Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (V): Trump

Dit is het vijfde deel van een nieuwe serie blogposts gebaseerd op een bijdrage die ik een jaar geleden, op 20 april 2017, leverde aan een symposium over The Federalist Papers. Het symposium, dat plaatsvond in Brussel, was georganiseerd door De Debatten. ‘De Debatten is een initiatief van de Vrije Universiteit Brussel met de Universiteit Leiden en als Nederlandstalig forum een vaste waarde onder rechtsfilosofen en rechtshistorici uit de Lage Landen en een groeiende waarde binnen de wereld van de politieke filosofie.’ De bijdrage is onlangs ook, in definiteve vorm en voorzien van notenapparaat, gepubliceerd. Meer informatie daarover volgt nog.

Deze laatste opmerking van Levinson brengt ons als vanzelf bij de verkiezing van Donald Trump tot President, die een jaar na de verschijning van An Argument Open to All. Reading the Federalist heeft plaatsgevonden. Zoals niet geheel verwonderlijk is voor een progressieve liberaal, heeft Levinson zich reeds tijdens de campagne bij herhaling kritisch over Trump uitgelaten. Daarbij heeft hij bepaald geen blad voor de mond genomen, zoals wij hierna nog zullen zien. Een boeiende vraag is wat het feit dat Trump, ondanks de reserves die Levinson en anderen jegens hem koesterden, toch is gekozen, voor eventuele implicaties heeft voor de opvattingen van Levinson inzake de wenselijkheid van ‘popular constitutionalism’. Ook bijvoorbeeld sommige conservatieve intellectuelen koesterden bezwaren tegen de kandidatuur van Trump. Blijft Levinson ook onder de huidige politieke omstandigheden voorstander van een bijstelling van het Amerikaanse bestel die het eenvoudiger zou maken voor een meerderheid als de huidige Republikeinse om haar politieke wil door te drukken?

De verkiezing van Trump heeft potentieel ook implicaties voor het vertrouwen dat Levinson stelt in het electoraat, wanneer hij een nieuwe Constitutionele Conventie bepleit. Terecht wijst hij erop dat tegenstanders van een dergelijke Conventie deels worden gedreven door vrees voor een daartoe onvoldoende toegerust electoraat. Consequent doorredenerend zou je in dat geval ook niet moeten doorgaan met het houden van periodieke verkiezingen, al is ook verdedigbaar dat het kiezen van politici onder een vigerende constitutie een lager niveau van reflectie vereist dan het ontwerpen of ingrijpend herzien van die constitutie zelf. De – opnieuw spannende – vraag is wat de verkiezing van Trump met Levinson heeft gedaan, waar het zijn op zichzelf prijzenswaardige vertrouwen in het hedendaagse Amerikaanse electoraat betreft. Is op dit moment de tijd wel rijp te noemen voor een nieuwe exercitie als die van Publius van 250 jaar geleden, ondanks de gebreken die het Amerikaanse politieke bestel mag vertonen?

Het aardige is dat deze vragen niet alleen gesteld kunnen worden, maar er ook een antwoord op te geven valt, dankzij een gepubliceerde mailwisseling tussen Levinson en Jack M. Balkin, hoogleraar staatsrecht en het Eerste Amendement aan Yale. Balkin is eveneens een progressieve liberaal. Toch zit hij, zoals aanstonds zal blijken, beduidend anders in het onderwerp ‘popular constitutionalism’ dan Levinson. De mailwisseling tussen Balkin en Levinson, gepubliceerd onder de titel ‘Democracy and Dysfunction’, speelde zich af in de periode tussen 29 september 2015 en 3 december 2016. De presidentsverkiezingen waren op 8 november 2016.

Voor de opvattingen van Levinson over de kandidatuur van Trump, en over zijn kandidaat voor het vice-presidentschap Mike Pence, is een mail van hem van 1 augustus 2016 illustratief, waarin hij Trump bestempelt als ‘a narcissistic sociopath’ die het verdient om verslagen te worden. Het zou een ‘utter calamity’ zijn voor de Verenigde Staten en de hele wereld indien hij toch werd verkozen. In dat geval voorzag Levinson allerlei zwarte scenario’s, uiteenlopend van secessiebewegingen in New England en Californië tot een ‘de facto military coup’ in de vorm van een weigering om bepaalde bevelen uit te oefenen van een niet of onvoldoende gekwalificeerde opperbevelhebber. Een en ander naast massademonstraties en rellen bij gelegenheid van Trump’s inauguratie en de weigering van de Senaat om de meeste benoemingen goed te keuren. Misschien nog het meest rooskleurige scenario was dat Trump snel uit zijn ambt zou worden gezet en zijn kandidaat voor het vice-presidentschap Pence het roer zou overnemen. Toch was ook dit een bijzonder aantrekkelijk alternatief, nu Pence op eigen kracht het waarschijnlijk nooit tot president zou brengen in een regliere verkiezing.

Het wekt in het licht van dergelijke kwalificaties en opvattingen nauweijks verbazing dat Levinson de daadwerkelijke verkiezing van Trump tot President enkele maanden later zeer zorgelijk acht. Op 26 november 2016 schrijft hij aan Balkin van oordeel te zijn dat de Verenigde Staten ‘in the most serious existential internal crisis since 1860’ verkeert. Tevens geeft hij aan er na de verkiezingen bij de Republikeinse afgevaardigden naar het Electoral College op te hebben aangedrongen om ‘reflection and choice’ te betonen bij het maken van een keuze, zoals het college oorspronkelijk ook werd geacht te doen. Dit bij wijze van alternatief voor het eenvoudig handelen als ‘lemmings committed to a potentially suicidal choice for the nation’. Deze laatste ‘move’, het doen van een beroep op Republikeinse leden van het kiescollege is beduidend minder voor de hand liggend, aangezien Levinson zich eerder tegen het voortbestaan van uitgerekend deze instelling heeft uitgesproken. Het zou een van de belemmeringen zijn die de volledige doorwerking van de volkswil in het Amerikaanse bestel bemoeilijken en om deze reden tijdens de beoogde nieuwe Constitutionele Conventie voor afschaffing in aanmerking komen.

