Co-editor and co-author, Regulating Political Parties. European Democracies in Comparative Perspective (2014) (II)

This volume is now available through open access here: http://www.oapen.org/search?identifier=642718;keyword=regulating.

‘Regulating Political Parties provides a novel and valuable contribution to the existing literature on political parties by discussing the various dimensions of party law and regulation, in Europe and other regions of the world. To what extent are political parties legitimate objects of state regulation? What are the dilemmas of regulating political finance? To what extent are parties accorded a formal constitutional status? What are the consequences of legal bans on political parties? How do legal arrangements affect parties representing ethnic minorities? These and related questions are discussed and examined from both theoretical and empirical perspectives. By bringing together international experts from the disciplines of law and political science, this volume thus addresses from an interdisciplinary and comparative point of view what has long been a notable lacuna in the study of political parties.’

The volume includes a chapter I co-authored with Jaco van den Brink, entitled ‘The SGP Case: Did it Really (Re)Launch the Debate on Party Regulation in the Netherlands?

See also:

Co-editor and co-author, Regulating Political Parties. European Democracies in Comparative Perspective (2014)

Affiliated Member, Center for the Study of Political Parties and Representation (CSPPR)

Artikel ‘Klein verschil, grote gevolgen. Het arrest van de Hoge Raad in de SGP-zaak nader geduid’, in Wapenveld (2010)

Geloof in de liberale democratie (IV): constitutionalisme

Dit is het vierde deel van een nieuwe serie blogposts, die tevens – in definitieve vorm en aangevuld met een notenapparaat – als artikel zal verschijnen in het eerstvolgende nummer van het Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid. Voor de eerste drie delen, zie de links onderaan deze blogpost.

Welke consequenties heeft de door Vorster voorgestane antropologie voor zijn visie op wat constitutionalisme precies inhoudt? Het is nauwelijks overdreven om te stellen dat de meeste binnen het (vergelijkende) constitutionele recht gangbare definities van constitutionalisme eerder aansluiten bij de benadering van Cohen dan bij die van Vorster. Dat geeft aan dat Cohen bepaald geen sectarische minderheidsopvatting vertolkt, maar eerder aansluit bij de mainstream opvattingen dienaangaande. Het nieuwe schuilt er dan eerder in dat zij er consequenties aan verbindt voor het recht op vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. Dat Cohen aansluit bij de heersende leer betekent echter nog niet dat zij ook gelijk heeft. Zoals de titel van haar artikel aangeeft, is zij geinteresseerd in de vraag ‘Whose Sovereignty?’ Zij stelt de vraag bij wie de soevereiniteit berust en voor haar is het duidelijk dat dit bij de staat moet zijn. Alleen op die manier is het mogelijk haar visie op de liberale democratie te realiseren. Dit is echter wel enigszins paradoxaal. Constitutionalisme kan immers vrij worden omschreven als het geheel van staatsrechtelijke arrangementen dat erop gericht is om de rechten en vrijheden van de burgers tegenover de staat te waarborgen. Als het dan vervolgens zo is dat alle touwtjes uiteindelijk in handen van de staat worden gelegd, aangezien alleen op die manier het liberalisme kan worden gerealiseerd, wordt de liberale democratie eigenlijk belangrijker gemaakt dan de rechten en vrijheden van de burgers in wier naam het liberalisme wordt aangehangen. Is een volledige soevereiniteit van de staat welbeschouwd in het belang van de bescherming van de rechten en vrijheden van burgers?

De katholieke rechtswetenschapper Richard W. Garnett is enige jaren geleden met een alternatieve definitie van constitutionalisme gekomen, die het overwegen waard lijkt. In de visie van Garnett is constitutionalisme:

‘the enterprise of protecting human freedom and promoting the common good by           categorizing, separating, structuring, and limiting power in entrenched and enforceable ways’.

