Category Archives: Dutch Politics

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (III)

In december 2017 presenteerde ik een paper over bovengenoemd onderwerp tijdens de Staatsrechtconferentie aan de Universiteit Maastricht. Dit paper verschijnt binnenkort als hoofdstuk in de bundel ‘Begrenzende soevereiniteit’, onder redactie van Sascha Hardt, Aalt Willem Heringa en Antonia Waltermann.

In een serie van vijf à zes wekelijkse blogposts zal hier het paper alvast te lezen zijn. Voor de gefinaliseerde versie, voorzien van notenapparaat, zij verwezen naar de bundel. Het behoeft geen betoog dat het onderwerp hernieuwde actualiteitswaarde heeft, onder meer met het oog op de a.s. verkiezingen voor het Europees Parlement.

  1. De kloof tussen norm en werkelijkheid

Wanneer we nu vanuit het perspectief van de wat meer natuurrechtelijke constitutionele theorie naar de Europese Unie (EU) kijken, dan is het eerste gebrek dat opvalt, dat er geen duidelijk identificeerbare ‘regering’ valt aan te wijzen. Dit is vanouds wel een belangrijke voorwaarde voor in elk geval democratische legitimiteit. Binnen nationale staten als Nederland is er dan ook sprake van dergelijke regeringen. Zoals Möllers betoogt, is er welbeschouwd in Europees verband geen oplossing voor deze tekortkoming. Het is een gevolg van de fase van integratie waarin de EU zich bevindt, of eigenlijk: is blijven steken.

De rechtsfilosoof Andreas Kinneging heeft er ruim tien jaar geleden reeds op gewezen, dat een dergelijke onvoltooid karakter van de Europese staatsvorming vanuit klassiek constitutioneel theoretisch perspectief als problematisch valt aan te merken. Historisch gezien zijn er, naast eenheidsstaten, welbeschouwd slechts federale staten en statenbonden te onderscheiden. De gedachte dat de EU een nieuw soort tussenvorm zou kunnen vormen tussen deze twee, dan wel een voortdurend voorschrijdend proces zou inhouden, valt in het gunstigste geval als postmodern aan te merken: ‘Unidentified political objects do not and cannot exist.’ Toch is dit de mythe waarmee de Europese integratie nu al verscheidene decennia, ook staatsrechtelijk, wordt gerechtvaardigd.

Inmiddels heeft deze Europese schemertoestand, die vanuit het oogpunt van democratische legitimiteit derhalve niet verkiesbaar is, ‘de invloed en de zelfstandige beslissingsmacht van het Nederlandse parlement verkleind’. Onder deze omstandigheden is een dergelijke overdracht van bevoegdheden echter, zoals de Staatscommissie parlementair stelsel in haar probleemverkenning vaststelde, ‘niet vrij van problemen’: ‘Zo is er nog steeds sprake van een democratisch tekort, vooral omdat op EU niveau een volwaardig parlementair stelsel ontbreekt: het ontbreekt aan een Europese regering die op alle beleidsterreinen verantwoordelijk is aan en het vertrouwen behoeft van het         Europees Parlement. Burgers in Nederland ervaren het Europees Parlement bovendien ook niet als hùn parlement. Hoewel het verdrag van Lissabon het Europees Parlement meer bevoegdheden heeft gekregen [sic], is het door de Tweede Kamer gehanteerde argument dat de Nederlandse parlementaire zeggenschap is overgenomen door het Europees Parlement niet houdbaar. Nog steeds geldt immers voor het optreden van een Nederlandse bewindspersoon in een vergadering van de Europese Raad van Ministers ministeriële verantwoordelijkheid ten opzichte van het Nederlandse parlement. Kortom het juiste samenstel van checks and balances ontbreekt op het niveau van de EU.’

Dit laatste werd in de staatsrechtelijke literatuur reeds eerder beaamd, en vormt naast de afwezigheid van een duidelijk identificeerbare regering een tweede gebrek, hoewel er zeker ook tegengeluiden waarneembaar zijn. Ik noem hier, in chronologische volgorde, drie voorbeelden van auteurs die de gevolgen van het proces van Europese integratie voor de trias politica hebben besproken. Allereerst heeft Leonard Besselink er in een artikel over de invloed van Europa op de binnenlandse constitutionele verhoudingen op gewezen, dat de traditionele trias mede daardoor op de kop is gezet. Vanouds stond de wetgevende macht daarin centraal. De uitvoerende macht had tot taak de door de wetgever vastgestelde wetten uit te voeren en de rechterlijke macht diende ertoe daarbij rijzende geschillen te beslechten. Inmiddels zijn de uitvoerende en de rechterlijke macht echter de twee dominante staatsmachten geworden, terwijl de wetgevende macht in de verdrukking is geraakt. Dit is zeker niet exclusief het gevolg van de Europese integratie. De opkomst van de sociale rechtsstaat is een eerdere en minstens zo belangrijke oorzaak. De Europeanisering heeft dit proces wel versterkt. Ook in 2005, het jaar van het referendum over de Europese Grondwet, signaleerde Besselink reeds een gebrek aan debat over deze toch wezenlijke zaken.