Balkin grijpt dit punt dan ook aan om genadeloos het dubbele in de opvattingen van Levinson aan de kaak te stellen. De laatste heeft er reeds gedurende een jaar in de mailwisseling op aangedrongen dat gebruik zou worden gemaakt van deze en andere ‘failsafes, these defenses of republican government’. Dit ondanks het feit dat hij er, evenmin als Balkin overigens, onder normale omstandigheden en specifiek het kiescollege zelfs heeft aangeduid als toonvoorbeeld van hetgeen er ondemocratisch is aan de Amerikaanse Grondwet. Nu zou er, volgens dezelfde Levinson, echter druk moeten worden uitgeoefend op de leden ervan om op 19 december 2016 hun stem op iemand anders uit te brengen dan Trump. Balkin attendeert erop dat nu blijkt hoe belangrijk het is dat, bijvoorbeeld in het geval van een demagoog die verkozen is op een programma dat in het teken staat van verandering, het doorvoeren van dergelijke verandering op voorhand zo moeilijk mogelijk wordt gemaakt. Het is niet per definitie democratisch, indien een nieuwe regering over ongebreidelde macht beschikt om haar ambities te realiseren. Integendeel, het is van belang dat het constitutionele bestel veiligheidskleppen bevat die dergelijke pogingen ernstig kunnen bemoeilijken. ‘To defeat a demagogue like Trump, in other words, one must use the tools that you, Sandy, have repeatedly denounced as making our Constitution undemocratic’, aldus Balkin.

In dit kader komt Balkin onder meer ook te spreken over het idee van nationale referenda, dat Levinson in het verleden heeft gelanceerd om de politieke patstelling in Washington te doorbreken. President Obama had, zeker tijdens zijn tweede termijn, immers de grootste moeite om een aantal beleidsvoornemens door het Congres te krijgen. Nationale referenda zouden hierbij behulpzaam kunnen zijn, had Levinson geopperd. Balkin wijst van zijn kant echter op het gevaar dat referenda kunnen inhouden wanneer een demagoog aan de macht is gekomen. Een dergelijke politicus is er immers bij uitstek op gericht ‘to circumvent established forms of lawmaking to project his power and identify his will with the will of the people’. Het is een argument dat in de Nederlandse discussie over het referendum in deze vorm niet is gebruikt, maar met de opkomst van het populisme in Europa ook hier niet lager zonder meer veronachtzaamd lijkt te kunnen worden.

Ook het idee van de Constitutionele Conventie als zodanig, waarmee Levinson dergelijke hervormingen hoopte te kunnen realiseren, stelt Balkin althans voor het moment onder kritiek. Het zou de slechtst denkbare timing zijn om daarop te blijven aandringen, nu er juist een demagoog aan de macht was gekomen. Trump was verkozen op een populistisch programma dat het bestaande constitutionele bestel wilde opblazen. Dat betekende dat zeker ook een deel van zijn aanhang de behoefte zou kunnen voelen om aan een Constitutionele Conventie deel te nemen. In het beste geval zou er, gegeven de tijdens de verkiezingscampagne aan het licht gekomen verdeeldheid in de samenleving, geen overeenstemming bereikt kunnen worden over de door te voeren hervormingen. Er bestond echter ook het risico dat Trump met zijn gebleken charisma zowel de Conventie als de door Republikeinen gedomineerde wetgevende vergaderingen van de staten naar zijn hand zou weten te zetten. In het laatste geval waren hervormingen in autoritaire richting denkbaar, zoals die momenteel bijvoorbeeld ook in Hongarije en Polen plaatsvinden. Met andere woorden, aldus Balkin aan Levinson, ‘[e]ven if you are correct that we need new constitutional amendments, the moment for an Article V convention can’t arise until the demagogue is thoroughly defeated and discredited’.

Balkin sluit af met wat zonder reserve wijze woorden genoemd kunnen worden over de duurzaamheid van een politiek bestel als het Amerikaanse, zoals in de tijd van de Federalist Papers al werd gezien. De opstellers van de Grondwet zagen in dat een republiek als de Amerikaanse op de lange termijn niet in stand zou blijven zonder ‘political faith’, door hem omschreven als de toewijding van burgers aan het algemeen welzijn. Ook de vitale rol van maatschappelijke organisaties, zoals media en onderwijsinstellingen, bij het onderhouden van het idee van ‘self-governance’ beklemtoonde Balkin. Hij maakte vervolgens zonder te aarzelen de sprong naar het heden: twee eeuwen later begrepen wij nog steeds ‘that the machine will not go of itself’. Nog altijd was de inspanning van velen vereist om de zich herhalende bedreigingen van de democratie het hoofd te bieden en het vertrouwen in de politieke instituties te herstellen wanneer dit geschonden was. De rol van het constitutionele recht hierbij was een beperkte, maar essentiële: ‘constitutional structure’ kan deze bijdrage van maatschappelijke organisaties immers zowel faciliteren als bemoeilijken. Vandaar dat zeker in de huidige tijd de bestudering daarvan weer zo belangrijk was.

Zoals blijkt uit deze laatste opmerking blijkt, en ook uit hetgeen ik eerder opmerkte over het zwaartepunt in het werk van Levinson, is dit welbeschouwd geen punt van verschil tussen Balkin en hem. Hun waardering van de in de Amerikaanse Grondwet ingebouwde mechanismen om de doorwerking van de volkswil te temperen, verschilt echter. Levinson was, en blijft, daar kritisch over. Balkin schrijft echter dat, hoewel het Amerikaanse staatsbestel al eens gefaald heeft rond de Burgeroorlog in de 19deeeuw en dit nogmaals kan gebeuren, de Grondwet toch zo in elkaar is gezet dat de kans of falen wordt verkleind. De reden is hiervoor is dat nadrukkelijk is rekening gehouden met een dergelijke kans op mislukking. Thans is opnieuw een test aangebroken van de kracht van de ingebouwde mechanismen die de risico’s van verandering beogen te temperen.

De vraag hoe deze test zal uitvallen, is een thema dat beoefenaren van het constitutionele recht in de Verenigde Staten en daarbuiten de komende jaren nog veel werk zal geven. Balkin heeft daar inmiddels een voorschot opgenomen door de huidige situatie in de Verenigde Staten nog niet als een constitutionele crisis aan te merken, maar hoogstens als ‘constitutional rot’. Levinson zal zich ongetwijfeld ook verder in deze discussie begeven, al was het maar omdat hij samen met Balkin reeds tien jaar geleden een baanbrekend artikel over het verschijnsel constitutionele crisis schreef. Voor ons voert deze discussie te ver en het is er ook nog te vroeg voor. Daarom volsta ik in dit hoofdstuk met weergave van de bovengenoemde opvattingen van Balkin, die een fraai tegenwicht vormen bij de eerder weergegeven opvattingen van Levinson terzake van ‘popular constitutionalism’. De lezer kan zich zo zelf een oordeel vormen over de merites van beide standpunten, die zoals vaker beide een kern van waarheid lijken te bevatten.

