Artikel ‘Efficiënt wetgeven is meer dan snel wetten maken’ in SC Krant (II)

Hieronder volgt het tweede en laatste deel van bovenstaand artikel. Het origineel is te raadplegen via https://openaccess.leidenuniv.nl/handle/1887/20122.

‘De efficiëntie van het wetgevingsproces behelst echter meer factoren dan het tempo en de snelheid van het proces in de verschillende fasen. Zo komt in ons onderzoek naar voren dat transparantie een van de belangrijkste succesfactoren van het Finse wetgevingsproces is. In Finland is men zowel binnen de overheid, als naar de burger toe, zeer transparant. Ambtenaren van verschillende departementen en bestuursorganen weten zodoende wat er speelt in andere delen van de overheidsorganisatie. Doordat men niet krampachtig is over contacten tussen ambtenaren en politici zijn beide groepen goed van elkaars wensen op de hoogte. De open cultuur stelt burgers en belanghebbenden in staat zinvol te reageren op voorgenomen wetgeving. Finland laat zien dat waardering en gebruik van deze bijdragen het proces niet hoeven te vertragen. Sterker nog, actoren in het Finse wetgevingsproces zijn ervan overtuigd dat effectieve consultatie een noodzakelijke voorwaarde is voor de kwaliteit en legitimiteit van wetten.

Transparantie en consultatie worden reeds in een groot aantal Europese landen gefaciliteerd door zogenaamde e-democracy portals. Veel overheden hebben een centrale website waarop wetsvoorstellen eenvoudig getraceerd kunnen worden. Burgers worden in verschillende fasen uitgenodigd hun mening te geven. Geïnteresseerden kunnen daarnaast aangeven dat zij per e-mail op de hoogte gehouden willen worden van ontwikkelingen. Buitenlandse rechtsstelsels laten zien dat E-democracy tools een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan horizontalisering van verhoudingen in het openbaar bestuur. Het internet biedt talloze (in Nederland nog relatief onbenutte) mogelijkheden om effectief met de burger in contact te treden en zo het wetgevingsproces efficiënter en dus ook sneller te maken. In diverse Europese landen worden reeds forse stappen in deze richting gezet.

Samengevat is onze conclusie dat er, ondanks de op zichzelf gerechtvaardigde zorgen van de Nationale ombudsman, volop kansen zijn het Nederlandse wetgevingsproces te moderniseren en efficiënter te maken. Het is dan echter wel noodzakelijk dat men, in tegenstelling tot waar Van der Woude mee genoegen lijkt te nemen, het wetgevingstempo niet met eendimensionale maatregelen probeert te verhogen. Efficiënter wetgeven is niet louter sneller wetten maken. De nieuwe tijd vraagt om transparante processen en horizontale communicatierelaties tussen overheid en burger. Het wetgevingstempo kan alleen omhoog als het kabinet-Rutte/Asscher zich hier terdege rekenschap van geeft.’

RELIGARE Conference on ‘Secularism and Religious Diversity in Europe: Opportunities and Perspectives, Leuven & Brussels, 4 – 5 December 2012

I am pleased to pass the invitation for the above conference on to anyone interested in this topic. I had the honor to make a contribution to one of the volumes produced in the course of this project (see http://hmtennapel.weblog.leidenuniv.nl/2012/08/06/a-test-of-faith-religious-diversity-and/). Speakers during the conference include Tore Lindholm (University of Oslo), Olivier Roy (European University Institute), Abdulla An-Na’im (Professor Emeritus, Emory University), José Casanova (Georgetown University) and Heiner Bielefeldt (UN Rapporteur on Freedom of Religion).

‘RELIGARE (‘Religious Diversity and Secular Models in Europe: Innovative Approaches to Law and Policy’) is a European research project funded by the Seventh Framework Programme for Research and Technological Development (FP7, 2007-2013) of the European Commission. It focuses on the coexistence and interactions of secular and religious values in contemporary Europe.

