John Hopkins University Press, 2003) xi-xvii, aldaar xiii-xiv.
7) Engel t. Vitale, 370 U.S. 421, aldaar p. 425 (1962). Het gebed luidde: ‘Almighty God, we acknowledge our dependence upon Thee, and we beg Thy blessings upon us, our parents, our teachers and our country.’
8) Abington School District t. Schempp, 374 U.S. 203, aldaar p. 225 (1963).
9) Everson t. Board of Education, 330 U.S. 1, aldaar p. 16 (1947).
10) Vgl. Richard John Neuhaus, The naked public square. Religion and democracy in America (Grand Rapids, Michigan: William B. Eerdmans Publishing Company, 1984).
11) Vgl. United States Conference of Catholic Bishops, Ad Hoc Committee for Religious Liberty, ‘Our First, Most Cherished Liberty. A Statement on Religious Liberty’, http://www.usccb.org/issues-and-action/religious-liberty/our-first-most-cherished-liberty.cfm.

– wordt vervolgd –