Op het Europese vlak zelf is de situatie, volgens zijn voormalige Utrechtse collega Deirdre Curtin, niet veel beter: ‘At the international and European level the principle of separation of powers is not applied and has never been. In the context of the European Union there has never even been lip service paid to the principle of separation of powers.’

Tenslotte signaleren ook de auteurs van de mastermonografie Unierecht in de Nederlandse rechtsorde een onmiskenbare kloof tussen de suggestie die de Nederlandse Grondwet wekt aangaande soevereiniteit en de wetgevingspraktijk: ‘Wie als buitenstaander de Nederlandse Grondwet leest, zou de indruk kunnen krijgen dat Nederland een soevereine staat is, waar de wetgever de hoogste staatsmacht is en waar de overheid overeenkomstig de bepalingen betreffende de sociale grondrechten zorgt voor het welzijn van de ingezetenen. In werkelijkheid wordt de inhoud van de Nederlandse wetgeving in sterke mate beheerst door Europese bepalingen en heeft de lidstaat Nederland op het gebied van bijvoorbeeld de sociale grondrechten nog maar een beperkte zelfstandigheid.’

Zie voorts:

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (I)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (II)

Paper-presentatie tijdens Staatsrechtconferentie over ‘Globalisering als uitdaging voor nationale soevereiniteit’ in Maastricht

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (II)

In december 2017 presenteerde ik een paper over bovengenoemd onderwerp tijdens de Staatsrechtconferentie aan de Universiteit Maastricht. Dit paper verschijnt binnenkort als hoofdstuk in de bundel ‘Begrenzende soevereiniteit’, onder redactie van Sascha Hardt, Aalt Willem Heringa en Antonia Waltermann.

In een nieuwe serie van vijf à zes wekelijkse blogposts zal hier het paper alvast te lezen zijn. Voor de gefinaliseerde versie, voorzien van notenapparaat, zij verwezen naar de bundel. Het behoeft geen betoog dat het onderwerp hernieuwde actualiteitswaarde heeft, onder meer met het oog op de a.s. verkiezingen voor het Europees Parlement.

  1. De norm

Er valt, zoals wij hierna nog zullen zien, een neiging in het Nederlandse staatsrecht te bespeuren om – enigszins positivistisch – de gevolgen van het Europese integratieproces te accepteren voor wat die zijn. Hiertegenover wordt in deze bijdrage juist, bij wijze van gedachtenexperiment, een meer natuurrechtelijke benadering beproefd. Het natuurrecht heeft, mede als gevolg van het sinds de 20steeeuw overheersende positivisme, geen goede naam. Daarom is het extra van belang te omschrijven wat ik er in het bestek van deze serie blogposts onder versta. Dan moet allereerst worden vastgesteld dat de verscheidenheid binnen het natuurrechtelijke denken aanzienlijk is. Het verbindende idee tussen de diverse benaderingen is evenwel, zoals een Amerikaanse website het verwoordt, ‘an agreement as to the natural (as distinguished from conventional or man-made) character of principles of right and wrong, and of justice and injustice. Philosophers and statesmen who think and act within this shared understanding agree that the standards that ought to guide the ordering of political and social life are accessible to human reason.’

Wanneer we deze omschrijving hanteren, dan vallen binnen deze traditie zowel klassieke en middeleeuwse denkers als Aristoteles, Plato, Cicero en Thomas van Aquino, als denkers die aan de basis hebben gestaan van het moderne constitutionalisme, zoals Thomas Hobbes, John Lockeen Montesquieu. Het is tevens zo dat een klassieker van het staatsrecht als The Federalist Papers, hoewel het eerste voluit moderne constitutionele tractaat, niettemin nog voluit in deze traditie staat.

Voor werken in de natuurrechtelijke traditie, in de hierboven bedoelde ruime zin van het woord, hoeft evenwel niet altijd relatief ver te worden teruggegaan in de tijd. Zo zijn er ook hedendaagse auteurs die bewust klassieke leerstukken van het staatsrecht, zoals dat van de trias politica, trachten te actualiseren voor de huidige tijd. Een voorbeeld daarvan is Christoph Möllers. In zijn standaardwerk The Three Branches (2013) merkt Möllers op, dat ‘[c]ombining the normative idea of liberty with the institutional preconditions of liberty – a project that the American constitutional fathers set out in the Federalist Papers – seems today to be an exceptional quest. Pursuing it, however, is as worthwhile today as it was back then’. Hoewel het dus tegenwoordig niet bepaald in de mode is om constitutioneel recht en constitutionele theorie met elkaar te verbinden, beproeft hij dit niettemin. De reden hiervoor is gelegen in het feit dat, volgens Möllers, ‘comparative constitutional law needs a theoretical and normative framework beyond both empirical quantitative research and individual comparative case analysis: it needs a move to conceptualism’.

