Discussiebijdrage over rechtsvinding rond ritueel slachten (II)

In de onlangs verschenen derde aflevering van het Tijdschrift voor Constitutioneel Recht van dit jaar luidt de stelling: ‘Het verbod van ritueel slachten is een rechtmatige beperking van de godsdienstvrijheid’. Voor de stelling pleit mr. J.J.J. Sillen, universitair hoofddocent staats- en bestuursrecht aan de Radbouduniversiteit Nijmegen. Hieronder volgt het tweede en laatste deel van de reactie die ik schreef op zijn betoog (zie voor het eerste deel de blogpost van 8 augustus j.l.).

2. Het arrest Cha’are Shalom Ve Tsedek t. Frankrijk

Sillen vervolgt zijn bijdrage door te stellen dat de Raad van State uit het arrest-Cha’are ten onrechte afleidt dat een verbod op ritueel slachten het EVRM schendt. Nu noemt hij zelf, mede onder verwijzing naar andere auteurs, de argumentatie van het Hof in Cha’are reeds niet geheel ten onrechte ‘rommelig en weinig overtuigend’. Het lijkt dan ook niet bijster zinvol om als volgende in de rij hier mijn exegese van dit arrest te geven. Liever volsta ik met de constatering dat, behalve de Raad van State, bijvoorbeeld ook de eerdergenoemde Schrijver het arrest uitlegt als dat ritueel slachten aangemerkt dient te worden als ‘an essential aspect of the Jewish religion’.5) Zelfs Thieme erkende ten langen leste tijdens de Eerste Kamerbehandeling dat haar wetsvoorstel inbreuk maakt op de onder andere in artikel 9 EVRM verankerde godsdienstvrijheid, zij het niet wegens dit arrest.6) Maar dat is ook direct mijn punt: een dergelijke vaststelling kan, welbeschouwd, toch beter niet afhankelijk worden gemaakt van de interpretatie van een enkel – en dan nog minder gelukkig – arrest?

Verder zal de afwegingsruimte die Nederland bij de beoordeling van de noodzakelijkheid van een beperking van de godsdienstvrijheid in dit geval heeft, anders dan Sillen veronderstelt, beperkt zijn. Uit jurisprudentie van het EHRM blijkt immers dat dit het geval is wanneer, zoals in casu, de bescherming van religieus pluralisme in het geding is.7)

3. De slotsom van Sillen en wat deze duidelijk maakt

Sillen maakt ons deelgenoot van zijn persoonlijke twijfels terzake van de wenselijkheid van een verbod op onverdoofd ritueel slachten. Belangrijker is echter dat hij tot het juridische oordeel komt dat een dergelijk verbod verenigbaar is met zowel de Nederlandse Grondwet als het EVRM. Hij zou als parlementariër dan ook voor het oorspronkelijke voorstel hebben gestemd. Dit alles op basis van de in deze reactie langsgelopen punten, die ook bijeengenomen toch wel enigszins aan de oppervlakte blijven.

Wat zowel de persoonlijke twijfel van Sillen als de uitkomst van zijn juridische analyse duidelijk maken, is dat er voor alles behoefte is aan een theorie van het betreffende grondrecht van de godsdienstvrijheid. Noch de notie van het kernrecht noch de exegese van een enigszins dubbelzinnig arrest raken deze werkelijke kern van de zaak. Tevens is bezinning nodig op de zowel in het advies van de Raad van State als tijdens de parlementaire behandeling naar voren gekomen vraag of en zo ja in hoeverre dieren als rechtssubjecten kunnen worden beschouwd.8)

Wat het eerste punt betreft, tegen theorievorming over mensenrechten wordt hier te lande al snel vreemd aangekeken, anders dan in bijvoorbeeld de Verenigde Staten.9) Bovendien kan men ook onbewust wel degelijk van een bepaalde theorie uitgaan, zoals bijvoorbeeld die waarin het recht van elk individu om zijn of haar eigen levensbeschouwelijke keuzes te maken centraal staat. In de afgelopen periode heb ik, met andere auteurs, een tweetal eerste pogingen ondernomen een alternatieve theorie te ontwikkelen. De eerste poging had een rechtsfilosofisch karakter, de tweede was van meer rechtsvergelijkende aard.10)