Op het eerste gezicht komt deze omschrijving behoorlijk in de buurt van standaardomschrijvingen van het principe van machtenscheiding, zoals ook Cohen dat zal omschrijven. Het is begrijpelijk dat de omschrijving van Garnett hier raakvlakken mee vertoont, aangezien de machtenscheiding de klassieke manier is om de rechten en vrijheden van burgers te beschermen, gegeven het feit dat er enigerlei vorm van staatsgezag nodig is. Het idee is dat het kan helpen om dat staatsgezag niet absoluut te laten zijn, maar het op te delen in verschillende onderdelen, die elkaar kunnen beteugelen en controleren. De vraag die hier echter speelt, is welke macht als uitgangspunt geldt.

Bij nadere beschouwing bevat Garnett’s omschrijving van machtenscheiding een element dat in veel klassieke definities van constitutionalisme ontbreekt, te weten de bevordering van het algemeen welzijn. Garnett laat zich hier kennen als een katholieke auteur, want de notie van het algemeen welzijn neemt vanouds een belangrijke plaats in binnen de katholieke sociale leer. In het liberalisme, daarentegen, wordt er eerder vanuit gegaan dat de staat onder alle omstandigheden neutraal dient te zijn en dat dit uitgangspunt eraan in de weg staat dat de staat zou trachten het algemeen welzijn te bevorderen. Hoe kan de staat immers bepalen wat het algemeen welzijn bevordert, wanneer zijn neutraliteit het hoogste goed is? Neutraliteit neemt zo de plaats van algemeen welzijn over. Een vraag die de omschrijving van Garnett oproept, is of er binnen het liberale constitutionalisme niet toch ook meer ruimte kan en moet worden gemaakt voor de notie van het algemeen welzijn. Is het immers wel zo vanzelfsprekend dat het liberalisme in de praktijk uitmondt in een vrijwel volledig waardenrelativisme?

Het verschil tussen de opvattingen van Cohen en Garnett over constitutionalisme wordt nog duidelijker, wanneer een toevoeging in aanmerking wordt genomen die Garnett aanbrengt bij zijn hierboven weergegeven definitie. Garnett schrijft namelijk tevens dat:

‘[c]onstitutionalism relies, both in theory and in fact, not only on the separation and        limitation of the powers of the political authority, but also on the existence and the       health of authorities and associations outside, and meaningfully independent of, the        state.’

Dit nu is een gevoelig element, want Garnett breidt hier de werking van het principe van machtenscheiding uit van staatsmachten tot organisaties van burgers welke onafhankelijk zijn van de staat. Dit past echter niet goed binnen een doctrinaire opvatting van het staatsrecht, waarin dit recht alleen betrekking heeft op de staat en instituties die door publiekrecht in het leven zijn geroepen. Bovendien wordt hiermee de algehele soevereiniteit van de staat doorbroken en ontstaat een nieuwe constellatie waarin de soevereiniteit gedeeld wordt tussen de staat en van diezelfde staat onafhankelijke organisaties van de civil society. Zoals we hebben gezien, is dit precies waar Cohen zich zorgen over maakt.

Toch is het de vraag of het zo’n vreemde gedachte is om, zeker in de 21ste eeuw, het principe van machtenscheiding op deze manier uit te breiden. Door de opkomst van de sociale rechtsstaat is het aantal taken van de staat immers gegroeid. Het helpt dan niet meer voldoende om de staatsmacht op te delen in drie machten. Het is hiernaast noodzakelijk om tegenmacht in het leven te roepen tegen de staatsmacht als zodanig, ongeacht of het nu de wetgevende, de uitvoerende of de rechterlijke macht betreft. Door de opkomst van de sociale rechtsstaat is immers het verschil tussen de drie machten vervaagd, aangezien de uitvoerende macht ook aan wetgeving is gaan doen, terwijl de rechterlijke macht zich bij wijze van compensatie intensiever is gaan bezighouden met de controle van bestuurshandelen. Naast de opkomst van de sociale rechtsstaat, heeft ook de internationalisering bijgedragen aan een versterking van de positie van het bestuur binnen de trias politica. De wetgever is onvoldoende in de gelegenheid controle uit te oefenen op een en ander, aangezien de besluitvorming zich voor een deel heeft verplaatst naar internationale gremia.

