Presentation during Second National Conference of Christians in Political Science, Calvin College, Grand Rapids, MI (1999)

532503_201131056663405_305346564_n

About the Conference:

‘The Paul Henry Institute will host the second national conference of Christians in Political Science, June 17-20, 1999. Christian political scientists from the United States, Canada, the Netherlands, and Australia have already registered to attend the event. More than twenty different panels, each addressing different thematic issues, have been organized, with more than sixty papers being given by different scholars in the field. On Friday, June 18, the Rev. Richard John Neuhaus will deliver an address that will be open to the public.’

Source: http://henry.calvin.edu/dotAsset/182cb684-4848-4d40-8150-9476e78b335d.pdf.

About the Henry Institute:

‘The Paul B. Henry Institute for the Study of Christianity and Politics was created in 1997 to continue the work of integrating Christian faith and politics advanced by its namesake, educator and public servant Paul B. Henry.

The Institute is dedicated to providing resources for scholarship, encouraging citizen involvement and education, structuring opportunities to disseminate scholarly work, seeking avenues to communicate and promote information about Christianity and public life to the broader public, and motivating and training future scholars and leaders.’

About Christians in Political Science:

‘Christians in Political Science aims to encourage students of politics to integrate their Christian faith into their research and writing; stimulate and assist members to bring insights and perspectives from their faith to classroom teaching; and provide a forum for fellowship. We recognize that Christians of good faith may disagree about how Christianity should inform our professional, political, and other activities. Indeed, a major goal of CPS is to encourage discussion of these matters among believers from different traditions and with divergent views.’

My own presentation was entitled ‘The Fall of Christian Democracy in Europe’.

Presentation during day conference on ‘Multiculturalism: Template for Peace or Recipe for Division’, West Yorkshire School of Christian Studies, Leeds (2007)

Wy-logo-transp

‘”Has multiculturalism had its day?” “Has multicultural society any space for faith-based institutions”? This time the answers come from Greg Mulholland MP, Jan van der Stoep, Hans-Martien ten Napel and Jonathan Chaplin, who are the speakers at a day conference run by the West Yorkshire School of Christian Studies.

Multiculturalism: Template for peace or recipe for conflict? takes place on December 8 at Outwood House, Horsforth with sessions at Woodside Methodist Church.’

Source: ThirdWay Magazine, december 2007.

‘WYSOCS is a Christian education centre exploring the power of faith in learning for every aspect of life. Based in Leeds, we provide resources for Christians throughout the UK and beyond to engage culture with an authentically Christian worldview.’ See: http://wysocs.org.uk.

You can download Jonathan Chaplin’s contribution, ‘Has multiculturalism had its day? Towards a Christian assessment’, here: http://www.klice.co.uk/uploads/Ethics%20in%20Brief/Chaplin%20v12.6%20pub.pdf.

For audio, go here: http://www.wysocs.org.uk/recordings.php.

My own presentation was entitled: ‘”Curbing’ multiculturalism in the European Court of Human Rights?

 

Deelnemer, brainstorm ‘Kerk en rechtsstaat’, Protestants Landelijk Dienstencentrum, 5 september 2008, Utrecht

logo

Lees hier het bericht over de nota, die de synode van de Protestantse Kerk in Nederland onder eindredactie van Prof. dr. Leo Koffeman (PThU) uiteindelijk vastelde over dit onderwerp:

‘Synode 12 t/m 14 november 2009: Synode kiest voor de democratische rechtsstaat

13 november 2009 De Protestantse Kerk in Nederland kiest zonder voorbehoud voor de democratische rechtsstaat. Zij herkent in de rechtsstaat belangrijke noties uit de Bijbel. Dat is de kern van de bespreking in de generale synode vrijdag over de nota ‘De kerk en de democratische rechtsstaat – een positiebepaling’. Deze positiebepaling houdt onder andere in dat de kerk zich sterk wil maken om haar bijdrage aan deze democratische rechtsstaat te leveren.

​Vrijheid van godsdienst

Ook wil de kerk zich inzetten voor de waarden die daarmee gegeven zijn: recht en gerechtigheid, mensenrechten, vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. Vrijheid, gelijkheid, duurzaamheid, participatie, veiligheid en solidariteit zijn belangrijke waarden en uitdagingen voor de kerk zelf en voor politiek en samenleving.