Dit is niet de plaats om de in dit verband ontwikkelde gedachten en stellingen te herhalen. De geïnteresseerde lezer zij verwezen naar de in de noten vermelde stukken. Wel kan worden opgemerkt dat een koerswijziging in de benadering van de godsdienstvrijheid gewenst lijkt, mede met het oog op de stabiliteit van het democratisch bestel. De grootste zorg die het Nederlandse debat over het onverdoofd ritueel slachten oproept is dat dit leidt tot een vervreemding van levensbeschouwelijke minderheden van de democratische rechtsstaat in het algemeen en de mensenrechten in het bijzonder. Een constitutioneel bestel komt onherroepelijk onder druk te staan indien een consensus over de morele grondslagen ervan verregaand komt te ontbreken.

Noten

5) Handelingen I, 13 december 2011, pp. 2-3.

6) Ibidem, 72.

7) Vgl. Position Paper Contactorgaan Moslims en Overheid, Bescherming van dierenwelzijn vergt geen inbreuk op de vrijheid van godsdienst!, http://www.cmoweb.nl/UserFilesUpload/org_190/positionpaper.pdf, p. 16.

8) Vgl. bijvoorbeeld Kamerstukken II 2009/10, 31 571, nr. 4 (herdruk), pp. 1-2; Handelingen II, 17 februari 2011, p. 5.

9) Vgl. bijvoorbeeld Michael J. Perry, Toward a Theory of Human Rights. Religion, Law, Courts (Cambridge, etc.: Cambridge University Press, 2007).

10) Vgl. resp. Jaco van den Brink & Hans-Martien ten Napel, ‘Godsdienstvrijheid. Staat moet zich onthouden’, in: Het goede leven. Weekkrant voor denken, doen, geloven en genieten, x, nr. 39, 30 september-7 oktober 2011, 5; Florian H. Karim Theissen & Hans-Martien ten Napel, ‘Oprecht geloven in vrijheid. Bloemlezing van een grondrecht onder vuur’, in: Ars Aequi, LXI, nr. 3, 2012, 182-187.

Discussiebijdrage over rechtsvinding rond ritueel slachten (I)

In de zojuist verschenen derde aflevering van het Tijdschrift voor Constitutioneel Recht van dit jaar luidt de stelling: ‘Het verbod van ritueel slachten is een rechtmatige beperking van de godsdienstvrijheid’. Voor de stelling pleit mr. J.J.J. Sillen, universitair hoofddocent staats- en bestuursrecht aan de Radbouduniversiteit Nijmegen. Hieronder volgt het eerste deel van de reactie die ik schreef op zijn betoog (de betreffende aflevering komt pas over enige tijd digitaal beschikbaar via http://www.tvcr.nl/). Hopelijk worden de door Sillen in zijn betoog gemaakte punten voldoende duidelijk uit de context.

Kritiek Sillen op rechtsvinding rond ritueel slachten raakt niet de kern

In hetgeen volgt ga ik in op de twee kwesties die Joost Sillen aansnijdt in zijn reactie op de hem door de redactie voorgelegde stelling: ‘Het verbod op ritueel slachten is een rechtmatige beperking van de godsdienstvrijheid?’ Dat zijn respectievelijk de Grondwet en de kern van de godsdienstvrijheid en het EVRM en het arrest Cha’are. Vervolgens bespreek ik kort de slotsom waartoe deze overwegingen Sillen brengen en wat deze duidelijk maakt.