Zie verder:

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (IV): De heterogeniteit van de huidige Amerikaanse bevolking en de menselijke natuur

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (III): De achterlopende Grondwet

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (II): Een opzienbarend boek

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (I): Inleiding

 

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (II): Een opzienbarend boek

Dit is het tweede deel van een nieuwe serie blogposts gebaseerd op een bijdrage die ik een jaar geleden, op 20 april 2017, leverde aan een symposium over The Federalist Papers. Het symposium, dat plaatsvond in Brussel, was georganiseerd door De Debatten. ‘De Debatten is een initiatief van de Vrije Universiteit Brussel met de Universiteit Leiden en als Nederlandstalig forum een vaste waarde onder rechtsfilosofen en rechtshistorici uit de Lage Landen en een groeiende waarde binnen de wereld van de politieke filosofie.’ De bijdrage verschijnt volgende maand, in definiteve vorm en voorzien van notenapparaat, ook in druk.

-0-0-0-

Sanford Levinson is sinds 1980 hoogleraar rechten en politieke wetenschappen aan de Universiteit van Texas in Austin. Een eerste reden waarom hij een interessante auteur over de Federalist Papers is, is dat hij niet alleen een gecombineerde leeropdracht heeft, maar in de praktijk in zijn werk ook daadwerkelijk een integratie van rechten en politieke wetenschappen tot stand brengt. Wat de laatste discipline betreft, doet hij dat dan nog met inbegrip van de politieke theorieën. Een dergelijke benadering, die nog altijd onderscheidend is, kan zeker ook binnen het Amerikaanse constitutionele recht vruchtbaar zijn, gelet op het verschil tussen de geschreven en de ongeschreven Constitutie. Welbeschouwd is het dan ook minder toepasselijk om nog van constitutioneel recht te spreken en kan eerder de aanduiding ‘constitutional studies’ worden gebruikt. Toch blijft Levinson op de ene of de andere wijze altijd bezig met het constitutionele recht, in de zin dat hij oog houdt voor de constitutionele structuren waarbinnen zich politieke processen en ook theorievorming afspelen.

De hoofdreden waarom Levinson een boeiende auteur is wanneer het de Federalist Papers betreft, is echter ongetwijfeld dat hij de meest prominente progressief-liberale staatsrechtswetenschapper is die er in de Verenigde Staten te vinden valt op het terrein van de constitutie. Enkele kwalificaties die van Levinson zijn gegeven, mogen dit illustreren: ‘the most imaginative, innovative and provocative constitutional scholar of our time’; ‘post New Deal America’s preeminent advocate of constitutional reform’; ‘America’s greatest revolutionary constitutionalist’; en ‘the unofficial spokesman for progressive critics of the Constitution’.

Nu is het op zichzelf genomen niet heel bijzonder te noemen dat een Amerikaanse staatsrechtswetenschapper progressief-liberaal blijkt te zijn. Onder de meesten van zijn progressief-liberale collega’s behoren de Federalist Papers evenwel niet tot de standaardverwijzingen, laat staan dat zij er een boek aan wijden. Juist de combinatie van de leidende progressief-liberale staatsrechtsbeoefenaar in de Verenigde Staten met een studie over de Federalist Papers is althans op papier echter goed voor het nodige vuurwerk.

Dat wordt ook erkend door conservatievere collega’s, zoals Robert P. George van het James Madison Program in American Ideals and Institutions aan de Universiteit van Princeton. Bij wijze van aanbeveling voor een eerder boek van Levinson schreef George: ‘Few scholars are in the same league with Professor Sanford Levinson when it comes to raising provocative questions about the Constitution and conventional modes of interpreting its provisions.’ Het maakte voor George ten principale geen verschil of men het nu eens of oneens was met de analyses en conclusies van Levinson: ‘what matters is that he forces readers to think about dimensions of constitutional questions that ordinarily go unnoticed.’ Dit eerdere boek betrof Our Undemocratic Constitution: Where the Constitution Goes Wrong (And How We the People Can Correct It) en dateert van 2006. Recenter, in 2012, publiceerde Levinson verder Framed. America’s 51 Constitutions and the Crisis of Governance. Hoewel het de moeite waard lijkt te onderzoeken of en in hoeverre Levinson in de loop van de tijd een ontwikkeling heeft doorgemaakt in zijn denken over de Amerikaanse Constitutie, blijft een dergelijke poging hier achterwege. Tenslotte betreft het een bundel over de Federalist Papers, dus ligt het in de rede mij te concentreren op Levinson’s boek dat daar het meest direct over gaat.

Dat boek is ongetwijfeld An Argument Open to All, waarover de Boston Review schreef in een formulering die ik hierboven reeds half parafraseerde: ‘When the country’s most prominent critic of the Constitution writes a commentary on the most famous defense of that Constitution, it is an event. When the publication of that commentary comes at a time when the system of government that Constitution provides is, by all accounts, under serious strain, it is an event very much worth noting.’ Op de tweede helft van dit citaat komt deze serie blogposts terug in deel 6, dat is gewijd aan de verkiezing van Donald Trump tot President van de Verenigde Staten.

Overigens schrijft Levinson in zijn boek niet op de gebruikelijke wijze over de Federalist Papers, dat wil zeggen door deze te plaatsen in hun historische context. In de inleiding op zijn boek neemt hij dan ook direct afstand van het idee dat herlezing van de Federalist Papers primair zou moeten bijdragen tot een beter begrip van de oorspronkelijke bedoelingen van de Amerikaanse Constitutie. Ook is hij niet geïnteresseerd in de verschillen tussen de verschillende auteurs van de Federalist Papers, zoals menige andere wetenschapper. Teneinde dit tot uitdrukking te brengen, duidt hij hen gezamenlijk aan als ‘Publius’.