Scheiding tussen kerk en staat

Met de herkenning en erkenning van de democratische rechtsstaat hecht de Protestantse Kerk ook veel belang aan de scheiding tussen kerk en staat. Ze aanvaardt de democratische rechtsstaat principieel en is niet uit op politieke macht. Ze is dankbaar dat ze in vrijheid haar eigen kerkelijk leven mag inrichten en dat dit grondrecht ook voor andere religieuze groeperingen geldt.

Voor de wet is iedereen gelijk en er is scheiding tussen Kerk en Staat. Maar de concrete betekenis van dat uitgangspunt is regelmatig stof van discussie. Er is bijvoorbeeld vrijheid van godsdienst en dat kan in botsing komen met andere grondwettelijke grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting.

Behoefte aan standpunt

Het moderamen had om de nota gevraagd omdat er een dringende behoefte gevoeld werd aan een protestants standpunt over de verhouding tussen kerk en staat en over de rol van religie in de samenleving. Er was de laatste jaren veel discussie over: Mag een gemeenteraad financieel bijdragen in de bouw van een gebedshuis? Moet de overheid nog langer christelijke scholen subsidiëren? Mag een religieus leider zich negatief uitlaten over bijvoorbeeld homoseksualiteit? Heeft een atheïst het recht zich kwetsend uit te laten over gelovigen?

Minderheden

Dergelijke vragen hebben rechtstreeks te maken met de bescherming van minderheden, ook van religieuze gemeenschappen, als onderdeel van democratie en godsdienstvrijheid. Als gevolg van religieus terrorisme in de wereld en aanslagen in ons eigen land lijkt de bereidheid om religie te respecteren te verminderen. Tegelijk neemt van overheidswege de interesse juist toe, omdat men ziet hoeveel invloed geloof en religie kan hebben op burgers.

De Protestantse Kerk ziet hier een verantwoordelijkheid liggen. Volgens de kerkorde (art. 1, lid 6) is het haar taak om op te roepen “tot de vernieuwing van het leven in cultuur, maatschappij en staat”.

Bespreking in synodevergadering

In de bespreking in de generale synode werd de noodzaak benadrukt dat kerk en gemeenten zich met deze thematiek bezig te houden. Gewezen werd op de vragen rondom het kerkelijk spreken en op de noodzaak van de actieve opstelling van kerk en gemeenten in de relatie tot de overheid.

De generale synode aanvaardde de nota dankbaar als een basis voor het te voeren gesprek in gemeenten. In de nota zullen nog enkele elementen uit het gesprek in de synode verwerkt worden en de nota zal voorzien worden van een gesprekshandleiding. De generale synode hoopt dat daarmee gemeenten geholpen kunnen worden bij het gesprek over de thematiek in het algemeen maar ook toegespitst op hun concrete vragen met betrekking tot hun relatie tot de lokale overheid.

Samenstelling

Het rapport ‘De kerk en de democratische rechtsstaat – een positiebepaling. Bijdrage aan het gesprek in gemeente en kerk’ is gebaseerd op conferenties met en reacties van 33 deskundige theologen, historici, juristen, politici en andere sociale wetenschappers. Prof. dr. Leo Koffeman (PThU), tevens werkzaam bij het expertisecentrum van de dienstenorganisatie, voerde de eindredactie.

Meer informatie

Bron: http://www.protestantsekerk.nl/actueel/Nieuws/nieuwsoverzicht/Paginas/Synode-12-14-november-2009-Synode-kiest-voor-de-democratische-rechtsstaat.aspx.

Opinieartikel ‘Over koning moeten we dóórdenken’ (2000)

trouw_logo

Zelfs als je het eens bent met de bezwaren tegen het koningschap, erfelijkheid en onschendbaarheid, is het nog niet nodig direct voor een republiek te zijn. Het kan heel democratisch zijn een ondemocratisch element als het koningschap te handhaven.

