Artikel in Liberaal Reveil (II)

Op de dag waarop de uitslag van de Amerikaanse presidentsverkiezingen bekend werd, is het toepasselijk om het tweede deel te plaatsen van mijn artikel ‘Rel rond fastfoodketen Chick-fil-A laat zien: scheiding van kerk en staat niet langer grootste zorg in Amerika’ uit Liberaal Reveil. De thematiek van de verhouding tussen kerk en staat zal tijdens de tweede termijn van Obama naar verwachting op de agenda blijven.

Een link naar de inhoudsopgave van het totale nummer, alsmede bestelinformatie, treft u aan in de vorige blogpost. De illustratie van Uncle Sam is ontleend aan de omslag van het betreffende nummer van Liberaal Reveil, dat mede gewijd is aan de Amerikaanse presidentsverkiezingen. ‘The Prof. mr. B.M. Teldersstichting (Telders Foundation) is the Dutch liberal think tank, affiliated to the political party VVD. (…) The quarterly journal of the Telders Foundation is Liberaal Reveil, which is edited by Camilia Bruil.’

4. Rechterlijke verdeeldheid

Gegeven deze gepolariseerde maatschappelijke constellatie, is het weinig verwonderlijk dat het Amerikaanse Hooggerechtshof er de afgelopen decennia een harde dobber aan heeft gehad om heldere lijnen uit te zetten op het terrein van de (onderlinge verhouding van de) ‘essentiële rechten en vrijheden’ van godsdienst. Op het traditioneel zo sterk in het oog springende onderwijsgebied is dat misschien overigens nog relatief het beste gelukt. In elk geval heeft het Hof daar in zijn meest recente jurisprudentie enerzijds vastgehouden aan een relatief strikte interpretatie van de scheiding van kerk en staat gedurende schooltijd. Anderzijds heeft het voor, tussen en na lesuren juist ruimte gecreëerd voor vrijwillige godsdienstige activiteiten door zowel scholieren als hun ouders en andere betrokkenen, inclusief in voorkomende gevallen de financiering daarvan, met een beroep op het principe van religieuze gelijkheid.12

Ten aanzien van bijvoorbeeld religieuze symbolen in het publieke domein, is het beeld dat de jurisprudentie laat zien diffuser. Zo kreeg het Hooggerechtshof in de zaak Stone t. Graham (1980) een wet uit Kentucky voorgelegd die van openbare scholen vereiste dat zij de Tien Geboden zouden tonen in de klaslokalen. Net als de Italiaanse regering in de zaak-Lautsi over kruisbeelden in klaslokalen van openbare scholen, trachtte Kentucky ter rechtvaardiging hiervan een ‘secular legislative purpose’ aan te tonen door te stellen dat scholen ertoe verplicht waren om onder de afbeelding in kleine letters te schrijven: ‘The secular application of the Ten Commandments is clearly seen in its adoption as the fundamental legal code of Western Civilization and the Common Law of the United States.’ Het Hooggerechtshof liet zich hierdoor niet overtuigen en bepaalde met vijf stemmen tegen vier dat de maatregel neerkwam op het door de regering ondersteunen van religie en daarmee inconstitutioneel was. Volgens het Hooggerechtshof schond de wet het verbod een religie te vestigen uit het Eerste Amendement. Een van de ‘dissenters’, toenmalig opperrechter Rehnquist, waarschuwde evenwel dat ‘[t]he Establishment Clause does not require that the public sector be insulated from all things which may have a religious significance or origin’.13) Vier jaar later bepaalde het Hof bovendien in Lynch t. Donnelly (1984) dat een kerststal die de stad Pawtucket, R.I. had geplaatst op een gemeentelijk plein constitutioneel door de beugel kon. Het Hof stelde dat de stal slechts de historische oorsprong tot uitdrukking bracht van de feestdag, die overigens zowel een seculiere als een religieuze betekenis kende. Onder deze omstandigheden viel het plaatsen van de stal in redelijkheid niet te beschouwen als een poging door de staat om het Christendom voor te trekken.14)

Sinds deze twee beslissingen uit de jaren tachtig heeft het Amerikaanse Hooggerechtshof nog diverse andere deels conflicterende en inconsistente uitspraken gedaan. Telkens kende het daarbij het nodige gewicht toe aan de specifieke geschiedenis en context van het betreffende symbool. Het hieruit resulterende gebrek aan duidelijke richtlijnen weerspiegelt de diepe verdeeldheid binnen het Hooggerechtshof terzake.15)

Nu bestaat deze verdeeldheid op zichzelf ook binnen andere rechterlijke colleges, waaronder het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, maar toch zegt het wel iets dat bijvoorbeeld de voormalige Canadese opperrechter Dickson van mening was dat de Amerikaanse jurisprudentie inzake godsdienstvrijheid in zijn land niet dan met de nodige terughoudendheid moest worden toegepast. Met name het verbod een religie te vestigen uit het Eerste Amendement achtte hij ‘a principle which can only further obfuscate an already difficult area of the law’.16) Eveneens een teken aan de wand is dat in het eerderbedoelde handboek de internationale normen en jurisprudentie ten aanzien van de godsdienstvrijheid inmiddels ten voorbeeld worden gesteld aan de Verenigde Staten.17)