In plaats hiervan gaat Levinson in het boek juist op zoek naar de mogelijke actuele relevantie van elk van de 85 Federalist Papers. Dit zowel voor Amerikaanse lezers als voor internationale lezers die op zoek zijn naar mogelijke lessen die zij uit het werk kunnen trekken in het kader van de ‘constitutional design’ in eigen land. Natuurlijk is het weer enigszins een progressief-liberale trek om in termen van ‘constitutional design’ te denken als het om andere landen gaat, alsof de culturele en historische context waarbinnen een constitutioneel stelsel functioneert maakbaar zou zijn. Anderzijds vormen de Federalist Papers zelf een vroeg voorbeeld van deze thans wederom populaire stroming binnen het vergelijkende constitutionele recht.

Levinson’s benadering is al met al, zoals hij het zelf formuleert, ‘highly “presentist”’. Of, om de titel van de inleiding aan te halen: hij beschouwt Publius als tijdgenoot. Tot zijn eigen verrassing kwam Levinson al schrijvende tot de ontdekking dat niet alleen de paar bekende nummers, maar elk van de 85 oorspronkelijke essays ‘contains something that should spark our interest today’.

Zie voorts:

Bijdrage t.b.v. symposium The Federalist Papers (I): Inleiding

Upcoming Speaking Engagement: Symposium The Federalist Papers, Brussel, 20 april 2017

Participant, ‘Great Transformations: Political Science and the Big Questions of Our Time’, 2016 APSA Annual Meeting, Philadelphia, PA, September 1-4

 

 

Video debat ‘(A)theïsme – Brengt religie meer vrede, of meer oorlog?’, De Balie, 8 april 2018

‘Hoeveel ruimte is er voor religie in een seculiere samenleving? Als we naar het maatschappelijke debat over de excessen van godsdiensten kijken – het misbruik in de katholieke kerk, misbruik in joodse gemeenschappen en het terrorisme uit naam van god – lijkt het makkelijk om te oordelen. Maar religie biedt juist ook houvast en zingeving in een snel veranderende wereld. Op de hele wereld is er geen volk te vinden zonder religie. Gelovig zijn zit dus niet alleen diep verankerd in onze cultuur, maar ook in ons menszijn.

Het aantal gelovigen op de wereld blijft in weerwil van het maatschappelijke debat gestaag toenemen. Daarom praten we op 8 april met atheïsten en theïsten over de invloed van religie op de maatschappij in de moderne tijd. Brengt religie meer vrede, of meer oorlog?

Met: Floris van den Berg (atheïst), Tamarah Benima (Joods), Hans-Martien ten Napel (Protestants), Nahed Selim (Katholiek), Alaeddine Touhami (Moslim) en Paul Cliteur (atheïst).’

Bekijk de video hier:

Bron: https://www.debalie.nl/de-balie-tv/.

Zie ook:

Upcoming Speaking Engagement: (A)theïsme. Brengt religie meer vrede, of meer oorlog?, De Balie, 8 april 2018

Artikel ‘Geloof in de liberale democratie’ in Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid

On Islam (Volume six of the Abraham Kuyper Collected Works in Public Theology series)

Opinion Article: ‘Can Christian Democracy Save America from Trump?’

‘Religious conservatism doesn’t have to be populist. It has played an important role for democracy and dignity in Europe – and can do so in the US, too.’

The article is co-written by Carlo Invernizzi-Accetti, assistant professor of political science at the City College of New York and author of What is Christian Democracy? Politics, Religion and Ideology (Cambridge University Press, forthcoming), and Daniel Steinmetz-Jenkins, lecturer in religious studies at Yale University and author of The Crisis of Secularism since 1989: A Global Perspective (Columbia University Press, forthcoming).

Read the full article here:

https://www.theguardian.com/commentisfree/2018/apr/07/christian-democracy-authoritarianism-trump

See also:

Symposium on Christian Democracy and America: ‘Can Christian Democracy Be America’s Next European Import?’

Entry on Christian Democracy in Encyclopedia of Political Thought

Canon of Dutch Christian Democracy now also available in English

Artikel ‘Geloof in de liberale democratie’ in Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid

 

De liberale visie op godsdienstvrijheid vertrekt vanuit een mensvisie waarin het belang van het kunnen beleven van de religieuze identiteit in zowel het publieke als het privédomein vooropstaat. Dit uitgangspunt leidt tot een onderscheidende visie op de plaats van geloof in de liberale democratie, die het voor burgers omgekeerd mogelijk maakt geloof te houden in de liberale democratie. Door deze mensvisie te veronachtzamen lopen nieuwe critici van de godsdienstvrijheid het gevaar de liberale democratie als doel te gaan zien en burgers als middel om dit doel te bereiken. Dit kan op termijn het geloof in de liberale democratie doen verminderen.

Lees hier het volledige (Nederlandstalige) artikel over een van de centrale stellingen uit mijn recente boek Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom. To Be Fully Human (Routledge, 2017) (artikel vrij beschikbaar via Open Access):

Geloof in de liberale democratie

Zie voorts:

Upcoming Speaking Engagement: (A)theïsme. Brengt religie meer vrede, of meer oorlog?, De Balie, 8 april 2018

New Facebook Page on Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom. To Be Fully Human

Press Release: ‘Hans-Martien ten Napel has book published “Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom. To Be Fully Human”’

 

Geloof in de liberale democratie (VII): een mooie horizon?

Dit is het zevende en laatste deel van een serie blogposts, die inmiddels tevens – in definitieve vorm en aangevuld met een notenapparaat – als artikel zijn verschenen in het Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid. Zodra dit artikel (binnenkort) via Open Access beschikbaar komt, zal het in een volgende blogpost worden gemeld.

De vraag is al met al gerechtvaardigd hoe realistisch de in deze bijdrage uiteengezette visie op constitutionalisme, democratie en godsdienstvrijheid is. Wanneer de staat niet langer uitgaat van het bestaan van religieuze waarheid, dan is de mensvisie van Vorster de facto losgelaten, en kan deze bezwaarlijk nog langer het constitutionalisme en de democratie beïnvloeden. We zijn dan in een moderne of zelfs postmoderne constellatie beland, waarin de visie van Cohen op geloof in de liberale democratie de overhand krijgt. Hoewel deze taxatie min of meer logisch voortvloeit uit het voorgaande, dient toch gewaakt te worden voor overdrijving. De eerste reden daarvoor is dat het, vergeleken met andere delen van de wereld, nog altijd relatief goed gesteld is met de godsdienstvrijheid in het Westen. Ook wanneer we de blik beperken tot ons deel van de wereld, kan de situatie zowel van land tot land als in de tijd verschillen. Indien bijvoorbeeld enkele Europese landen zijn opgeschoven richting een postmoderne visie op godsdienstvrijheid, hoeft dat nog niet over de hele linie te gelden. In het geval een moderne visie op godsdienstvrijheid wordt aangehangen, zijn er nog altijd meer raakvlakken met de liberale uitgangssituatie dan in een postmoderne constellatie het geval is.