To mark the end of this 3 year project, a high level Conference will be organized on 4-5 of December 2012 to present the project’s results and recommendations. The event has been organized as follows:

4 December 2012 – Leuven (University of Leuven)
• Conference (9.00 a.m. – 6.30 p.m.):
Presentation of the research results by the project partners, accompanied by an in-depth analysis of scientific findings by invited academics and experts.
Venue: Tiensestraat 41, Law Faculty, 3000 Leuven – Auditorium Zeger Van Hee, Collegium Falconis.
• Evening debate (7.30.p.m. – 9.30 p.m.):
Featuring a panel discussion and a keynote speech by Herman Van Rompuy, President of the European Council.
Venue: Promotiezaal: Universiteitshal, Naamsestraat 22, B-3000 Leuven.

5 December 2012 – Brussels (Centre Albert Borchette, European Commission)
• Conference (9.00 a.m. to 5.30 p.m.): Day two focuses on the EU policy relevance of the RELIGARE results, and aims at stimulating discussion and feedback between researchers and EU policymakers.
Includes the participation of Mr. Lázló Surján, Vice-President of the European Parliament, who will deliver a Keynote Speech at 2 p.m.

Venue: Albert Borschette Conference Centre, 36 Rue Froissart, Brussels

(…)

The RELIGARE Steering Committee (on behalf of the RELIGARE project)

Prof. Marie-Claire Foblets, University of Leuven (Coordinator of the RELIGARE project)
Prof. Veit Bader, University of Amsterdam
Dr. Sergio Carrera, Centre for European Policy Studies
Prof. Silvio Ferrari, University of Milan
Prof. Francis Messner, National Centre for Scientific Research (PRISME-University of Strasbourg)
Prof. Jørgen Nielsen, University of Copenhagen
Prof. Mathias Rohe, University of Erlangen-Nürnberg
Dr. Prakash Shah, Queen Mary, University of London
Prof. Rik Torfs, University of Leuven’

You can access the full programme, and register for this event at http://religareproject.eu/content/religare-conference-secularism-and-religious-diversity-europe-opportunities-and-perspectives.

Artikel ‘Efficiënt wetgeven is meer dan snel wetten maken’ in SC Krant (I)

Dit jaar maakte ik deel uit van een team van Leidse staatsrechtsgeleerden en bestuurskundigen, dat in opdracht van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (WODC) rechtsvergelijkend onderzoek verrichtte naar efficiëncy-verbetering van het wetgevingsproces (zie http://law.leidenuniv.nl/org/publiekrecht/sbrecht/nieuws/rechtsvergelijkend-onderzoek-naar-tempo-afstemming-techniekbenutting-en-transparantie-wetgevingsproces-is-efficiency-te-verbeteren.html).

In de vandaag verschenen SC Krant valt onder bovenstaande titel alvast een voorproefje te lezen van de uitkomsten van het onderzoek. Dit naar aanleiding van een vorige week in dezelfde krant gepubliceerd artikel ‘Kabinet legt zichzelf ambitieus wetgevingstempo op’.

De online versie van de reactie die ik, samen met collega’s Passchier en Voermans, schreef op dit artikel, is voor wie beschikt over een abonnement raadpleegbaar via http://www.sconline.nl/artikelen/details/2012/11-november/15/Effici-nt-wetgeven-is-meer-dan-snel-wetten-maken.html.

Voor wie geen toegang heeft, volgt hier het eerste deel van het artikel:

‘Op 8 november j.l. berichtte SC: ‘Kabinet legt zichzelf ambitieus wetgevingstempo op’. Volgens het regeerakkoord zal het nieuwe kabinet alle benodigde wetgeving voor de miljardenbesparingen in het eerste jaar van de kabinetsperiode voorleggen aan de Staten-Generaal. In het betreffende artikel worden twee reacties weergegeven. Nationale ombudsman Alex Brenninkmeijer toonde zich in een brief aan de informateurs van 2 oktober j.l. al bezorgd over de waarschijnlijke dadendrang van het nieuwe kabinet. Brenninkmeijer vreesde voor ‘over elkaar heen buitelende’ beleidsmatregelen en wetgeving. Dit zou ten koste gaan van de de rechtszekerheid van burgers en de uitvoerbaarheid. Daarnaast wordt in het artikel zelf gereageerd door Wytze van der Woude, universitair docent publiekrecht aan de Universiteit van Maastricht. Volgens Van der Woude kunnen vakdepartementen een hoog wetgevingstempo prima aan. De docent verwacht echter vertraging in de polder. Overleg met belanghebbenden en sociale partners kost veel tijd. Ook afstemming met uitvoeringsorganisaties zou het wetgevingstempo kunnen verlagen.

In geen van beide stellingnames kunnen wij ons geheel vinden. In Leiden deden wij recentelijk rechtsvergelijkend onderzoek naar de efficiëntie van het wetgevingsproces. Hieruit blijkt dat efficiëntie en kwaliteit elkaar niet noodzakelijkerwijs uitsluiten. In een aantal Europese landen weet men in relatief korte tijd goede wetten te maken. In het Verenigd Koninkrijk vormen prioriterings- en planningssystemen de drijvende kracht achter het versnellen van het wetgevingsproces. Nederland zou veel kunnen leren van Brits time-management. Een stap verder gaan landen met speciale, snellere, wetgevingsprocedures. In Slovenië heeft men, naast de ‘gewone’ procedure, ook een ‘urgente’ en een ‘versnelde’ wetgevingsprocedure. Het Sloveense wetgevingsproces kan hierdoor soms korter zijn dan drie maanden. Ondanks dat dit in de Nederlandse context wellicht weer wat te snel is, zou het systeem van verschillende procedures bron van inspiratie kunnen zijn. De huidige one-size-fits-all aanpak is niet altijd bevorderlijk voor de efficiëntie van het wetgevingsproces.’

Wordt vervolgd.

Artikel in Liberaal Reveil (II)

Op de dag waarop de uitslag van de Amerikaanse presidentsverkiezingen bekend werd, is het toepasselijk om het tweede deel te plaatsen van mijn artikel ‘Rel rond fastfoodketen Chick-fil-A laat zien: scheiding van kerk en staat niet langer grootste zorg in Amerika’ uit Liberaal Reveil. De thematiek van de verhouding tussen kerk en staat zal tijdens de tweede termijn van Obama naar verwachting op de agenda blijven.

Een link naar de inhoudsopgave van het totale nummer, alsmede bestelinformatie, treft u aan in de vorige blogpost. De illustratie van Uncle Sam is ontleend aan de omslag van het betreffende nummer van Liberaal Reveil, dat mede gewijd is aan de Amerikaanse presidentsverkiezingen. ‘The Prof. mr. B.M. Teldersstichting (Telders Foundation) is the Dutch liberal think tank, affiliated to the political party VVD. (…) The quarterly journal of the Telders Foundation is Liberaal Reveil, which is edited by Camilia Bruil.’

4. Rechterlijke verdeeldheid

Gegeven deze gepolariseerde maatschappelijke constellatie, is het weinig verwonderlijk dat het Amerikaanse Hooggerechtshof er de afgelopen decennia een harde dobber aan heeft gehad om heldere lijnen uit te zetten op het terrein van de (onderlinge verhouding van de) ‘essentiële rechten en vrijheden’ van godsdienst. Op het traditioneel zo sterk in het oog springende onderwijsgebied is dat misschien overigens nog relatief het beste gelukt. In elk geval heeft het Hof daar in zijn meest recente jurisprudentie enerzijds vastgehouden aan een relatief strikte interpretatie van de scheiding van kerk en staat gedurende schooltijd. Anderzijds heeft het voor, tussen en na lesuren juist ruimte gecreëerd voor vrijwillige godsdienstige activiteiten door zowel scholieren als hun ouders en andere betrokkenen, inclusief in voorkomende gevallen de financiering daarvan, met een beroep op het principe van religieuze gelijkheid.12