Op de dag van de boekpresentatie van ‘Macht verloren, gezag versterkt. Historische en staatsrechtelijke opmerkingen over het koningschap in Nederland’ van de hand van J.Th.J. van den Berg, een opiniestuk over dit onderwerp dat ik schreef in 2000:

http://www.trouw.nl/tr/nl/5009/Archief/article/detail/2500096/2000/11/24/Over-koning-moeten-we-doordenken.dhtml.

Commentator, Conference on ‘Religion, Rights, and Institutions’, Princeton University (2014)

lapa_logo_home_0_0

‘The Conference on Religions, Rights, and Institutions will focus on how institutional design, of both religions and political regimes, affects the relationship between religious practice and activity and human rights. It will examine how the internal organization (formal and informal structures and rules) of religions and religious communities affect therights of members of religious communities and the functioning of religion as a source of human rights. It will investigate the scope of, and limits upon, a just state’s authority to compel changes in the internal aspects of organized religion in the name of human rights. Among the questions it will ask is how do social and political institutions shape religious behavior and affect the human rights of members of religious communities and the society at large.

The conference is co-sponsored by Princeton University’s Program in Law and Public Affairs and the Israel Democracy Institute. It will take place on November 23-24, 2014. Attendance is by invitation only.’

My contribution took place during Session 8 (‘Secular Carve-outs in a Religious World; Religious Carve-outs in a Secular World’. Check out the full conference schedule here:

https://lapa.princeton.edu/content/religions-rights-and-institutions.

Column ‘Over de zin van het Europees parlement’ (2014)

hofvijver_links

De vraag naar de zin van het Europees Parlement begint met de constatering dat het er is. Er was een tijd dat het staatsrecht, de naam zegt het al, gefixeerd was op de staat. Die tijd is voorbij. Natuurlijk blijven nationale staten ook in de voorzienbare toekomst belangrijke actoren op het wereldtoneel, maar als gevolg van de transnationalisering kunnen zij al lang geen monopoliepositie meer claimen in het bestuur en de politiek.

Internationale organisaties, en in toenemende mate ook private actoren, zijn geduchte concurrenten geworden als het gaat om bijvoorbeeld regelgeving. Voor het staatsrecht betekent dit dat het er een belangrijke missie bij heeft gekregen. Na de historisch gezien succesvolle constitutionalisering van de staat, zal het er in de 21ste eeuw op aankomen ook dergelijke transnationale processen te constitutionaliseren.

Lees de hele column, samen geschreven met J.L. Luiten, MPhil, hier: http://www.montesquieu-instituut.nl/9353000/1/j9vvj72dlowskug/vjjsbi99ykwj?pk_campaign=hofv-1405&pk_kwd=vjjsbi99ykwj.

Blogpost ‘The European Parliament as Benchmark of Transconstitutionalism’ (2014)

European_Parliament_2-260x160

The European Parliament is sometimes criticised as being weak compared to national parliaments, while the executive it is supposed to check is not as well-defined an antagonist as in national systems.

Read here why viewing the European Union (EU) through this state-centred lens seems neither fitting nor fair:

http://leidenlawblog.nl/articles/the-european-parliament-as-benchmark-of-transconstitutionalism.

Redactie themanummer ‘Democratie in ademnood?’ van CDV (2012)

cover-bottom-bg

‘Democratie is kostbaar cultureel erfgoed dat voor haar eigen behoud constant onderhoud en vernieuwing nodig heeft. Dat is de boodschap van Rein Jan Hoekstra, oud-lid van de Raad van State en oud-informateur, in het nieuwe nummer van Christen Democratische Verkenningen (CDV) dat vandaag verschijnt.

Er wordt volgens hem te gemakzuchtig met de democratie omgegaan. Alsof deze af is, vanzelfsprekend is, en geen cultivering behoeft. Ondertussen wordt er stevig gemorreld aan het gebouw van de democratie en dreigen we de spelregels van de democratie uit het oog te verliezen.