Een andere reden om niet te overdrijven, is dat het voor wie een appèl wil doen tot verandering, beter de positieve kanten kan beklemtonen van het alternatief dan de negatieve kanten van de status quo. In een andere context heeft Paus Franciscus gewezen op de aantrekkingskracht die kan uitgaan van het delen van ‘vreugde’ en ’het wijzen op een ‘mooie horizon’. Het is in deze geest dat in het bovenstaande aandacht is gevraagd voor een alternatief voor de visie van Cohen en andere nieuwe critici van het recht op godsdienstvrijheid en levensovertuiging op geloof in de liberale democratie. Een visie die de mens en de menselijke ervaring als vertrekpunt kiest en vandaaruit het constitutionele en politieke stelsel ontwerpt, is niet alleen historisch meer in overeenstemming met hoe westerse stelsels zijn vormgegeven, maar ook in het heden potentieel nog attractiever dan de tegenovergestelde werkwijze. Het geloof in de liberale democratie kan erdoor worden versterkt. In de tegenovergestelde situatie wordt eerst door politieke theoretici een inhoudelijke visie op liberale democratie ontworpen. Teneinde deze visie aan de maatschappelijke werkelijkheid op te kunnen leggen, wordt van mensen en hun organisaties verlangd dat zij zich hiernaar voegen. Welbeschouwd is deze visie even antipluralistisch als het populisme. Wie zich niet wenst te schikken naar de aan de liberale democratie gestelde inhoudelijke eisen, hoort niet langer bij het volk en wordt daarvan uitgesloten. Hierdoor dreigt op termijn ook het geloof in de liberale democratie te verminderen.

Het beroep op theologische concepten als vreugde en schoonheid laat tevens de waarde van een interdisciplinaire benadering van het constitutionele recht in het algemeen en van samenwerking met de theologie in het bijzonder zien. Het recht bevat zelf zeker ook normatieve begrippen, zoals rechtvaardigheid, die het positieve recht kunnen sturen. In de praktijk blijkt deze sturende kracht echter gering. Wanneer het begrip rechtvaardigheid door de nieuwe critici van godsdienstvrijheid wordt gebezigd, blijkt het tot tegengestelde resultaten te leiden dan in dit artikel bepleit. Er valt daarom niet aan te ontkomen om nog een spade dieper te steken en te beginnen met de vraag wie de mens eigenlijk is. Zo is dat ook in de periode van de stichting van de Verenigde Staten bewust of onbewust gebeurd. Voor zover het pleidooi voor een eerherstel van klassiek-liberale waarden een terugkeer behelst naar een aantal centrale gedachten aangaande de staatsinrichting zoals in deze periode ontwikkeld, verdient het aanbeveling de rol van antropologie wederom niet te veronachtzamen. Daarbij kunnen andere disciplines, zoals de ethiek en de theologie, de rechtswetenschap goede diensten bewijzen.

Geloof in de liberale democratie (VI): godsdienstvrijheid

Upcoming Speaking Engagement: (A)theïsme. Brengt religie meer vrede, of meer oorlog?, De Balie, 8 april 2018

Book Recommendations (I): Nicholas Wolterstorff, Understanding Liberal Democracy (2012)

Upcoming Speaking Engagement: (A)theïsme. Brengt religie meer vrede, of meer oorlog?, De Balie, 8 april 2018

‘Hoeveel ruimte is er voor religie in een seculiere samenleving? Als we naar het maatschappelijke debat over de excessen van godsdiensten kijken – het misbruik in de katholieke kerk, misbruik in joodse gemeenschappen en het terrorisme uit naam van god – lijkt het makkelijk om te oordelen. Maar religie biedt juist ook houvast en zingeving in een snel veranderende wereld. Op de hele wereld is er geen volk te vinden zonder religie. Gelovig zijn zit dus niet alleen diep verankerd in onze cultuur, maar ook in ons menszijn.

Het aantal gelovigen op de wereld blijft in weerwil van het maatschappelijke debat gestaag toenemen. Daarom praten we op 8 april met atheïsten en theïsten over de invloed van religie op de maatschappij in de moderne tijd. Brengt religie meer vrede, of meer oorlog?

Met: Floris van den Berg (atheïst), Tamarah Benima (Joods), Hans-Martien ten Napel (Protestants), Nahed Selim (Katholiek), Alaeddine Touhami (Moslim) en Paul Cliteur (atheïst).

Sprekers:

Tamarah Benimah (liberaal rabbijn) is een Nederlandse journaliste, columniste, vertaalster en liberaal rabbijn. Benimah is voor een liberale invulling van het geloof, zonder dogmatische regels.

Floris van den Berg (atheïst) Floris van den Berg is filosoof en atheïst. Hij is auteur van onder andere ‘Hoe komen we van religie af?’ en ‘De vrolijke feminist’. Onlangs verscheen zijn boek ‘De olijke atheïst’. Van den Berg zet zich in voor een wereld met minder leed en meer waarheidsliefde. Hij vindt dat we religie af moeten zweren.

Nahed Selim (ex-moslim nu katholiek) Nahed Selim is geboren in Egypte in 1953. Sinds 1979 woont ze in Nederland en werkt ze als tolk/vertaalster Arabisch. In het verleden was ze publiciste en schreef meerdere boeken die te maken hadden met vrouwen en islam. In 2013 transformeerde ze van een feministische islamcriticus in een conservatieve christen.

Hans Martien ten Napel (protestants) Hans-Martien ten Napel is als universitair hoofddocent Staats- en Bestuursrecht werkzaam aan de Universiteit Leiden. In 2014 ontving hij een Research Fellowship in Legal Studies van het Center of Theological Inquiry in Princeton, NJ. In het voorjaar van 2017 verscheen, mede als uitvloeisel van dit fellowship, van zijn hand de monografie Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom. To Be Fully Human (Routledge).