Ten aanzien van bijvoorbeeld religieuze symbolen in het publieke domein, is het beeld dat de jurisprudentie laat zien diffuser. Zo kreeg het Hooggerechtshof in de zaak Stone t. Graham (1980) een wet uit Kentucky voorgelegd die van openbare scholen vereiste dat zij de Tien Geboden zouden tonen in de klaslokalen. Net als de Italiaanse regering in de zaak-Lautsi over kruisbeelden in klaslokalen van openbare scholen, trachtte Kentucky ter rechtvaardiging hiervan een ‘secular legislative purpose’ aan te tonen door te stellen dat scholen ertoe verplicht waren om onder de afbeelding in kleine letters te schrijven: ‘The secular application of the Ten Commandments is clearly seen in its adoption as the fundamental legal code of Western Civilization and the Common Law of the United States.’ Het Hooggerechtshof liet zich hierdoor niet overtuigen en bepaalde met vijf stemmen tegen vier dat de maatregel neerkwam op het door de regering ondersteunen van religie en daarmee inconstitutioneel was. Volgens het Hooggerechtshof schond de wet het verbod een religie te vestigen uit het Eerste Amendement. Een van de ‘dissenters’, toenmalig opperrechter Rehnquist, waarschuwde evenwel dat ‘[t]he Establishment Clause does not require that the public sector be insulated from all things which may have a religious significance or origin’.13) Vier jaar later bepaalde het Hof bovendien in Lynch t. Donnelly (1984) dat een kerststal die de stad Pawtucket, R.I. had geplaatst op een gemeentelijk plein constitutioneel door de beugel kon. Het Hof stelde dat de stal slechts de historische oorsprong tot uitdrukking bracht van de feestdag, die overigens zowel een seculiere als een religieuze betekenis kende. Onder deze omstandigheden viel het plaatsen van de stal in redelijkheid niet te beschouwen als een poging door de staat om het Christendom voor te trekken.14)

Sinds deze twee beslissingen uit de jaren tachtig heeft het Amerikaanse Hooggerechtshof nog diverse andere deels conflicterende en inconsistente uitspraken gedaan. Telkens kende het daarbij het nodige gewicht toe aan de specifieke geschiedenis en context van het betreffende symbool. Het hieruit resulterende gebrek aan duidelijke richtlijnen weerspiegelt de diepe verdeeldheid binnen het Hooggerechtshof terzake.15)

Nu bestaat deze verdeeldheid op zichzelf ook binnen andere rechterlijke colleges, waaronder het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, maar toch zegt het wel iets dat bijvoorbeeld de voormalige Canadese opperrechter Dickson van mening was dat de Amerikaanse jurisprudentie inzake godsdienstvrijheid in zijn land niet dan met de nodige terughoudendheid moest worden toegepast. Met name het verbod een religie te vestigen uit het Eerste Amendement achtte hij ‘a principle which can only further obfuscate an already difficult area of the law’.16) Eveneens een teken aan de wand is dat in het eerderbedoelde handboek de internationale normen en jurisprudentie ten aanzien van de godsdienstvrijheid inmiddels ten voorbeeld worden gesteld aan de Verenigde Staten.17)

5. Tot besluit

Meer in het algemeen lijken de Verenigde Staten, evenals tal van andere Westerse landen waaronder Nederland, voor de keuze te staan tussen twee benaderingen van pluralisme die onder anderen de Britse filosoof John Gray binnen het liberalisme heeft geschetst: ‘In one, toleration is justified as a means to truth. In this view, toleration is an instrument of rational consensus, and a diversity of ways of life is endured in the faith that it is destined to disappear. In the other, toleration is valued as a condition of peace, and divergent ways of living are welcomed as marks of diversity in the good life. The first conception supports an ideal of ultimate convergence on values, the latter an ideal of modus vivendi.’18) Gray zelf voegde daar direct aan toe: ‘Liberalism’s future lies in turning its face away from the ideal of rational consensus and looking instead to modus vivendi.’19)

Voor een dergelijk door het ideaal van modus vivendi gedreven liberalisme vormt in de Verenigde Staten niet langer de waarborging van de scheiding van kerk en staat de grootste bron van zorg, maar het bereiken van een nieuw evenwicht tussen het samenstel van zogeheten ‘essentiële rechten en vrijheden’ van godsdienst, waaronder de godsdienstvrijheid zelf. Onder meer de recente rel rond fastfoodketen Chick-fil-A laat zien dat Amerika zover nog niet is.