Zie voorts:

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (I)

Call for Papers, Panel on Public Theology and its potential for Law and Religion scholarship

Co-editor and co-author, volume The Powers That Be. Rethinking the Separation of Powers. A Leiden Response to Möllers (2015)

 

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (I)

In december 2017 presenteerde ik een paper over bovengenoemd onderwerp tijdens de Staatsrechtconferentie aan de Universiteit Maastricht. Dit paper verschijnt binnenkort als hoofdstuk in de bundel ‘Begrenzende soevereiniteit’, onder redactie van Sascha Hardt, Aalt Willem Heringa en Antonia Waltermann.

In een nieuwe serie van vijf à zes wekelijkse blogposts zal hier het paper alvast te lezen zijn. Voor de gefinaliseerde versie, voorzien van notenapparaat, zij verwezen naar de bundel. Het behoeft geen betoog dat het onderwerp hernieuwde actualiteitswaarde heeft, onder meer met het oog op de a.s. verkiezingen voor het Europees Parlement.

  1. Inleiding

Op 9 februari 2018 meldde SC Online, dat de Europese begrotingsdans weer was begonnen. Een dag eerder had dezelfde publicatie onder de titel ‘Parlement vroegtijdig betrekken bij begrotingsplannen’ aandacht geschonken aan het proefschrift van Michal Diamant over de invloed van het Europees economisch bestuur op het budgetrecht van het Nederlandse parlement. Hoewel het budgetrecht formeel intact is gebleven, dreigt het materieel als gevolg van dit Europees economisch bestuur geleidelijk verder uitgehold te raken. Dezelfde Diamant waarschuwde op 13 februari 2018 tijdens een deskundigenbijeenkomst de Eerste Kamer voor het gebrek aan democratische legitimiteit van de nieuwe voorstellen van de Europese Commissie om de Economische en Monetaire Unie verder te verdiepen.

De trend dat een nationaal parlement als het Nederlandse de begroting inhoudelijk steeds minder kan beïnvloeden, roept de vraag op hoe dit vanuit staatkundig perspectief moet worden beoordeeld. Het politieke staatsrecht kan, wil het betekenis houden, immers niet volstaan met het beschrijven van de ontwikkelingen die zich voordoen. Er dient ook een evaluatie te volgen. Dit geldt zeker ook voor een zo ingrijpend fenomeen als de Europese integratie en de hieruit voortvloeiende Europese rol van regering en Staten-Generaal. Het budgetrecht betreft een kernrecht van het parlement. Historisch heeft het ten grondslag gelegen aan de opkomst ervan: ‘no taxation without representation’. De vraag rijst of het vroegtijdig betrekken van het parlement bij de begrotingsvoornemens, zoals geopperd door Diamant en anderen, voldoende helpt. Afgezien hiervan, wordt het probleem nog vergroot door het feit dat niet alleen het budgetrecht in het geding is. Ook meer in het algemeen dreigt de Europese integratie de rol van nationale parlementen verder uit te hollen dan op grond van andere ontwikkelingen internationaal reeds het geval was. Dit heeft te maken met het feit dat het een vorm van transnationale samenwerking betreft, die vergaande gevolgen heeft voor de soevereiniteit van de lidstaten.

In hetgeen volgt, ga ik allereerst in op de vraag wat als norm kan gelden bij de evaluatie van ontwikkelingen in het politieke staatsrecht als de hierboven geschetste. Vervolgens wordt geconstateerd dat er een kloof is ontstaan tussen norm en werkelijkheid als het gaat om het Europese integratieproces in zijn huidige vorm. Op deze probleemanalyse volgt een paragraaf waarin een suggestie wordt gedaan over hoe nu verder. De bijdrage sluit af met een conclusie.

Wordt vervolgd.

Zie ook:

Paper-presentatie tijdens Staatsrechtconferentie over ‘Globalisering als uitdaging voor nationale soevereiniteit’ in Maastricht

Contribution to volume on ‘Rethinking Europe’s Constitution’ (2007)

Co-redacteur en co-auteur, bundel De betekenis van de Europese Grondwet voor de Nederlandse staatsinstellingen (2005)

 

 

Boekbespreking van Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom. To Be Fully Human in Radix. Tijdschrift over geloof, wetenschap en samenleving

 

In de onlangs uitgekomen tweede aflevering uit 2018 van Radix. Tijdschrift over geloof, wetenschap en samenleving staat een nieuwe recensie van mijn boek Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom. To Be Fully Human van de hand van R.J. (Robert) van Putten MSc MA.

Uit de recensie:

‘Ten Napels boek is een rechtstheoretische studie, grotendeels geschreven tijdens een scholarship aan Princeton, binnen een programma waarin verbinding wordt gelegd tussen juridische en theologische studies.’ (p. 152)

‘Het boek is voor de auteur een poging om zijn onderzoekslijnen rond recht, religie en constitutie van de afgelopen decennia bijeen te brengen en met een eigen these over religieuze vrijheid en de democratische rechtsstaat te komen.’ (ibid.)

‘Het is steeds ingebed in de persoonlijke intellectuele zoektocht van de auteur, legt verbindingen met het Nederlandse denken en doen, maar is vooral een grondige bijdrage aan discussies binnen het domein van het constitutioneel recht.’ (ibid.)