Alaeddine Touhami deed samen met de familie Rouidi mee aan het EO-programma Tijs en de Ramadan. Hij is ook de initiatiefnemer van Het Huis van Vrede in Almere. Het Huis van Vrede is een ruimte waar verschillende culturen bij elkaar komen en samen werken. Er vinden activiteiten plaats gericht op ontplooiing van de jeugd, op het gebied van cultuur, maatschappij, kunst en natuur.

Paul Cliteur (atheïst) Paul Cliteur is rechtsgeleerde, filosoof en overtuigd atheïst.’

Bron en aanmelding: https://www.debalie.nl/agenda/podium/(a)theïsme/e_9783345/p_11771149/.

Zie ook:

Redactioneel ‘Religie en de rule of law’

Lid, promotiecommissie, D. van der Blom, ‘De verhouding van staat en religie in een veranderende Nederlandse samenleving’, 6 juli 2016

Bijdrage aan bundel Religie als bron van sociale cohesie in de democratische rechtsstaat (2005)

 

 

Geloof in de liberale democratie (VI): godsdienstvrijheid

Dit is het zesde en voorlaatste deel van een serie blogposts, die tevens – in definitieve vorm en aangevuld met een notenapparaat – als artikel zal verschijnen in het eerstvolgende nummer van het Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid. Voor het vorige deel, met daarin links naar de eerste vier delen, zie de link onderaan deze blogpost.

We zijn, tenslotte, aanbeland bij de implicaties van de door Vorster verwoorde mensvisie voor de godsdienstvrijheid. Om deze implicaties duidelijk te maken, sluit ik aan bij de theorie over godsdienstvrijheid van hoogleraar constitutionele interpretatie aan de Universiteit van St. Thomas in Minnesota, Michael Stokes Paulsen. Deze theorie heet ‘The Piority of God’, waarmee Paulsen doelt op het feit dat godsdienstvrijheid alleen dan volledig kan worden gerealiseerd, wanneer de staat uitgaat van het idee dat religieuze waarheid bestaat. Idealiter gaat dit idee gepaard met religieuze tolerantie. Wanneer een staat immers zelf zou vaststellen wat de religieuze waarheid inhoudt, verheft hij zich in feite boven God. De combinatie van erkenning van het bestaan van religieuze waarheid enerzijds, en religieuze tolerantie anderzijds, is kenmerkend voor de liberale visie op godsdienstvrijheid. Deze combinatie lag ten grondslag aan het Amerikaanse constitutionele bestel. In de situatie dat de staat niet religieus tolerant is, spreken we van een preliberale visie op godsdienstvrijheid. Voorafgaand aan de stichting van de Verenigde Staten was deze visie kenmerkend voor vele Europese stelsels. In andere delen van de wereld komt de preliberale visie op godsdienstvrijheid ook thans nog veelvuldig voor. De staatsrechtswetenschapper Ran Hirschl heeft de naam ‘constitutionele theocratieën’ bedacht voor dergelijke stelsels, waarvan Iran een voorbeeld vormt.

Ook in het Westen is de liberale visie echter niet onverminderd meer van kracht. Paulsen wijst erop dat in de Verenigde Staten inmiddels eerder een moderne visie op godsdienstvrijheid wordt aangehangen. Deze moderne variant heeft het idee dat er religieuze waarheid bestaat achter zich gelaten. Dat leidt er niet direct toe dat ook de religieuze tolerantie verdwijnt. Hoewel gelovigen inmiddels als enigszins achtergebleven worden beschouwd, is het wel zo aardig om hen nog te blijven verdragen. Dit spoort ook het beste met het uitgangspunt van de individuele autonomie. Toch is aan de tolerantie wel een grens gesteld. Religieuze opvattingen moeten wel praktisch en redelijk blijven. Met het wegvallen van het idee dat er religieuze waarheid bestaat, is immers het onderscheid met andere opvattingen en uitingen verdwenen. Strikt genomen, is daardoor de grond aan een recht op godsdienstvrijheid komen te ontvallen. Dat betekent dat zeker accommodatie van religieuze instituties controversieel wordt. Iedereen en elke organisatie dient zich tenslotte aan de wet te houden en het zou oneerlijk zijn om voor een bepaalde categorie personen of organisaties een uitzondering te maken op deze regel. Een voorbeeld waarin de Obama-regering de grenzen van de redelijkheid bereikt achtte, was de zaak van de Little Sisters of the Poor. Deze kloosterorde beschouwde de verplichte meeverzekering van abortus en contraceptiva onder Obamacare dermate belastend, dat zij er uiteindelijk mee bij het Amerikaanse Hooggerechtshof belandde.

Het kan echter nog verder verkeren voor wie de godsdienstvrijheid dierbaar is. Paulsen onderscheidt namelijk tevens een postmoderne visie op godsdienstvrijheid, waarin de staat het bestaan van religieuze waarheid niet langer erkent en eveneens niet langer tolerant is ten opzichte van religieuze organisaties. Deze situatie acht Paulsen mogelijkerwijze reeds aan de orde van de dag in Europa, bijvoorbeeld in een land als Frankrijk. Paradoxaal genoeg, betekent deze variant tot op zekere hoogte een terugkeer naar de preliberale variant. Het verschil daarmee is dat de staat niet uitgaat van religieuze waarheid, maar van seculiere waarheid. Daarmee verwordt het op zichzelf legitieme secularisme feitelijk tot nieuwe staatsreligie. Dit staatssecularisme is intolerant jegens gelovigen en hun organisaties, aangezien deze een bedreiging vormen voor de gepercipieerde neutraliteit van de staat. Van godsdienstvrijheid is dan ook niet langer sprake.