Hoekstra maakt zich “ernstige zorgen” over de staat van de democratie in Nederland en de wijze waarop politieke partijen ermee omgaan. Volgens hem dreigen politici en bestuurders de orde, een van de meest fundamentele rechtsprincipes, uit het oog te verliezen. ‘Het geklaag over de “kaasstolp in Den Haag” en “de zakkenvullers op het Binnenhof” in combinatie met lage opkomstcijfers bij verkiezingen en de geringe participatiegraad van politieke partijen ondermijnt de legitimiteit van het democratisch stelsel’, aldus Hoekstra in CDV, het kwartaalmagazine van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA. “We leven niet in een mediapolitiek landschap zoals in het Italië van Berlusconi. Maar ook hier heeft degene die via de media de publieke opinie het best weet te bespelen politiek succes. Ook de onzorgvuldige wijze waarop we met de spelregels van onze democratie omgaan, past in dat beeld. De oude spelregel is: er gaat eerst een brief naar de Kamer en dan wordt de pers geïnformeerd. Maar nu wordt daar steeds vaker de hand mee gelicht.”
De Tweede Kamer zelf draagt bij aan een ondergraving van het politieke systeem, betoogt Hoekstra. “Niet alleen de vertegenwoordigende en de controlerende functie, maar ook de wetgevende taak van het parlement wordt onvoldoende serieus genomen. Waar zijn de wetgevingsspecialisten gebleven in de Tweede Kamer? Dat de Eerste Kamer de laatste decennia steeds politieker is geworden, komt doordat de wetgevingstaak van de Tweede Kamer onvoldoende inhoud krijgt.”

Hoekstra toont zich een voorstander van herinvoering van het districtenstelsel zoals dat tot 1917 functioneerde. “Ik zie dat als adequate kanalisatie van de wederzijdse betrokkenheid van de volksvertegenwoordiger met zijn of haar kiezers in het betrokken district. In zoverre zou herinvoering een meerwaarde hebben voor ons parlementaire stelsel.” Ook pleit de christendemocraat voor het correctief wetgevingsreferendum, zodat na aanneming van een wetsvoorstel door Tweede en Eerste Kamer een bindend referendum over dat wetsvoorstel kan worden gehouden. “Mijn opvatting is dat daardoor ten eerste de bevolking in staat wordt gesteld om via een ordelijke procedure haar oordeel te geven, en ten tweede denk ik dat dit preventief positief zal uitwerken voor wat betreft de behandeling van wetsvoorstellen in Tweede en Eerste Kamer. Naar mijn inschatting zou dat kunnen betekenen dat Tweede en Eerste Kamer nog meer gaan letten op de kwaliteit van de inhoud en op problemen bij de uitvoering. Kortom, bezint eer ge begint.”

***
Het nieuwe CDV-nummer, met als titel Democratie in ademnood?, gaat op zoek naar een waardevolle, christendemocratische opvatting van democratie in een tijd dat deze volgens vele onderzoekers onder druk staat. De bundel bestaat uit drie delen. In het eerste deel gaat het over “de staat van de democratie”. Rien Fraanje, senioradviseur bij de Raad voor het openbaar bestuur, en Hans-Martien ten Napel, universitair docent staats- en bestuursrecht, laten zien dat achter de nog altijd redelijk onbezorgde vertrouwenscijfers ten aanzien van de Nederlandse democratie belangrijke problemen schuilgaan. Zo voelt een groot deel van de Nederlandse samenleving zich niet goed gerepresenteerd door politieke partijen. Labuschagne, universitair docent rechtsfilosofie, wijst op de gevolgen van een verregaande secularisering voor een waardevolle democratie. Hoogleraar recht Jan Willem Sap toont aan dat confessionele partijen, ondanks hun scepsis in het verleden tegenover democratie en in het bijzonder tegenover de leer van de volkssoevereiniteit, volop hebben bijgedragen aan de ontwikkeling van de democratische rechtsstaat.
In het tweede deel staan de “voorwaarden voor democratie” centraal. Zo wijst Marin Terpstra, universitair docent politieke filosofie, op de noodzakelijke religieuze dimensie van democratie, zoals die zich uit in de gezamenlijke viering van de toewijding en overgave van mensen aan de publieke zaak. De directeur van ProDemos, Kars Veling, benadrukt het belang van democratisch burgerschap en betoogt dat democratie niet moet worden versmald tot een besluitvormingsprocedure waarbij de meerderheid het voor het zeggen heeft. Advocaat Bart Fleuren laat zien waarom checks and balances tussen de staatsmachten noodzakelijk zijn. Volgens hem geeft het voorstel om de formateur voortaan niet meer door de Koning te benoemen blijk van een beperkte kijk op democratie.