Het slot van de recensie luidt als volgt:

‘In deze hoofdstukken weet Ten Napel centrale noties uit de sociale en politieke filosofie van de brede christendemocratische traditie soepel in te zetten voor zijn betoog, waarbij hij steeds de bredere relevantie ervan betoogt. Dat wil zeggen, hij maakt zijn lezers – en dus vooral ook zijn vakgenoten in het constitutioneel recht – duidelijk dat zijn visie niet alleen van betekenis is voor religieuzen, maar vooral ook het project van een liberaal-democratische samenleving en rechtsstaat als zodanig ondersteunt. Ten Napel is zich nadrukkelijk bewust van het feit dat hij een relatief ongebruikelijk boek heeft geschreven. Op heel eloquente manier behandelt hij dan ook “anticipated criticism”, namelijk dat zijn boek te normatief zou zijn voor de discipline van het constitutioneel recht. Het gaat inherent om “essentially contested concepts”, waardoor een normatief perspectief onvermijdelijk is. En gegeven het feit dat de theologie van grote invloed is geweest op centrale concepten als constitutionalisme, democratie en religieuze vrijheid zou het eerder vreemd zijn wanneer inzichten uit de christelijke traditie buiten beschouwing zouden moeten blijven.

Ten Napel heeft al met al een heel fraai boek opgeleverd. Het is vooral ook een boek dat het verdient breder gelezen te worden dan binnen de kringen van de internationale constitutionele rechtswetenschap. Juist ook voor het Nederlandse publieke debat vormt dit boek nadrukkelijk een theoretische versterking tegenover al te secularistische (en daarmee potentieel zelfondermijnende) benaderingen van democratie, rechtsstaat en religieuze vrijheid. Er staat, kortom, veel op het spel met deze thematiek. Niets minder dan To be fully human.’ (p. 154)

De auteur van de recensie is als docent en promovendus verbonden aan de afdeling Bestuurswetenschappen & Politicologie van de Vrije Universiteit Amsterdam.

Het tijdschrift Radix is ‘een multidisciplinair, wetenschappelijk kwartaaltijdschrift dat een platform biedt voor artikelen op de kruispunten van geloof, wetenschap en samenleving’ en wordt uitgegeven door ForumC.

Bron, en bestelinformatie: https://www.forumc.nl/radix/recente-nummers.

Zie voorts:

Review of book on ‘Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom. To Be Fully Human’

Artikel ‘Geloof in de liberale democratie’ in Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid

Press Release: ‘Hans-Martien ten Napel has book published “Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom. To Be Fully Human”’

 

Review of book on ‘Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom. To Be Fully Human’

UPDATE: see also this press release in Dutch:

https://geloofindemocratie.nl/2018/07/04/boekrecensie-constitutionalism-democracy-and-religious-freedom-to-be-fully-human-2017/

Very grateful to Robert Joustra for taking the time to write this review of my book for the Review of Faith & International Affairs – worth the read also because of the other literature he references along the way and the difficult questions it raises:

https://www.tandfonline.com/doi/abs/10.1080/15570274.2018.1469823?journalCode=rfia20

‘The Review of Faith & International Affairs is published out of the Center on Faith & International Affairs (CFIA) at the Institute for Global Engagement.’

See also:

Press Release: ‘Hans-Martien ten Napel has book published “Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom. To Be Fully Human”’

Interview on project on ‘Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom’

Law and Religious Freedom Book Panel at the Annual Meetings of the American Academy of Religion and the Society of Biblical Literature, Boston, Friday, November 17 at 4 PM – 6 PM EST

 

Video debat ‘(A)theïsme – Brengt religie meer vrede, of meer oorlog?’, De Balie, 8 april 2018

‘Hoeveel ruimte is er voor religie in een seculiere samenleving? Als we naar het maatschappelijke debat over de excessen van godsdiensten kijken – het misbruik in de katholieke kerk, misbruik in joodse gemeenschappen en het terrorisme uit naam van god – lijkt het makkelijk om te oordelen. Maar religie biedt juist ook houvast en zingeving in een snel veranderende wereld. Op de hele wereld is er geen volk te vinden zonder religie. Gelovig zijn zit dus niet alleen diep verankerd in onze cultuur, maar ook in ons menszijn.

Het aantal gelovigen op de wereld blijft in weerwil van het maatschappelijke debat gestaag toenemen. Daarom praten we op 8 april met atheïsten en theïsten over de invloed van religie op de maatschappij in de moderne tijd. Brengt religie meer vrede, of meer oorlog?

Met: Floris van den Berg (atheïst), Tamarah Benima (Joods), Hans-Martien ten Napel (Protestants), Nahed Selim (Katholiek), Alaeddine Touhami (Moslim) en Paul Cliteur (atheïst).’

Bekijk de video hier:

Bron: https://www.debalie.nl/de-balie-tv/.