Het moge duidelijk zijn dat de liberale visie op godsdienstvrijheid het beste aansluit op de door Vorster voorgestane mensvisie. Indien het zo is dat mensen van nature spirituele wezens zijn, die ruimte nodig hebben om hun leven te baseren op de door hen aangehangen levensbeschouwing, dan is de godsdienstvrijheid feitelijk een natuurrecht dat voorafgaat aan de staat. In de omgekeerde situatie betreft het een positief recht, dat in het leven geroepen is door de staat. Indien de staat een recht in het leven kan roepen, kan het dit ook beperken of zelfs weer intrekken. Feitelijk wordt het daarmee van de staat afhankelijk of mensen tot hun volledige bestemming komen. Dit is zoals we eerder zagen het geval in de situatie waarin Cohen haar zin zou krijgen. Haar visie op liberale democratie gaat immers voor en mensen en hun organisaties zullen erop moeten toezien dat zij binnen de grenzen blijven die deze visie stelt teneinde volledig gerealiseerd te kunnen worden. In de visie die oorspronkelijk ten grondslag ligt aan het Amerikaanse staatsbestel zal omgekeerd de staat binnen de grenzen moeten blijven die het mensen mogelijk maakt om volledig tot hun bestemming te komen. Dat brengt met zich mee dat de staat de godsdienstvrijheid erkent als een natuurrecht, dat voorafgaat aan zijn eigen bestaan, zodat de prioriteit aan God toekomt.

De overgang van een liberale naar een moderne, of zelfs een postmoderne, visie op godsdienstvrijheid stelt gelovigen voor een dilemma. Een mogelijkheid is dat zij zich genoodzaakt zien het liberalisme vaarwel te zeggen en zich in elk geval tijdelijk terug te trekken uit de actieve participatie in de samenleving. The Benedict Option is een inmiddels bekend geworden boek, dat deze optie in het geval van christenen betrekt. Een andere mogelijkheid is dat gelovigen van binnenuit het liberalisme trachten te hervormen. Dat zal evenwel niet van vandaag op morgen kunnen. Net zomin als de verschuiving van liberalisme naar modernisme van de ene op de andere dag tot stand is gekomen, zal het ook mogelijk generaties duren voordat de weg terug is afgelegd. Wie deze optie wil trachten te realiseren, zal zijn hoop moeten vestigen op maatschappelijke instituties als de familie, de school en de kerk, synagoge of moskee. Daarvoor is dan echter wel een ruimhartige opvatting van godsdienstvrijheid vereist, die in een moderne of postmoderne visie op dit recht nu juist onder druk staat. Heel gemakkelijk te realiseren is deze optie dus evenmin. Voor zover het doel van de Benedictijnse optie is om te zijner tijd weer te gaan participeren in de samenleving, zal voor deze optie eveneens geruime tijd nodig zijn om haar te realiseren. De huidige situatie van de godsdienstvrijheid valt, kortom, in het Westen niet rooskleurig te noemen.

Voor het vorige deel in deze serie, zie:

Geloof in de liberale democratie (V): democratie

Zie voorts:

Nieuwsbericht ‘Hans-Martien ten Napel neemt deel aan boekpanel over recht en godsdienstvrijheid tijdens jaarvergadering van de American Academy of Religion in Boston, MA’

Opinieartikel, ‘De staat moet zich niet bemoeien met religieuze praktijken’ (2011)

Panel Chair and Presenter, First Annual Conference, European Academy of Religion, Bologna, 5-8 March, 2018

‘The European Academy of Religion (EuARe) is a research initiative launched under the high patronage of the European Parliament which offers an exchange platform to academies and scientific societies; associations; research centers and institutions; university labs, clusters, and departments; journals, publishers, media and scholars coming from Europe and the surrounding regions’ (see https://www.europeanacademyofreligion.org/missionstatement).

With over 900 participants, the new research initiative was off to an impressive start this week. Some of the highlights for me included:

Panel on ’The Future of Freedom of Religion: International Perspectives’, chaired by Ana Maria Celis (Chile, President of the International Consortium for Law and Religion Studies), with Mark Hill (Cardiff University), Elizabeth Clark (Brigham Young University, Provo), Asher Maoz (Peres Academic Center, Tel Aviv) and Juan Navarro Floria (Pontificia Universidad Católica, Buenos Aires) presenting.

Panel on ’Commonwealth as Crossroads: Freedom of Religion or Belief (FoRB) in the Commonwealth of Nations’, with Fabio Petito (University of Sussex), Erin Wilson (University of Groningen), Monica Toft (Tufts University), Ahmed Garba (Bauchi State University, Nigeria) and M. Christian Green (Commonwealth Initiative for Freedom of Religion or Belief)  as speakers.

Panel on ‘Religious Universities and Professional Education: Positive Influence or Prejudicial Effect?’, chaired by Jessica Giles (The Open University), with Elizabeth Clark (Brigham Young University) and Michael P. Moreland (Villanova University) presenting

I am furthermore grateful for the extraordinarily valuable feedback received after the presentation of my paper on ‘Comparative Constitutional Law and Natural Law’ during my own panel ‘Courts and Religion. Approaches and Perspectives’:

8/124

Courts and Religion. Approaches and Perspectives

Chair: Hans-Martien ten Napel (Leiden Law School)

Speakers:
• Mason Taylor (The Open University), The European Court of Human Rights: Substantive and Institutional Shifts Towards Religious Symbols

• Hans-Martien ten Napel (Leiden Law School), Comparative Constitutional Law and Natural Law

Language: English

10.30-12.30 Aemilia Hotel, Sala Bibiena

 

See also:

Upcoming Speaking Engagement: Annual Conference of the European Academy of Religion, Bologna, March 5-8, 2018

Press Release: ‘Twelve ILS seed money grants for frontier research at Leiden Law School’

Podcast of the Law and Religious Freedom Book Panel at the Annual Meetings of the American Academy of Religion and the Society of Biblical Literature in Boston, MA

Geloof in de liberale democratie (V): democratie

Dit is het vijfde deel van een nieuwe serie blogposts, die tevens – in definitieve vorm en aangevuld met een notenapparaat – als artikel zal verschijnen in het eerstvolgende nummer van het Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid. Voor de eerste vier delen, zie de links onderaan deze blogpost.