Toch heeft het land tenminste een ding voor op bijvoorbeeld Nederland. Een absolute constante door de Amerikaanse geschiedenis is tot op heden gevormd door de erkenning dat de godsdienstige rechten en vrijheden een dermate eigen karakter kennen, dat zij afzonderlijke constitutionele en andere bescherming behoeven. In Nederland is dit inzicht inmiddels aan duidelijke erosie onderhevig.20) In de Verenigde Staten leeft het besef nog sterk dat het Eerste Amendement ook daadwerkelijk het Eerste en dus belangrijkste Amendement is. Pas recentelijk ontstaat ook in de Verenigde Staten enige discussie over de vraag of de godsdienstige rechten en vrijheden niet gevat kunnen worden onder de meer algemene vrijheden van meningsuiting en vereniging.21)

Het eventuele doorzetten van deze tendens zou een historisch gezien zeer wezenlijk bestanddeel van het Amerikaanse constitutionele experiment in de waagschaal stellen, met vooralsnog onbekende gevolgen voor onder meer de niet onaanzienlijke invloed van het land op het terrein van de godsdienstvrijheid buiten de eigen landsgrenzen. De ontwikkeling valt evenmin bezwaarlijk als liberaal te kwalificeren, aangezien voor wie oprecht gelooft in vrijheid van eenieder, het recht van eenieder om volgens zijn oprecht religieus of ander geloof in vrijheid te leven daar een onlosmakelijk onderdeel van vormt. Wie de godsdienstvrijheid wil afschaffen of beperken, ondermijnt daarmee niet alleen het religieuze pluralisme en de religieuze gelijkheid, maar zet tevens de bijl in het fundament van de open samenleving in Nederland dan wel de Verenigde Staten.22)

Noten
12) Witte Jr. & Nichols, Religion and the American Constitutional Experiment, hoofdstuk 8.
13) Stone t. Graham, 449 U.S. 39, aldaar 45-46 (1980).
14) Lynch t. Donnelly 465 U.S. 668 (1984).
15) Vgl. Hans-Martien ten Napel, ‘Beyond Lautsi: An Alternative Approach to Limiting the Government’s Ability to Display Religious Symbols in the Public Workplace’, in: Katayoun Alidadi, Marie-Claire Foblets en Jogchum Vrielink (red.), A Test of Faith? Religious Diversity and Accommodation in the European Workplace (Farnham, Surrey: Ashgate, 2012) 87-99, aldaar 93-95.
16) Iain T. Benson, ‘The Freedom of Conscience and Religion in Canada: Challenges and Opportunities’, Emory International Law Review 21 (2007) 111-166, aldaar 126.
17) Witte Jr. & Nichols, Religion and the American Constitutional Experiment, hoofdstuk 12.
18) John Gray, Two Faces of Liberalism (New York, NY: The New Press, 2000) 105. Vgl. ook Iain T. Benson, ‘The Case for Religious Inclusivism and the Judicial Recognition of Religious Associational Rights: A Response to Lenta’, 1 (2008) Constitutional Court Review, 297-312, aldaar 298-304.
19) Gray, Two Faces of Liberalism, 105.
20) Zie bijvoorbeeld Paul de Beer, ‘De paradox van de godsdienstvrijheid’, in: H.M.A.E. van Ooijen et al. (eds.), Godsdienstvrijheid, afschaffen of beschermen? (Leiden: Stichting NJCM-Boekerij, 2008) 5-10.
21) Witte Jr. & Nichols, Religion and the American Constitutional Experiment, xv.
22) Vgl. Florian H. Karim Theissen & Hans-Martien ten Napel.‘Oprecht geloven in vrijheid. Bloemlezing van een grondrecht onder vuur’, 61 (2012) Ars Aequi, 182-187.