Zie ook:

Upcoming Speaking Engagement: (A)theïsme. Brengt religie meer vrede, of meer oorlog?, De Balie, 8 april 2018

Artikel ‘Geloof in de liberale democratie’ in Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid

On Islam (Volume six of the Abraham Kuyper Collected Works in Public Theology series)

Artikel ‘Geloof in de liberale democratie’ in Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid

 

De liberale visie op godsdienstvrijheid vertrekt vanuit een mensvisie waarin het belang van het kunnen beleven van de religieuze identiteit in zowel het publieke als het privédomein vooropstaat. Dit uitgangspunt leidt tot een onderscheidende visie op de plaats van geloof in de liberale democratie, die het voor burgers omgekeerd mogelijk maakt geloof te houden in de liberale democratie. Door deze mensvisie te veronachtzamen lopen nieuwe critici van de godsdienstvrijheid het gevaar de liberale democratie als doel te gaan zien en burgers als middel om dit doel te bereiken. Dit kan op termijn het geloof in de liberale democratie doen verminderen.

Lees hier het volledige (Nederlandstalige) artikel over een van de centrale stellingen uit mijn recente boek Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom. To Be Fully Human (Routledge, 2017) (artikel vrij beschikbaar via Open Access):

Geloof in de liberale democratie

Zie voorts:

Upcoming Speaking Engagement: (A)theïsme. Brengt religie meer vrede, of meer oorlog?, De Balie, 8 april 2018

New Facebook Page on Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom. To Be Fully Human

Press Release: ‘Hans-Martien ten Napel has book published “Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom. To Be Fully Human”’

 

Upcoming Speaking Engagement: (A)theïsme. Brengt religie meer vrede, of meer oorlog?, De Balie, 8 april 2018

‘Hoeveel ruimte is er voor religie in een seculiere samenleving? Als we naar het maatschappelijke debat over de excessen van godsdiensten kijken – het misbruik in de katholieke kerk, misbruik in joodse gemeenschappen en het terrorisme uit naam van god – lijkt het makkelijk om te oordelen. Maar religie biedt juist ook houvast en zingeving in een snel veranderende wereld. Op de hele wereld is er geen volk te vinden zonder religie. Gelovig zijn zit dus niet alleen diep verankerd in onze cultuur, maar ook in ons menszijn.

Het aantal gelovigen op de wereld blijft in weerwil van het maatschappelijke debat gestaag toenemen. Daarom praten we op 8 april met atheïsten en theïsten over de invloed van religie op de maatschappij in de moderne tijd. Brengt religie meer vrede, of meer oorlog?

Met: Floris van den Berg (atheïst), Tamarah Benima (Joods), Hans-Martien ten Napel (Protestants), Nahed Selim (Katholiek), Alaeddine Touhami (Moslim) en Paul Cliteur (atheïst).

Sprekers:

Tamarah Benimah (liberaal rabbijn) is een Nederlandse journaliste, columniste, vertaalster en liberaal rabbijn. Benimah is voor een liberale invulling van het geloof, zonder dogmatische regels.

Floris van den Berg (atheïst) Floris van den Berg is filosoof en atheïst. Hij is auteur van onder andere ‘Hoe komen we van religie af?’ en ‘De vrolijke feminist’. Onlangs verscheen zijn boek ‘De olijke atheïst’. Van den Berg zet zich in voor een wereld met minder leed en meer waarheidsliefde. Hij vindt dat we religie af moeten zweren.

Nahed Selim (ex-moslim nu katholiek) Nahed Selim is geboren in Egypte in 1953. Sinds 1979 woont ze in Nederland en werkt ze als tolk/vertaalster Arabisch. In het verleden was ze publiciste en schreef meerdere boeken die te maken hadden met vrouwen en islam. In 2013 transformeerde ze van een feministische islamcriticus in een conservatieve christen.

Hans Martien ten Napel (protestants) Hans-Martien ten Napel is als universitair hoofddocent Staats- en Bestuursrecht werkzaam aan de Universiteit Leiden. In 2014 ontving hij een Research Fellowship in Legal Studies van het Center of Theological Inquiry in Princeton, NJ. In het voorjaar van 2017 verscheen, mede als uitvloeisel van dit fellowship, van zijn hand de monografie Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom. To Be Fully Human (Routledge).

Alaeddine Touhami deed samen met de familie Rouidi mee aan het EO-programma Tijs en de Ramadan. Hij is ook de initiatiefnemer van Het Huis van Vrede in Almere. Het Huis van Vrede is een ruimte waar verschillende culturen bij elkaar komen en samen werken. Er vinden activiteiten plaats gericht op ontplooiing van de jeugd, op het gebied van cultuur, maatschappij, kunst en natuur.

Paul Cliteur (atheïst) Paul Cliteur is rechtsgeleerde, filosoof en overtuigd atheïst.’

Bron en aanmelding: https://www.debalie.nl/agenda/podium/(a)theïsme/e_9783345/p_11771149/.

Zie ook:

Redactioneel ‘Religie en de rule of law’

Lid, promotiecommissie, D. van der Blom, ‘De verhouding van staat en religie in een veranderende Nederlandse samenleving’, 6 juli 2016

Bijdrage aan bundel Religie als bron van sociale cohesie in de democratische rechtsstaat (2005)

 

 

Geloof in de liberale democratie (VI): godsdienstvrijheid

Dit is het zesde en voorlaatste deel van een serie blogposts, die tevens – in definitieve vorm en aangevuld met een notenapparaat – als artikel zal verschijnen in het eerstvolgende nummer van het Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid. Voor het vorige deel, met daarin links naar de eerste vier delen, zie de link onderaan deze blogpost.

