Canon van de Christendemocratie (I): het kabinet-Kuyper

Foto: Foto-persbureau Dirk Hol

Op 22 mei a.s. wordt het eerste exemplaar van ‘De Canon van de Christendemocratie’ uitgereikt aan vier oud-premiers. Deze canon schetst in veertig lemma’s de geschiedenis van het CDA en zijn voorgangers ARP, CHU en KVP. De canon is totstandgebracht door een redactie bestaande uit prof. dr. Raymond Gradus (directeur Wetenschappelijk Instituut voor het CDA), prof. dr. George Harinck (hoogleraar Geschiedenis aan de Vrije Universiteit), dr. Alexander van Kessel (onderzoeker aan het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis), drs. Karin Hoentjen (Hoofd Beleid CDA Partijbureau) en ondergetekende. Hieronder kunt u alvast de voorlaatste, iets uitgebreidere, versie lezen van mijn lemma over het kabinet-Kuyper:

‘Voor ons staat de zaak dan ook eenvoudig zoo: Sluit ge de Roomschen buiten de hedendaagsche Christenheid, dan is de Protestantsche geloovige Christenheid met handen en voeten gebonden, en voor altoos, aan de ongeloovige meerderheid overgeleverd, en wordt alle verzet tegen het Revolutiebeginsel doelloos’, aldus Kuyper in zijn deputatenrede van 17 april 1901.

Nadat het kabinet-Mackay in 1891 was gevallen, duurde het – mede als gevolg van de aanzienlijke politieke verdeeldheid in antirevolutionaire en katholieke kring – tien jaar alvorens er een nieuw Coalitiekabinet werd gevormd, het kabinet-Kuyper. Dit na een verkiezing waarbij de confessionele partijen (rechts) maar liefst 58 van de in totaal 100 zetels hadden behaald. Kuyper, die zijn aanvankelijke reserves jegens samenwerking met de katholieken geleidelijk had laten varen, beriep zich ter verdediging van de hernieuwde samenwerking in Coalitieverband op de gedachte van de ‘Antithese’. Bij het aangaan van politieke bondgenootschappen diende volgens hem bepalend te zijn de vraag of een bepaalde groepering de soevereiniteit van God op het terrein van de staatkunde als leidend beginsel wenste te erkennen. Aldus beschouwd, waren protestanten en katholieken, hoewel zij organisatorisch gescheiden optrokken, politiek meer op elkaar aangewezen dan men op grond van de godsdienstige overtuigingen en historie van beide volksgroepen in eerste instantie zou verwachten.

Belangrijke wetgevende activiteit heeft het kabinet-Kuyper, dat op 1 augustus 1901 aantrad, ontplooid op het terrein van het onderwijs. Zo strekte zijn hoger-onderwijswet ertoe afgestudeerden aan de door Kuyper in 1880 opgerichte Vrije Universiteit dezelfde rechten te verlenen als wie zijn titel had behaald aan een rijksuniversiteit. Weliswaar wees de Eerste Kamer dit wetsvoorstel in eerste instantie af, maar toen Kuyper haar vervolgens ontbond, verloren de liberalen er hun meerderheid. Nadat het kabinet het verworpen wetsvoorstel opnieuw had ingediend, werd het wel door beide Kamers aanvaard. Als gevolg van een wijziging van de lager-onderwijswet verbeterde de positie van het bijzonder onderwijs eveneens, waardoor het aantal bijzondere scholen tussen 1905 en 1910 aanzienlijk zou stijgen.

Van sociale wetgeving kwam daarentegen beduidend minder terecht, mogelijk mede omdat tijdens de kabinetsformatie de afdeling Arbeid onder Kuypers ministerie van Binnenlandse Zaken was komen te ressorteren, waaronder ook Onderwijs reeds viel. Aannemelijk is voorts dat de spanning tussen Kuypers organische samenlevingsvisie enerzijds en de maatschappelijke werkelijkheid anderzijds bemoeilijkend heeft gewerkt. De organische maatschappijvisie bracht een terughoudende opstelling van de overheid met zich mee. Het maatschappelijk middenveld was evenwel nog niet tot volle bloei gekomen en stelde zich bovendien deels onwelwillend op.

De wijze waarop het kabinet reageerde op de spoorwegstakingen van 1903 heeft evenmin bijgedragen aan zijn sociale gezicht. Het kabinet diende niet zoals gebruikelijk bij brief, maar in persoon namens de koningin wetsvoorstellen in bij de Tweede Kamer die onder meer staking door ambtenaren en spoorwegpersoneel moesten verbieden. Na een mislukte, nieuwe spoorwegstaking werden deze ‘dwangwetten’ overigens in hoog tempo aanvaard.

Als gevolg van een en ander vergrootte de tegenstelling tussen confessionelen en socialisten. Ook meer in het algemeen groeide het kabinet uit tot een van de meest omstreden kabinetten in onze politieke geschiedenis. De verkiezingsstrijd van 1905 stond geheel in het teken van de keuze voor of tegen Kuyper. Door samenwerking van links bij de herstemmingen, bleef rechts steken op 48 zetels. Op 3 juli 1905 bood het kabinet-Kuyper zijn ontslag aan.

Na een kort intermezzo, was het kabinet-Heemskerk (1908-1913) het derde en laatste Coalitie-kabinet vóór het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Evenals eerder het kabinet-Kuyper, werd dit kabinet, behalve door antirevolutionairen en katholieken, vanuit de Kamer ook loyaal gesteund door de christelijk-historischen.

Literatuur

 

Kuiper, D. Th. & Schutte, G. J. (red.) (2001). Het kabinet Kuyper 1901 – 1905. Jaarboek voor de geschiedenis van het Nederlands Protestantisme na 1800. Zoetermeer: Meinema.

Be Sociable, Share!