Artikel in Liberaal Reveil (I)

Het nieuwste nummer van Liberaal Reveil is onder meer gewijd aan de Amerikaanse presidentsverkiezingen en de afgelopen Tweede Kamerverkiezingen in Nederland. Hierin staat ook een artikel van mijn hand, getiteld ‘Rel rond fastfoodketen Chick-fil-A laat zien: scheiding van kerk en staat niet langer grootste zorg in Amerika’.

Voor de inhoudsopgave van het nummer, zie http://teldersstichting.vvd.nl/nieuws/307/oktobernummer-liberaal-reveil-verschenen. Losse nummers zijn te bestellen voor 9,25, door een mail te sturen naar het secretariaat van de Teldersstichting (info@teldersstichting.nl) dan wel te bellen (070-3631948).

Hieronder volgen de eerste drie paragrafen van het artikel:

‘1. Inleiding

Wat heeft de rel rond de in kipproducten gespecialiseerde fastfoodketen Chick-fil-A van afgelopen zomer te zeggen over de mate van godsdienstvrijheid in de Verenigde Staten? Nadat eigenaar Dan Cathy van de keten zich in een interview had uitgesproken voor een traditionele, bijbelse opvatting over het huwelijk, dreigden burgemeesters van verschillende grote Amerikaanse steden als Boston en Chicago nieuwe vestigingen van de keten in hun steden te zullen weren. Kennelijk geldt de godsdienstvrijheid niet of in mindere mate voor zakenmensen en doen deze er in elk geval verstandig aan niet teveel uiting te geven aan hun religieuze opvattingen buiten de samenkomsten van, in dit geval, New Hope Baptist Church in Fayetteville, Ga.1)

Deze rel van nationale proporties laat zien dat, anders dan in Europa wel wordt aangenomen, in de Verenigde Staten niet langer het waarborgen van de scheiding van kerk en staat de grootste bron van zorg vormt. Veeleer gaat het erom een nieuw evenwicht te vinden tussen een zestal zogeheten ‘essentiële rechten en vrijheden’ van godsdienst. Behalve de scheiding van kerk en staat, betreft dit de vrijheid van geweten, religieus pluralisme, religieuze gelijkheid, het verbod van de verlening van een voorkeursstatus aan religie en de godsdienstvrijheid zelf.2) Het verdient bovendien opmerking dat de scheiding van kerk en staat volgens deze principes niet strikt hoeft of zelfs mag worden uitgelegd.

2. Het Eerste Amendement

De Verenigde Staten worden op godsdienstig terrein dikwijls geassocieerd met een strikte scheiding van kerk en staat. Helemaal ten onrechte is dat niet. De geschiedenis van het ontstaan van het land kan men immers tenminste gedeeltelijk interpreteren als de poging tot het maken van een nieuwe start van een heterogene groep vluchtelingen uit Europa, die met elkaar gemeen hadden dat zij te lijden hadden gehad onder de een of andere vorm van staatsreligie. Het lag dan ook voor de hand dat zij aan de andere zijde van de Atlantische Oceaan allesbehalve deze situatie wilden continueren. De opstellers van de Amerikaanse constitutie waren diep doordrongen van het feit dat ‘the church could do wrong’.3)

Toch beginnen hier direct reeds de complicaties. Onder degenen die zich nieuw vestigden in Amerika, bestonden namelijk de nodige verschillen van inzicht over de vraag hoe ver de scheiding van kerk en staat precies diende te gaan. Bepaalde stromingen, waaronder de Evangelicalen en Verlichtingsdenkers, wilden daarin beduidend verder gaan dan bijvoorbeeld de Puriteinen en de civiele republikeinen die religie in het algemeen en het Christendom in het bijzonder van fundamenteel belang achtten voor zowel het welzijn van de burgers als het goed functioneren van het democratische bestel.