We zijn, tenslotte, aanbeland bij de implicaties van de door Vorster verwoorde mensvisie voor de godsdienstvrijheid. Om deze implicaties duidelijk te maken, sluit ik aan bij de theorie over godsdienstvrijheid van hoogleraar constitutionele interpretatie aan de Universiteit van St. Thomas in Minnesota, Michael Stokes Paulsen. Deze theorie heet ‘The Piority of God’, waarmee Paulsen doelt op het feit dat godsdienstvrijheid alleen dan volledig kan worden gerealiseerd, wanneer de staat uitgaat van het idee dat religieuze waarheid bestaat. Idealiter gaat dit idee gepaard met religieuze tolerantie. Wanneer een staat immers zelf zou vaststellen wat de religieuze waarheid inhoudt, verheft hij zich in feite boven God. De combinatie van erkenning van het bestaan van religieuze waarheid enerzijds, en religieuze tolerantie anderzijds, is kenmerkend voor de liberale visie op godsdienstvrijheid. Deze combinatie lag ten grondslag aan het Amerikaanse constitutionele bestel. In de situatie dat de staat niet religieus tolerant is, spreken we van een preliberale visie op godsdienstvrijheid. Voorafgaand aan de stichting van de Verenigde Staten was deze visie kenmerkend voor vele Europese stelsels. In andere delen van de wereld komt de preliberale visie op godsdienstvrijheid ook thans nog veelvuldig voor. De staatsrechtswetenschapper Ran Hirschl heeft de naam ‘constitutionele theocratieën’ bedacht voor dergelijke stelsels, waarvan Iran een voorbeeld vormt.

Ook in het Westen is de liberale visie echter niet onverminderd meer van kracht. Paulsen wijst erop dat in de Verenigde Staten inmiddels eerder een moderne visie op godsdienstvrijheid wordt aangehangen. Deze moderne variant heeft het idee dat er religieuze waarheid bestaat achter zich gelaten. Dat leidt er niet direct toe dat ook de religieuze tolerantie verdwijnt. Hoewel gelovigen inmiddels als enigszins achtergebleven worden beschouwd, is het wel zo aardig om hen nog te blijven verdragen. Dit spoort ook het beste met het uitgangspunt van de individuele autonomie. Toch is aan de tolerantie wel een grens gesteld. Religieuze opvattingen moeten wel praktisch en redelijk blijven. Met het wegvallen van het idee dat er religieuze waarheid bestaat, is immers het onderscheid met andere opvattingen en uitingen verdwenen. Strikt genomen, is daardoor de grond aan een recht op godsdienstvrijheid komen te ontvallen. Dat betekent dat zeker accommodatie van religieuze instituties controversieel wordt. Iedereen en elke organisatie dient zich tenslotte aan de wet te houden en het zou oneerlijk zijn om voor een bepaalde categorie personen of organisaties een uitzondering te maken op deze regel. Een voorbeeld waarin de Obama-regering de grenzen van de redelijkheid bereikt achtte, was de zaak van de Little Sisters of the Poor. Deze kloosterorde beschouwde de verplichte meeverzekering van abortus en contraceptiva onder Obamacare dermate belastend, dat zij er uiteindelijk mee bij het Amerikaanse Hooggerechtshof belandde.

Het kan echter nog verder verkeren voor wie de godsdienstvrijheid dierbaar is. Paulsen onderscheidt namelijk tevens een postmoderne visie op godsdienstvrijheid, waarin de staat het bestaan van religieuze waarheid niet langer erkent en eveneens niet langer tolerant is ten opzichte van religieuze organisaties. Deze situatie acht Paulsen mogelijkerwijze reeds aan de orde van de dag in Europa, bijvoorbeeld in een land als Frankrijk. Paradoxaal genoeg, betekent deze variant tot op zekere hoogte een terugkeer naar de preliberale variant. Het verschil daarmee is dat de staat niet uitgaat van religieuze waarheid, maar van seculiere waarheid. Daarmee verwordt het op zichzelf legitieme secularisme feitelijk tot nieuwe staatsreligie. Dit staatssecularisme is intolerant jegens gelovigen en hun organisaties, aangezien deze een bedreiging vormen voor de gepercipieerde neutraliteit van de staat. Van godsdienstvrijheid is dan ook niet langer sprake.