Afgezien van staatsrechtelijke overwegingen die voortvloeien uit de trias politica, sluit een uitbreiding van de omschrijving van constitutionalisme met maatschappelijke organisaties aan bij de in de vorige paragraaf uiteengezette mensvisie. Indien het immers zo is dat mensen alleen dan tot hun bestemming komen wanneer zij hun activiteiten zowel in het publieke als in het privé-domein stoelen op hun geloof of andere levensovertuiging, dan moeten die activiteiten in het publieke domein ook zin kunnen hebben.

Voor de eerste drie delen van deze serie, zie:

Geloof in de liberale democratie (I): Inleiding

Geloof in de liberale democratie (II): de kritiek van Jean L. Cohen

Geloof in de liberale democratie (III): de rol van antropologie

 

Advanced Certificate Program on Religion and the Rule of Law at Oxford

Honored to be serving on the International Academic Advisory Board of this exciting new Program.

‘The need for a global program to identify and educate the rising generation of scholars and leaders in the field of law and religion: Legal restrictions on religious individuals and groups remain high or very high in many countries of the world, and these official obstacles are often combined with social hostilities regarding religion that are increasing around the world. Sometimes these problems rise to the level of persecution of religious minorities, or even genocide, but more frequent are problems that arise from discrimination, social marginalization, and the ordinary problems of lawmaking, enforcement, adjudication, and regulation.’

Source, and more information about the Program:

Home

Apply here:

Submit an Application

See also:

Redactioneel ‘Religie en de rule of law’

Paper Presentation during Journal of Law, Religion & State International Conference on ‘The Rule of Law – Religious Perspectives’, Bar-Ilan University, Ramat-Gan, Israel, 20-22 November 2016

International Conference on “The Rule of Law with Chinese Characteristics in Transition”

On Islam (Volume six of the Abraham Kuyper Collected Works in Public Theology series)

At the beginning of the twentieth century, famed theologian Abraham Kuyper toured the Mediterranean world and encountered Islam for the first time.

Part travelogue, part cultural critique, On Islam presents a European imperialist seeing firsthand the damage colonialism had caused and the value of a religion he had never truly understood. Here, Kuyper’s doctrine of common grace shines as he displays a nuanced and respectful understanding of the Muslim world. Though an ardent Calvinist, Kuyper still knew that God’s grace is expressed to unbelievers. Kuyper saw Islam as a culture and religion with much to offer the West, but also as a threat to the gospel of Jesus Christ. Here he expresses a balanced view of early twentieth-century Islam that demands attention from the majority world today as well. Essays by prominent scholars bookend the volume, showing the relevance of these teachings in our time.’

Source, and (order) information:

https://www.lexhampress.com/products/138756/on-islam?utm_source=abrahamkuyper.com&utm_medium=button&utm_campaign=lexhampress2015q4&ssi=0

 

Abraham Kuyper’s conviction that religion constitutes the ‘marrow’ of each culture, motivated him to pay frequent attention to the role of Islam, among other things, in the different countries he visited on his journey around the Mediterranean Sea. Similarly, comparative scholars of law and religion should be willing also to investigate the way transcendent perspectives have potentially shaped, and in many cases may well continue to influence, the particular legal systems they study. Public theology of the kind contained in this book can inspire and inform them on their way.

See also:

Book Launch and Panel Discussion: Abraham Kuyper’s Perspective on Islam

Article ‘Princeton Seminary Reforms Its Views on Honoring Tim Keller’

Lemma on the Kuyper cabinet (1901-1905)