5. Tot besluit

Meer in het algemeen lijken de Verenigde Staten, evenals tal van andere Westerse landen waaronder Nederland, voor de keuze te staan tussen twee benaderingen van pluralisme die onder anderen de Britse filosoof John Gray binnen het liberalisme heeft geschetst: ‘In one, toleration is justified as a means to truth. In this view, toleration is an instrument of rational consensus, and a diversity of ways of life is endured in the faith that it is destined to disappear. In the other, toleration is valued as a condition of peace, and divergent ways of living are welcomed as marks of diversity in the good life. The first conception supports an ideal of ultimate convergence on values, the latter an ideal of modus vivendi.’18) Gray zelf voegde daar direct aan toe: ‘Liberalism’s future lies in turning its face away from the ideal of rational consensus and looking instead to modus vivendi.’19)

Voor een dergelijk door het ideaal van modus vivendi gedreven liberalisme vormt in de Verenigde Staten niet langer de waarborging van de scheiding van kerk en staat de grootste bron van zorg, maar het bereiken van een nieuw evenwicht tussen het samenstel van zogeheten ‘essentiële rechten en vrijheden’ van godsdienst, waaronder de godsdienstvrijheid zelf. Onder meer de recente rel rond fastfoodketen Chick-fil-A laat zien dat Amerika zover nog niet is.

Toch heeft het land tenminste een ding voor op bijvoorbeeld Nederland. Een absolute constante door de Amerikaanse geschiedenis is tot op heden gevormd door de erkenning dat de godsdienstige rechten en vrijheden een dermate eigen karakter kennen, dat zij afzonderlijke constitutionele en andere bescherming behoeven. In Nederland is dit inzicht inmiddels aan duidelijke erosie onderhevig.20) In de Verenigde Staten leeft het besef nog sterk dat het Eerste Amendement ook daadwerkelijk het Eerste en dus belangrijkste Amendement is. Pas recentelijk ontstaat ook in de Verenigde Staten enige discussie over de vraag of de godsdienstige rechten en vrijheden niet gevat kunnen worden onder de meer algemene vrijheden van meningsuiting en vereniging.21)

Het eventuele doorzetten van deze tendens zou een historisch gezien zeer wezenlijk bestanddeel van het Amerikaanse constitutionele experiment in de waagschaal stellen, met vooralsnog onbekende gevolgen voor onder meer de niet onaanzienlijke invloed van het land op het terrein van de godsdienstvrijheid buiten de eigen landsgrenzen. De ontwikkeling valt evenmin bezwaarlijk als liberaal te kwalificeren, aangezien voor wie oprecht gelooft in vrijheid van eenieder, het recht van eenieder om volgens zijn oprecht religieus of ander geloof in vrijheid te leven daar een onlosmakelijk onderdeel van vormt. Wie de godsdienstvrijheid wil afschaffen of beperken, ondermijnt daarmee niet alleen het religieuze pluralisme en de religieuze gelijkheid, maar zet tevens de bijl in het fundament van de open samenleving in Nederland dan wel de Verenigde Staten.22)

Noten
12) Witte Jr. & Nichols, Religion and the American Constitutional Experiment, hoofdstuk 8.
13) Stone t. Graham, 449 U.S. 39, aldaar 45-46 (1980).
14) Lynch t. Donnelly 465 U.S. 668 (1984).
15) Vgl. Hans-Martien ten Napel, ‘Beyond Lautsi: An Alternative Approach to Limiting the Government’s Ability to Display Religious Symbols in the Public Workplace’, in: Katayoun Alidadi, Marie-Claire Foblets en Jogchum Vrielink (red.), A Test of Faith? Religious Diversity and Accommodation in the European Workplace (Farnham, Surrey: Ashgate, 2012) 87-99, aldaar 93-95.
16) Iain T. Benson, ‘The Freedom of Conscience and Religion in Canada: Challenges and Opportunities’, Emory International Law Review 21 (2007) 111-166, aldaar 126.
17) Witte Jr. & Nichols, Religion and the American Constitutional Experiment, hoofdstuk 12.
18) John Gray, Two Faces of Liberalism (New York, NY: The New Press, 2000) 105. Vgl. ook Iain T. Benson, ‘The Case for Religious Inclusivism and the Judicial Recognition of Religious Associational Rights: A Response to Lenta’, 1 (2008) Constitutional Court Review, 297-312, aldaar 298-304.
19) Gray, Two Faces of Liberalism, 105.
20) Zie bijvoorbeeld Paul de Beer, ‘De paradox van de godsdienstvrijheid’, in: H.M.A.E. van Ooijen et al. (eds.), Godsdienstvrijheid, afschaffen of beschermen? (Leiden: Stichting NJCM-Boekerij, 2008) 5-10.
21) Witte Jr. & Nichols, Religion and the American Constitutional Experiment, xv.
22) Vgl. Florian H. Karim Theissen & Hans-Martien ten Napel.‘Oprecht geloven in vrijheid. Bloemlezing van een grondrecht onder vuur’, 61 (2012) Ars Aequi, 182-187.