Uiteindelijk leidde deze tamelijk bonte cocktail van opvattingen in 1791 tot het befaamde Eerste Amendement bij de Amerikaanse constitutie. Dat zegt weliswaar, dat de federale staat op geen enkele manier mag bijdragen aan een establishment van religie. Tegelijkertijd beklemtoont het echter hoe belangrijk de vrije uitoefening van iemands godsdienst is:

‘Congress shall make no law respecting an establishment of religion, or prohibiting the free exercise thereof (…).’

Uit deze formulering blijkt reeds dat de scheiding van kerk en staat niet het enige leerstuk is dat van belang is voor een goed begrip van de godsdienstige verhoudingen in de Verenigde Staten. Niet voor niets spreekt een gezaghebbend handboek van het eerdergenoemde samenstel van zes, nauw met elkaar samenhangende, ‘essentiële rechten en vrijheden’ van godsdienst.5) De vier hierboven onderscheiden groeperingen van civiele republikeinen, Evangelicalen, Puriteinen en Verlichtingsdenkers onderschrijven weliswaar van oudsher in beginsel al deze principes, maar verschillen van mening over hun relatieve gewicht.

3. Verschuivende kerk-staatverhoudingen

Als gevolg hiervan is het niet verwonderlijk, dat over de juiste balans tussen met name het verbod van de verlening van een nationale voorkeursstatus aan religie enerzijds en de vrije uitoefening daarvan anderzijds door de hele geschiedenis van de Verenigde Staten heen discussie is blijven bestaan en ook dat de balans nu eens naar de ene kant, dan weer naar de andere kant is doorgeslagen. Globaal kunnen in de Amerikaanse kerk-staatverhoudingen tenminste drie fasen worden onderscheiden.6)

Het verbod van de verlening van een voorkeursstatus aan religie dat in het Eerste Amendement is neergelegd, verhinderde niet dat er – mede onder invloed van de religieuze opwekkingsbeweging van de ‘Second Great Awakening’ (1790-1840), waaraan onder anderen de naam verbonden is van de Presbyteriaanse predikant Charles Finney – gedurende ruim 150 jaar na de aanname daarvan sprake zou zijn van een informele establishment van het (blanke) protestantisme. Dit kwam bijvoorbeeld tot uitdrukking in gebed en bijbellezing op de ‘common schools’ van de staat.

Aan deze periode van een informele voorkeursstatus kwam een einde na de Tweede Wereldoorlog. Dit valt onder andere af te lezen uit een serie uitspraken van het Amerikaanse Hooggerechtshof, waaronder Engel t. Vitale (1962) en Abington School District t. Schempp (1963). In deze twee beslissingen bepaalde het Hof met 8 tegen 1 stemmen, dat noch een door de staat geschreven gebed noch het Onze Vader en een bijbellezing onderdeel mochten uitmaken van het curriculum van door de overheid bestuurde en bekostigde scholen. In de eerste zaak oordeelde het Hof, dat als gevolg van het Eerste Amendement ‘in this country it is no part of the business of government to compose official prayers for any group of the American people to recite as a part of a religious program carried on by government’.7) Een jaar later stelde het Hof dat het bij het Onze Vader en een bijbellezing ging om ‘religious exercises, required by the States in violation of the command of the First Amendment that the Government maintain strict neutrality, neither aiding nor opposing religion’.8) Het feit dat deelname aan de godsdienstoefeningen op vrijwillige basis geschiedde, deed daarbij niet terzake.