Het moge duidelijk zijn dat de liberale visie op godsdienstvrijheid het beste aansluit op de door Vorster voorgestane mensvisie. Indien het zo is dat mensen van nature spirituele wezens zijn, die ruimte nodig hebben om hun leven te baseren op de door hen aangehangen levensbeschouwing, dan is de godsdienstvrijheid feitelijk een natuurrecht dat voorafgaat aan de staat. In de omgekeerde situatie betreft het een positief recht, dat in het leven geroepen is door de staat. Indien de staat een recht in het leven kan roepen, kan het dit ook beperken of zelfs weer intrekken. Feitelijk wordt het daarmee van de staat afhankelijk of mensen tot hun volledige bestemming komen. Dit is zoals we eerder zagen het geval in de situatie waarin Cohen haar zin zou krijgen. Haar visie op liberale democratie gaat immers voor en mensen en hun organisaties zullen erop moeten toezien dat zij binnen de grenzen blijven die deze visie stelt teneinde volledig gerealiseerd te kunnen worden. In de visie die oorspronkelijk ten grondslag ligt aan het Amerikaanse staatsbestel zal omgekeerd de staat binnen de grenzen moeten blijven die het mensen mogelijk maakt om volledig tot hun bestemming te komen. Dat brengt met zich mee dat de staat de godsdienstvrijheid erkent als een natuurrecht, dat voorafgaat aan zijn eigen bestaan, zodat de prioriteit aan God toekomt.

De overgang van een liberale naar een moderne, of zelfs een postmoderne, visie op godsdienstvrijheid stelt gelovigen voor een dilemma. Een mogelijkheid is dat zij zich genoodzaakt zien het liberalisme vaarwel te zeggen en zich in elk geval tijdelijk terug te trekken uit de actieve participatie in de samenleving. The Benedict Option is een inmiddels bekend geworden boek, dat deze optie in het geval van christenen betrekt. Een andere mogelijkheid is dat gelovigen van binnenuit het liberalisme trachten te hervormen. Dat zal evenwel niet van vandaag op morgen kunnen. Net zomin als de verschuiving van liberalisme naar modernisme van de ene op de andere dag tot stand is gekomen, zal het ook mogelijk generaties duren voordat de weg terug is afgelegd. Wie deze optie wil trachten te realiseren, zal zijn hoop moeten vestigen op maatschappelijke instituties als de familie, de school en de kerk, synagoge of moskee. Daarvoor is dan echter wel een ruimhartige opvatting van godsdienstvrijheid vereist, die in een moderne of postmoderne visie op dit recht nu juist onder druk staat. Heel gemakkelijk te realiseren is deze optie dus evenmin. Voor zover het doel van de Benedictijnse optie is om te zijner tijd weer te gaan participeren in de samenleving, zal voor deze optie eveneens geruime tijd nodig zijn om haar te realiseren. De huidige situatie van de godsdienstvrijheid valt, kortom, in het Westen niet rooskleurig te noemen.

Voor het vorige deel in deze serie, zie:

Geloof in de liberale democratie (V): democratie

Zie voorts:

Nieuwsbericht ‘Hans-Martien ten Napel neemt deel aan boekpanel over recht en godsdienstvrijheid tijdens jaarvergadering van de American Academy of Religion in Boston, MA’

Opinieartikel, ‘De staat moet zich niet bemoeien met religieuze praktijken’ (2011)

Geloof in de liberale democratie (V): democratie

Dit is het vijfde deel van een nieuwe serie blogposts, die tevens – in definitieve vorm en aangevuld met een notenapparaat – als artikel zal verschijnen in het eerstvolgende nummer van het Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid. Voor de eerste vier delen, zie de links onderaan deze blogpost.

Bekijken we vervolgens de betekenis van de door Vorster voorgestane mensvisie voor de democratie, dan lijkt deze vooral goed aan te sluiten bij een visie op democratie waarin eenieder vrijuit politiek kan participeren. Dit zowel individueel als in groepsverband. Het laatste is van belang omdat het niet eenvoudig is om als burger, zelfs indien men beschikt over een uitgewerkte levensbeschouwing, de vertaalslag te maken van persoonlijke naar politieke opvattingen. Hierbij zal dikwijls, op tenminste een aantal beleidsthema’s, de hulp nodig zijn van deskundige geestverwanten. Van belang is dat iedere burger hiertoe op gelijke voet in de gelegenheid is, ongeacht geloof of levensovertuiging. De christelijke filosoof Nicholas Wolterstorff heeft een dergelijke visie op democratie aangeduid als ‘equal political voice’ liberalisme. Hierbij beklemtoont hij overigens dat deze ‘equal political voice’ moet worden uitgeoefend binnen de grenzen van een geschreven of ongeschreven grondwet, die via de werking van een aantal klassieke rechten waarborgt dat burgers niet onevenredig in hun vrijheid worden aangetast door de uitoefening van ‘equal political voice’ door hun medeburgers.