In het laatste deel worden aanzetten gedaan voor een christendemocratische invulling van democratie. Politicologe Emma Cohen de Lara laat zien dat een bloeiende civil society van vitaal belang is voor de gezondheid van de vertegenwoordigende democratie. Hoogleraar filosofie, Guido Vanheeswijck, gaat in op de nobele opdracht tot tolerantie. Lex Oomkes, politiek commentator bij dagblad Trouw, betoogt dat de neiging tot partijdemocratisering bij partijen als het CDA gepaard gaat met ‘antidemocratische tendenzen’. Het kiezersmandaat wordt volgens hem “meer en meer een verpersoonlijkt mandaat, met ondermijnende gevolgen voor het precaire stelsel van macht en tegenmacht dat het Nederlandse stelsel kenmerkt”.’

Bron: https://www.cda.nl/wi/actueel/toon/verschijning-cdv-winternummer-democratie-in-ademnood/.

Voor dit themanummer schreef ik, samen met Maurice Adams en Maarten Neuteboom, de inleiding: ‘Over de voorwaarden van democratie en het herstel van de vertrouwensrelatie tussen burger en overheid’.

Tevens schreef ik mee aan een bijdrage getiteld ‘De beste, maar niet goed genoeg’, samen met Rien Fraanje: http://www.rob-rfv.nl/documenten/artikel_fraanje_en_ten_napel_voor_cdv.pdf.

Het hele themanummer is hier te downloaden: http://pubnpp.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/tijdschrift/CDV/CDV2012/CDV_2012_winter.pdf.

Voor meer (bestel)informatie over CDV, zie: https://www.tijdschriftcdv.nl.

 

Artikel ‘De formatie van de verrassende wendingen’. Het parlement over de kabinetsformatie 2010 (2011)

533

De inleiding op dit artikel, verschenen in het Tijdschrift voor Constitutioneel Recht, luidt als volgt:

‘Het jaar 2010 is niet alleen een politiek veelbewogen jaar geweest, maar ook vanuit staatsrechtelijk oogpunt roepen verloop en uitkomst van de jongste kabinetsformatie tal van vragen op. Te denken valt aan de gevolgde spelregels bij de formatie, de figuur van het minderheidskabinet, de discussie over het rechtsstatelijk en democratisch karakter van de PVV, de rol van het staatshoofd, de positie van de Eerste Kamer, het vrij mandaat van de volksvertegenwoordiger, de inhoud van het regeer- en gedoogakkoord en de uitwerking voor het politieke en constitutionele bestel als geheel. In deze bijdrage passeren niet al deze aspecten systematisch de revue. Het artikel beperkt zich, aan de hand van een beschrijving van het formatieproces, tot de staatsrechtelijke kanttekeningen die in het Nederlandse parlement (Tweede en Eerste Kamer) bij het verloop en de uitkomst van de kabinetsformatie zijn geplaatst. Daarbij wordt onder “staatsrechtelijke kanttekeningen” ook verstaan kanttekeningen die betrekking hebben op de formatieprocedure als zodanig, die strikt genomen niet wordt beheerst door regels van geschreven dan wel ongeschreven staatsrecht maar veeleer door meer of minder vaste praktijken. De focus van dit artikel ligt daarmee op hetgeen in het parlement is gewisseld. Daarmee wil niet gezegd zijn dat de doctrine oninteressant is, maar voor het politieke staatsrecht is van belang dat het laatste instantie bepaald wordt door de belangrijkste actores zelf, zijnde regering en parlement. Juist om die reden is het waardevol het verloop van het proces vanuit het perspectief van de betrokken actoren te reconstrueren. Bovendien behoort slechts in het geval van enigerlei vorm van interactie tussen de staatsrechtbeoefening en onderscheiden politieke stromingen beïnvloeding tot de mogelijkheden.