Voor deze – thans definitieve – disestablishment van religie was in feite reeds de toon gezet in de uitspraak in de zaak Everson t. Board of Education uit 1947, waarin het Hof in algemene zin verklaarde dat ‘[n]o tax in any amount, large or small, can be levied to support any religious activities or institutions, whatever they may be called, or whatever form they may adopt to teach or practice religion. (…) In the words of Jefferson, the clause against establishment of religion by law was intended to erect “a wall of separation between Church and State”.’9)

In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw is vervolgens geleidelijk aan de vraag opgekomen of de constitutioneel op zichzelf gerechtvaardigde disestablishment van het protestantisme niet is doorgeslagen in een marginalisering van de publieke rol van het geloof in het algemeen.10) Daarmee zou er toch weer sprake zijn van de verlening van een voorkeursstatus, nu aan wat wel wordt aangeduid als het sectarisch secularisme. Het zijn bewegingen als de Moral Majority en Christian Coalition die er als geen ander in zijn geslaagd deze problematiek op de politieke agenda te krijgen en daarmee de derde fase in de Amerikaanse kerk-staatverhoudingen in te luiden. De titels van twee in de noten genoemde boeken geven de verschuiving fraai aan: respectievelijk The Naked Public Square (1984) en Religion Returns to the Public Square (2003).
De rel rond de fastfoodketen Chick-Fil-A kan enerzijds worden geïnterpreteerd als uitdrukking van deze nieuwe, vrijmoediger omgang met de rol van religie in het publieke domein, anderzijds als duidelijke indicatie van het ongemak waartoe dit aanleiding kan geven bij de waarschijnlijk mede als gevolg hiervan recentelijk eveneens in assertiviteit toegenomen seculiere stroming in de Amerikaanse samenleving. Ook de recente verontwaardiging onder Amerikaanse rooms-katholieke organisaties over de moeite die zij ervaren bij het verkrijgen van uitzonderingen op de aan te bieden pakketten in het kader van Obama’s zorgwetgeving voor onderdelen waartegen zij principiële bezwaren hebben, zoals abortus, sterilisatie en voorbehoedsmiddelen, vormt een duidelijke uitdrukking van de aanhoudende culture war.11)

Noten
1) Vgl. Ross Douthat, ‘Defining Religious Liberty Down’, The New York Times, 28 juli 2012.
2) Voor de essentiële rechten en vrijheden, zie John Witte Jr. & Joel A. Nichols, Religion and the American Constitutional Experiment (3rd ed.; Boulder, Colorado: Westview Press, 2011), hoofdstuk 3.
3) Marci A. Hamilton, ‘The Calvinist Paradox of Distrust and Hope at the Constitutional Convention’, in: Michael W. McConnell, Robert F. Cochran, Jr. en Angela C. Carmella (red.), Christian Perspectives on Legal Thought (New Haven & Londen: Yale University Press, 2001) 293-306, aldaar 301.
4) Voor de stromingen, zie Witte Jr. & Nichols, Religion and the American Constitutional Experiment, hoofdstuk 2.
5) Supra, noot 2.
6) Vgl. E.J. Dionne Jr., ‘Foreword’, in: Hugh Heclo en Wilfred M. McClay (red.), Religion returns to the public square. Faith and policy in America (Baltimore en Londen: The John Hopkins University Press, 2003) xi-xvii, aldaar xiii-xiv.
7) Engel t. Vitale, 370 U.S. 421, aldaar p. 425 (1962). Het gebed luidde: ‘Almighty God, we acknowledge our dependence upon Thee, and we beg Thy blessings upon us, our parents, our teachers and our country.’
8) Abington School District t. Schempp, 374 U.S. 203, aldaar p. 225 (1963).
9) Everson t. Board of Education, 330 U.S. 1, aldaar p. 16 (1947).
10) Vgl. Richard John Neuhaus, The naked public square. Religion and democracy in America (Grand Rapids, Michigan: William B. Eerdmans Publishing Company, 1984).
11) Vgl. United States Conference of Catholic Bishops, Ad Hoc Committee for Religious Liberty, ‘Our First, Most Cherished Liberty. A Statement on Religious Liberty’, http://www.usccb.org/issues-and-action/religious-liberty/our-first-most-cherished-liberty.cfm.

– wordt vervolgd –