Dit laatste vormt een verschil met de opvatting van ‘public reason’ liberalisme zoals aangehangen door de, zeker in de Verenigde Staten, nog altijd invloedrijke filosoof John Rawls (1921-2002). Ook Rawls zal aanvaarden dat de uitoefening van ‘political voice’ aan constitutionele grenzen is gebonden. Hij formuleert echter aanvullende grenzen voortvloeiend uit de idee van publieke rede. Dit idee komt er kort gezegd op neer dat het politieke debat dient te worden gevoerd met argumenten die voor alle deelnemers navolgbaar zijn. Hoewel dit op het eerste gezicht een begrijpelijke eis lijkt, die aan alle deelnemers gelijkelijk gesteld wordt, bestaat er een risico dat gelovigen erdoor op achterstand worden gesteld. Voorzover zij immers een redenering zouden willen hanteren die rechtstreeks voortvloeit uit hun geloofsovertuiging, kunnen andere deelnemers aan het debat dit verhinderen door aan te voeren dat de redenering voor hen niet navolgbaar is. Indien gelovigen vervolgens hun redenering in ‘neutrale’ termen moeten formuleren, kunnen er allicht nuances verloren gaan. Bovendien komt deze opvatting voort uit het aanvechtbare idee dat alleen geloofsovertuigingen tot onnavolgbare redeneringen zouden leiden, terwijl seculiere redeneringen per definitie neutraal zouden zijn. Het is in reactie op dit liberalisme van de publieke rede dat Wolterstorff zijn variant van ‘equal political voice’ liberalisme heeft geformuleerd.

Dit ‘equal political voice’ liberalisme vormt tevens een contrast met een ander, op dit moment weer invloedrijk, verschijnsel, te weten dat van het populisme. Dit is niet de plaats om uit te weiden over de vraag wat populisme precies inhoudt. Hierover is inmiddels de nodige nieuwe literatuur beschikbaar. Binnen deze nieuwe literatuur neemt het boek What is Populism? van de aan de Universiteit van Princeton verbonden politicoloog Jan-Werner Müller een bijzondere plaats in. In zijn boek noemt Müller als een van de centrale kenmerken van populisme het ‘antipluralisme’. Hiermee doelt Müller op het feit dat het populisme uitgaat van het idee dat er een volk bestaat, dat zich gezamenlijk heeft te keren tegen hen vijandig gezinde elites. Niet alleen deze elites, maar ook diegenen die zich niet wensen aan te sluiten bij de door ‘het volk’ aangehangen meerderheidsopvatting, worden niet geacht tot het volk te behoren. In plaats van pluraal, wordt het volk dus geacht een eenheid te vormen. Wie zich daarmee niet identificeert, zal niet in gelijke mate politiek kunnen participeren, zoals het ‘equal political voice’ liberalisme verlangt.

Deze laatste opvatting gaat juist wel uit van pluralisme. Daarmee sluit deze vorm van liberalisme aan op de door Vorster geschetste mensvisie, waarin mensen spirituele wezens zijn, voor wie ruimte dient te worden gecreëerd om hun religie handen en voeten te geven zowel in het publieke als in het privé-domein. Dit brengt een verruiming van het begrip ‘politiek’ met zich mee, aangezien deze zich niet langer beperkt tot hetgeen in de politieke instituties gebeurt, maar zich tevens uitstrekt tot andere politieke activiteiten van burgers en hun organisaties. Deelname aan dergelijke organisaties is voor burgers noodzakelijk ten einde gevoed te worden in hun politieke overtuigingen. Op hun beurt dragen de organisaties van burgers bij aan de legitimiteit van het politieke bestel. Er wordt dus niet op voorhand getracht de potentiële onenigheid van burgers te neutraliseren, zoals het liberalisme van de publieke rede doet. De ‘equal political voice’-variant van liberalisme gaat er integendeel vanuit dat deze onenigheid de essentie vormt van politiek. Daarop dient te worden ingespeeld door een open en vrije ‘global public square’ in het leven te roepen. Zoals gezien, worden de grenzen hiervan slechts bepaald door de klassieke grondrechten uit de grondwet.

Hoogleraar Recht en Religie John Inazu heeft recentelijk een concrete uitwerking gegeven van de eisen waaraan een politiek stelsel moet voldoen om aan een ‘equal political voice’-variant van liberalisme te voldoen. Op constitutioneel gebied betreft dit de eisen van het eerbiedigen van het hierboven genoemde principe van ‘freedom of the church’, het faciliteren van publieke fora voor expressie, ook indien het minderheidsopvattingen betreft, en gelijke financiering van alle organisaties die aan politieke expressie doen. Deze laatste eis is omstreden, zowel in de Verenigde Staten als in toenemende mate in Europa. Toch heeft Inazu hier wel een punt, voorzover het niet gelijk behandelen van verschillende categorieën levensbeschouwelijke organisaties opnieuw uitgaat van het aanvechtbare idee dat alleen levensbeschouwelijke organisaties een bepaalde ideologische kleur kennen terwijl seculiere organisaties neutraal zijn. Hiernaast zijn er aan de kant van de burgers ook bepaalde deugden nodig, zoals die van tolerantie, bescheidenheid en geduld. Ik werk dit hier verder niet uit. Wel zij opgemerkt dat ook voor het aanleren en onderhouden van dergelijke deugden maatschappelijke organisaties weer goede diensten kunnen bewijzen.

Voor de eerste vier delen in deze serie, zie:

Geloof in de liberale democratie (IV): constitutionalisme

Geloof in de liberale democratie (III): de rol van antropologie

Geloof in de liberale democratie (II): de kritiek van Jean L. Cohen

Geloof in de liberale democratie (I): Inleiding