Gelet op het primair beschrijvende, reconstruerende karakter van deze bijdrage, vormen de voornaamste bron voor dit artikel de Kamerdebatten zoals deze respectievelijk zijn gevoerd met de informateurs en in het kader van de algemene politieke beschouwingen naar aanleiding van de Miljoenennota voor het jaar 2011, in het laatste geval ook in de Eerste Kamer. Tevens wordt – bij wijze van intermezzo – stilgestaan bij de tijdens de behandeling van de begroting Algemene Zaken voor het jaar 2011 gevoerde discussie. De slotparagraaf bevat een poging tot waardering van de in het parlement geplaatste staatsrechtelijke kanttekeningen bij het verloop en de uitkomst van de kabinetsformatie 2010, mede in het licht van de soms “heftige stukken” die over de formatie zijn verschenen vanuit de doctrine.’

Het artikel,  is hier raadpleegbaar:

https://openaccess.leidenuniv.nl/handle/1887/18638;

http://www.tvcr.nl/basis.aspx?Lid=2&Lit=VIEW&Query=TVCRU_Editions.Id=9 (onder ‘artikelen’).

Artikel over kabinetsformatie 2012 in Tijdschrift voor Constitutioneel Recht (2013)

533

‘In een preadvies over kabinetsformaties constateert hoogleraar parlementaire geschiedenis Van Baalen dat er in de loop van de twintigste eeuw een ontwikkeling heeft plaatsgevonden waarbij de rol van de Tweede Kamer in het formatieproces geleidelijk is toegenomen. Binnen deze ontwikkeling onderscheidt Van Baalen vijf cruciale ‘gebeurtenissen’ waarin het parlement zijn positie heeft versterkt. Zo is het sinds 1939 onaanvaardbaar als een kabinet in spe geen (gedoog)steun vindt bij een Kamermeerderheid en is het sinds 1963 gewoonte dat de Kamerfracties van de politieke partijen die deel gaan nemen aan het kabinet, een regeerakkoord sluiten.

In het preadvies noemt Van Baalen ook twee manieren om de invloed van de Kamer op de kabinetsformatie verder te versterken. De eerste manier is de mildere variant die al enige tijd bestaat: de Kamer beraadslaagt in een debat over de verkiezingsuitslag, teneinde op deze wijze het initiatief te nemen in de kabinetsformatie (gecodificeerd in haar Reglement van Orde sinds 2010, door het voorstel Van der Ham en Duyvendak/Van Gent) of de Kamer draagt zelf een formateur voor bij het staatshoofd (sinds 1971 mogelijk door de motie-Kolfschoten).

De tweede manier om de invloed van de Tweede Kamer op de kabinetsformatie te vergroten is de reglementswijziging die in maart 2012 is doorgevoerd. Deze gaat verder omdat zij niet alleen de gehele formatieprocedure in handen van de Kamer legt, maar hiertoe – anders dan de hiervoor genoemde mogelijkheden – ook nog eens verplicht. Volgens Van Baalen is hiermee de parlementarisering van de kabinetsformatie voltooid: het is de laatste stap in de in 1939 begonnen toename van de rol van de Tweede Kamer gedurende het proces van kabinetsformatie.

In dit artikel wordt allereerst bezien hoe deze voltooiing van de parlementarisering van de kabinetsformatie, in de woorden van Van Baalen, is totstandgekomen. Vervolgens gaan wij na hoe de gewijzigde procedure bij de formatie van het kabinet-Rutte-II uitpakte. Tenslotte evalueren wij deze kabinetsformatie aan de hand van de gezichtspunten zoals deze in het debat over de reglementswijziging door de Kamer zelf zijn verwoord, waarbij ook de meer traditionele kritiek op de formatie aan de orde komt alsmede de vraag in hoeverre het huidige art. 139a RvOTK in de huidige redactie voor de komende jaren houdbaar is.’

Lees hier (onder ‘artikelen’) het artikel als geheel, dat ik samen schreef met J.A.H. Heijne en J.V. Veldwijk:

http://www.tvcr.nl/basis.aspx?Lid=2&Lit=VIEW&Query=TVCRU_Editions.Id=17.