Bekijken we vervolgens de betekenis van de door Vorster voorgestane mensvisie voor de democratie, dan lijkt deze vooral goed aan te sluiten bij een visie op democratie waarin eenieder vrijuit politiek kan participeren. Dit zowel individueel als in groepsverband. Het laatste is van belang omdat het niet eenvoudig is om als burger, zelfs indien men beschikt over een uitgewerkte levensbeschouwing, de vertaalslag te maken van persoonlijke naar politieke opvattingen. Hierbij zal dikwijls, op tenminste een aantal beleidsthema’s, de hulp nodig zijn van deskundige geestverwanten. Van belang is dat iedere burger hiertoe op gelijke voet in de gelegenheid is, ongeacht geloof of levensovertuiging. De christelijke filosoof Nicholas Wolterstorff heeft een dergelijke visie op democratie aangeduid als ‘equal political voice’ liberalisme. Hierbij beklemtoont hij overigens dat deze ‘equal political voice’ moet worden uitgeoefend binnen de grenzen van een geschreven of ongeschreven grondwet, die via de werking van een aantal klassieke rechten waarborgt dat burgers niet onevenredig in hun vrijheid worden aangetast door de uitoefening van ‘equal political voice’ door hun medeburgers.

Dit laatste vormt een verschil met de opvatting van ‘public reason’ liberalisme zoals aangehangen door de, zeker in de Verenigde Staten, nog altijd invloedrijke filosoof John Rawls (1921-2002). Ook Rawls zal aanvaarden dat de uitoefening van ‘political voice’ aan constitutionele grenzen is gebonden. Hij formuleert echter aanvullende grenzen voortvloeiend uit de idee van publieke rede. Dit idee komt er kort gezegd op neer dat het politieke debat dient te worden gevoerd met argumenten die voor alle deelnemers navolgbaar zijn. Hoewel dit op het eerste gezicht een begrijpelijke eis lijkt, die aan alle deelnemers gelijkelijk gesteld wordt, bestaat er een risico dat gelovigen erdoor op achterstand worden gesteld. Voorzover zij immers een redenering zouden willen hanteren die rechtstreeks voortvloeit uit hun geloofsovertuiging, kunnen andere deelnemers aan het debat dit verhinderen door aan te voeren dat de redenering voor hen niet navolgbaar is. Indien gelovigen vervolgens hun redenering in ‘neutrale’ termen moeten formuleren, kunnen er allicht nuances verloren gaan. Bovendien komt deze opvatting voort uit het aanvechtbare idee dat alleen geloofsovertuigingen tot onnavolgbare redeneringen zouden leiden, terwijl seculiere redeneringen per definitie neutraal zouden zijn. Het is in reactie op dit liberalisme van de publieke rede dat Wolterstorff zijn variant van ‘equal political voice’ liberalisme heeft geformuleerd.

Dit ‘equal political voice’ liberalisme vormt tevens een contrast met een ander, op dit moment weer invloedrijk, verschijnsel, te weten dat van het populisme. Dit is niet de plaats om uit te weiden over de vraag wat populisme precies inhoudt. Hierover is inmiddels de nodige nieuwe literatuur beschikbaar. Binnen deze nieuwe literatuur neemt het boek What is Populism? van de aan de Universiteit van Princeton verbonden politicoloog Jan-Werner Müller een bijzondere plaats in. In zijn boek noemt Müller als een van de centrale kenmerken van populisme het ‘antipluralisme’. Hiermee doelt Müller op het feit dat het populisme uitgaat van het idee dat er een volk bestaat, dat zich gezamenlijk heeft te keren tegen hen vijandig gezinde elites. Niet alleen deze elites, maar ook diegenen die zich niet wensen aan te sluiten bij de door ‘het volk’ aangehangen meerderheidsopvatting, worden niet geacht tot het volk te behoren. In plaats van pluraal, wordt het volk dus geacht een eenheid te vormen. Wie zich daarmee niet identificeert, zal niet in gelijke mate politiek kunnen participeren, zoals het ‘equal political voice’ liberalisme verlangt.

Deze laatste opvatting gaat juist wel uit van pluralisme. Daarmee sluit deze vorm van liberalisme aan op de door Vorster geschetste mensvisie, waarin mensen spirituele wezens zijn, voor wie ruimte dient te worden gecreëerd om hun religie handen en voeten te geven zowel in het publieke als in het privé-domein. Dit brengt een verruiming van het begrip ‘politiek’ met zich mee, aangezien deze zich niet langer beperkt tot hetgeen in de politieke instituties gebeurt, maar zich tevens uitstrekt tot andere politieke activiteiten van burgers en hun organisaties. Deelname aan dergelijke organisaties is voor burgers noodzakelijk ten einde gevoed te worden in hun politieke overtuigingen. Op hun beurt dragen de organisaties van burgers bij aan de legitimiteit van het politieke bestel. Er wordt dus niet op voorhand getracht de potentiële onenigheid van burgers te neutraliseren, zoals het liberalisme van de publieke rede doet. De ‘equal political voice’-variant van liberalisme gaat er integendeel vanuit dat deze onenigheid de essentie vormt van politiek. Daarop dient te worden ingespeeld door een open en vrije ‘global public square’ in het leven te roepen. Zoals gezien, worden de grenzen hiervan slechts bepaald door de klassieke grondrechten uit de grondwet.

Hoogleraar Recht en Religie John Inazu heeft recentelijk een concrete uitwerking gegeven van de eisen waaraan een politiek stelsel moet voldoen om aan een ‘equal political voice’-variant van liberalisme te voldoen. Op constitutioneel gebied betreft dit de eisen van het eerbiedigen van het hierboven genoemde principe van ‘freedom of the church’, het faciliteren van publieke fora voor expressie, ook indien het minderheidsopvattingen betreft, en gelijke financiering van alle organisaties die aan politieke expressie doen. Deze laatste eis is omstreden, zowel in de Verenigde Staten als in toenemende mate in Europa. Toch heeft Inazu hier wel een punt, voorzover het niet gelijk behandelen van verschillende categorieën levensbeschouwelijke organisaties opnieuw uitgaat van het aanvechtbare idee dat alleen levensbeschouwelijke organisaties een bepaalde ideologische kleur kennen terwijl seculiere organisaties neutraal zijn. Hiernaast zijn er aan de kant van de burgers ook bepaalde deugden nodig, zoals die van tolerantie, bescheidenheid en geduld. Ik werk dit hier verder niet uit. Wel zij opgemerkt dat ook voor het aanleren en onderhouden van dergelijke deugden maatschappelijke organisaties weer goede diensten kunnen bewijzen.

Voor de eerste vier delen in deze serie, zie:

Geloof in de liberale democratie (IV): constitutionalisme

Geloof in de liberale democratie (III): de rol van antropologie

Geloof in de liberale democratie (II): de kritiek van Jean L. Cohen

Geloof in de liberale democratie (I): Inleiding