1. De kwestie van het kernrecht

Sillen verwondert zich over de eigenzinnige rechtsvinding van bijvoorbeeld de Raad van State, wanneer wordt betoogd dat een verbod op ritueel slachten onrechtmatig zou zijn. Hij beaamt dat de onverdoofde rituele slacht onder de reikwijdte van artikel 6, eerste lid, Gw. valt, hetgeen mij winst lijkt. Sillen neemt echter aanstoot aan het feit dat de Raad voor een rechtmatige beperking van de hierin neergelegde vrijheid van godsdienst onder meer als materiële eis stelt dat deze de kern van het grondrecht eerbiedigt. Aangezien het wetsvoorstel-Thieme niet aan deze eis voldoet, beoordeelt de Raad het als ongrondwettig. Ook de argumentatie die ten grondslag ligt aan het stellen van deze eis, bevredigt Sillen niet.

Ik kan in deze kritiek, zeker ook na kennisname van het artikel van Nieuwenhuis in de vorige aflevering van dit tijdschrift, wel meegaan. Nieuwenhuis kwam in dat artikel, na bestudering van de Duitse doctrine en de jurisprudentie van zowel het Bundesverfassungsgericht als het EHRM, immers tot de conclusie dat ‘rond het kernrecht een grote mate van onduidelijkheid bestaat’.1)

Zelf had ik reeds mijn bezwaren over de toepassing van de kernrechtbenadering door het gerechtshof in de SGP-zaak, waarnaar ook Sillen verwijst. De omschrijving van de kern van de godsdienstvrijheid als ‘de bescherming van de persoonlijke geloofsovertuiging alsmede de handelingen die daarmee nauw verbonden zijn’ (r.o. 6.6) noemde ik toen aan de magere kant en bovendien lastig hanteerbaar in de praktijk. Waarom – zo vroeg ik mij af – zou immers een visie op de scheppingsorde, waaruit het vrouwenstandpunt blijkens artikel 7 van het Program van Beginselen van de SGP voortvloeit, daar niet toe behoren, maar integendeel in het gunstigste geval tot de buitenste schil dienen te worden gerekend? Omgekeerd moest naar mijn oordeel worden betwijfeld of het verbod van discriminatie terzake van het passief kiesrecht nu juist wel in de kern wordt geraakt, zoals het Hof in r.o. 6.15 als uitgangspunt van zijn belangenafweging koos, indien in één partij vrouwen die daarvan op vrijwillige basis lid zijn zich niet kunnen kandideren voor een vertegenwoordigende functie.2)

Het zou dan wat opportunistisch zijn om thans de kernrechtbenadering bij de grondrechten toe te juichen, nu de Raad van State tot een mij welgevallige toepassing komt. Bovendien illustreert Sillen in zijn stuk ten overvloede welke risico’s er aan kleven door, via een op zichzelf niet eens zo vreemde redenering, tot een wat mij betreft onwenselijke conclusie te komen. Hij wil, in het geval van kernrechtbescherming, de te beschermen kern binnen de perken houden. Daarbij komt hij tot de omschrijving van de kern van een grondrecht als ‘dat handelen of nalaten zonder welk de uitoefening van het grondrecht onmogelijk is’. So far, so good. Maar vervolgens blijkt de deelname aan een (katholieke) Sacramentsprocessie niet tot de kern te behoren, aangezien daartoe geen religieuze plicht bestaat, en – erger – het ritueel slachten evenmin, want joden en islamieten hoeven als zij vegetariër worden helemaal geen vlees te eten. Ik betreur eigenlijk dat deze laatste, wat frivole redenering aan het papier van dit tijdschrift is toevertrouwd, ook al is Sillen dus persoonlijk evenmin een voorstander van de kernrechtbenadering. Daarvoor lijkt mij de zaak waarover het gaat te serieus.

Niet aan beginnen dus, die kernrechtbenadering. Laten we blijven bij de afwijzing ervan door de Grondwetgever van 1983 en door het thans demissionaire kabinet, naar aanleiding van een voorstel van de Staatscommissie-Grondwet.3) Vriend en vijand waren het erover eens dat tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel-Thieme, de bijdrage van Nico Schrijver (PvdA) in de Eerste Kamer er in kwalitatief opzicht uitsprong. Het is veelzeggend dat hij in zijn betoog de argumentatie van het kernrecht in het geheel niet nodig heeft en er dientengevolge slechts summier naar verwijst.4)

Noten

1) A.J. Nieuwenhuis, ‘De kernrechtbenadering bij de grondrechten’, in: Tijdschrift voor Constitutioneel Recht, III, nr. 2, april 2012, 138-159, aldaar 155.

2) Hans-Martien ten Napel, ‘Staat, SGP en Vrouwenverdrag: zoveel colleges, zoveel visies’, in: NJCM-Bulletin, 33, nr. 2, maart 2008, 221-229. – Noot bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 5 december 2007 (LJN-nr.: BC0619) en Gerechtshof ’s-Gravenhage, 20 december 2007 (LJN-nr.: BC 0619), aldaar 224.

3) A.J. Nieuwenhuis, ‘De kernrechtbenadering bij de grondrechten’, p. 139.

4) Handelingen I, 13 december 2011, p. 3.

A Test of Faith? Religious Diversity and Accommodation in the European Workplace

Pleased to learn, upon my return from vacation, that the above book, edited by Katayoun Alidadi, Marie-Claire Foblets and Jogchum Vrielink, all at the Catholic University of Leuven, Belgium, is now available from Ashgate Publishing. The flyer of the book, to which I contributed a chapter entitled ‘Beyond Lautsi: An Alternative Approach to Limiting the Government’s Ability to Display Religious Symbols in the Public Workplace’, contains the following information: 

‘Religion and modernity meet in the European workplace. The implications are many and varied. The contributions to this timely volume are concerned with the legal dimensions of these encounters. They merit very careful scrutiny.’ – Grace Davie, University of Exeter, UK

‘Throughout Europe, religion in the workplace is perceived as self-evident in some contexts, and as hugely problematic in others. The increasing number of legal scholars and practitioners who confront this issue, will find in this book numerous pathways along which to form their own legal opinion, and to help shape the as yet undecided legal approaches in many European countries.’ – Eva Brems, Ghent University, Belgium

Issues of religious diversity in the workplace have become very topical and have been raised before domestic courts and the European Court of Human Rights. Examining the controversial and constantly evolving position of religion in the workplace, this collection brings together chapters by legal and social science scholars and provides a wealth of information on legal responses across Europe, Turkey and the United States to conflicts between professional and religious obligations involving employees and employers.

Contributors: Katayoun Alidadi, Marie-Claire Foblets, Jogchum Vrielink, Lucy Vickers, Saïla Ouald Chaib, Kristin Henrard, Hans-Martien ten Napel, Titia Loenen, Yves Stox, Mine Yildirim, Rim-Sarah Alouane, Efrat Tzadik, Gabrielle Caceres, Amandine Barb, Julie Ringelheim.

To order, please visit: www.ashgate.com. All online orders receive a discount. Alternatively, contact our distributor: Bookpoint Ltd, Ashgate Publishing Direct Sales, 130 Milton Park, Abingdon, Oxon, OX14 4SB, UK. Tel: +44 (0)1235 827730 Fax: +44 (0)1235 400454. Email: ashgate@bookpoint.co.uk.

August 2012, 382 pages, Hardback, 978-1-4094-4502-9, £75.00, www.ashgate.com/, isbn/9781409445029. Sample pages for published titles are available to view online at: www.ashgate.com

Contents: Introduction; Part I European Components of the Religion and Workplace Debate: Section I Religion, Workplace Accommodations and the Case Law of the European Court of Human Rights: Section II New Player Joining In: the European Union and Religious Discrimination: Part II Identity, Neutrality, Secularism: Case Studies and Comparative Perspectives: Section I Country Studies: Turkey, France and Belgium: Section II Comparative Perspectives In the Public and Private Workplace: Index.

Full contents listing is available on the website: http://www.ashgate.com/default.aspx?page=637&calctitle=1&pageSubject=501&title_id=11755&edition_id=15297 .’