Verdediging proefschrift ‘Een eenzaam staatsman. Dirk de Geer, 1870 – 1960’ op 31 mei 2012

Op 31 mei a.s. hoop ik deel te nemen aan de oppositie tijdens de verdediging van bovengenoemd proefschrift door Meindert van der Kaaij. Lees hieronder het nieuwsbericht dat de Leidse universiteit hierover plaatste (http://www.law.leidenuniv.nl/nieuws-2012/promotie-van-der-kaaij.html):

‘Oud-minister-president krijgt zwartepiet met reden

De terugkeer naar het bezette gebied in 1941 is oud-minister-president Dirk de Geer nooit vergeven. Zeventig jaar na dato toont mr. M. van der Kaaij aan dat oud-collega’s allen zo hun eigen reden hadden om De Geer de zwartepiet toe te spelen. Op 31 mei 2012 promoveert hij met zijn proefschrift "Een eenzaam staatsman. Dirk de Geer, 1870 – 1960" op dit onderwerp.

Februari 1941 zette Dirk de Geer weer voet op Nederlandse bodem. Negen maanden daarvoor was hij met zijn kabinet uitgeweken naar Londen om te ontkomen aan het Duitse leger. De terugkeer naar het bezette gebied en het schrijven van een dubieuze brochure zijn hem nooit vergeven. Na een geruchtmakend proces werd hij in 1947 – hij was toen 76 jaar – hiervoor gestraft. De oorlogsjaren hadden een zwarte schaduw over zijn zo rijke politieke carrière geworpen. Hij zat voor de CHU twintig jaar in de Tweede Kamer, was in totaal elf jaar minister en leidde twee kabinetten. Op die loopbaan keek hij terug als op een ‘ruïne’.

Na de oorlog kreeg hij een lawine van verwijten over zich heen. SDAP-Kamerlid Van der Goes van Naters noemde hem een ‘zwakkeling’, iemand met een ‘zeldzame imbeciliteit’. Waren de beschuldigingen gebaseerd op feiten? Was hij in de jaren twintig een slechte minister van financiën? Wilde hij exclusief voor Nederland vrede sluiten met Hitler? Had hij na een ‘akelig’ gesprek met Churchill het vertrouwen van de Engelsen verloren? Koesterde hij sympathie voor het nationaal-socialistische gedachtegoed? Kreeg hij een eerlijk strafproces?

Vele historici beantwoorden bovenstaande vragen met een ja. Meindert van der Kaaij ontdekte dat de werkelijkheid in menig geval anders was geweest. Collega’s van De Geer hadden ieder zo hun redenen om hem de zwartepiet toe te spelen. 
 

Promotores

Prof. dr. J.Th.J. van den Berg

Datum en locatie

Dhr. Van der Kaaij verdedigt zijn proefschrift op donderdag 31 mei 2012 om 11.15 uur in het Academiegebouw Rapenburg 73, te Leiden’
 

Canon van de Christendemocratie (II): de Pacificatie van 1917

Foto: Foto-persbureau Dirk Hol

Onderstaand nog een tweede lemma van mijn hand uit deze gisteren in de Tweede Kamer gepresenteerde canon, over een cruciaal moment uit de Nederlandse parlementaire geschiedenis. Informatie over de bestelwijze van de uitgave treft u aan via http://www.cda.nl/wi/Actueel/Nieuws/2012/5/21/Canon_van_de_Christendemocratie_gepresenteerd.aspx.

‘Onze volksgeschiedenis leert, dat daar onenigheid bestaat waar men heterogene bestanddelen in een en hetzelfde keurslijf wil persen; maar wanneer men ieder, binnen de perken van orde natuurlijk, vrijheid laat en zijn eigen gang laat gaan, men dan verdraagzaam naast elkaar leeft’, aldus A. E. baron Mackay in 1889 in de Eerste Kamer.

Met de aanneming van de wet-Mackay in 1889 was reeds een belangrijke angel uit de schoolkwestie gehaald, aangezien daarin het principe werd aanvaard dat het bijzonder onderwijs mocht worden gesubsidieerd door de overheid. Toch zou het nog tot 1917 duren alvorens, bij de zogeheten Pacificatie, de volledige financiële gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs volgde.

De directe voorgeschiedenis van de Pacificatie begint in 1913, toen bij de verkiezingen 55 niet-confessionele (linkse) leden werden verkozen en rechts op 45 zetels bleef steken. Een kabinet onder leiding van de liberale minister-president P.W.A. Cort van der Linden kwam tot stand. Teneinde de schoolstrijd tot een definitieve oplossing te brengen, stelde dit kabinet een onderwijscommissie in waaraan alle in het parlement vertegenwoordigde groepen deelnamen en waarvan De Savornin Lohman ondervoorzitter was. De commissie slaagde erin om in 1916 praktisch unaniem in haar verslag tot de aanbeveling te komen dat bijzondere scholen voortaan op gelijke voet zouden worden gesubsidieerd als openbare scholen. Honorering van deze traditionele wens van de rechterzijde maakte in beginsel de weg vrij om volgens de wens van links het algemeen kiesrecht voor mannen en het passief kiesrecht voor vrouwen in te voeren. Bovendien zou de grondwettelijke belemmering tegen het vrouwenkiesrecht worden opgeheven.

De gecombineerde voorstellen werden zo belangrijk geacht dat partijen onderling afspraken om bij de eerstvolgende verkiezingen de personele samenstelling van de Tweede Kamer zoveel mogelijk te laten zoals deze was. Aldus konden de voorstellen, nadat deze in eerste lezing nog op enkele onderdelen waren aangepast, in het najaar van 1917 zonder problemen in tweede lezing worden aangenomen.

Mede onder invloed van het principiële pluralisme dat de grondwetsherziening van 1917 aldus voor het onderwijs bevestigde, kreeg Nederland in de jaren die volgden ook meer in het algemeen de trekken van wat een pluriforme democratie kan worden genoemd. Sindsdien heeft de staat op een geleidelijk toenemend aantal andere terreinen, zoals de omroep, eveneens respect opgebracht voor de verschillende religieuze en seculiere wereldbeschouwingen in de maatschappij en hun geaffilieerde organisaties, maar tegelijkertijd afstand daartoe bewaard.

Op deze wijze werd bewust of onbewust de les getrokken uit de volksgeschiedenis die Mackay in 1889 had aangeduid. Tot dat moment was het probleem geweest dat de staat de vier minderheden die zich in de loop van de negentiende eeuw hadden aangediend – protestanten, katholieken, liberalen en socialisten – niet gelijkelijk het recht bood hun identiteit ook in het publieke domein gestalte te geven. Vanaf de Pacificatie van 1917 kregen onder anderen protestanten en katholieken hiertoe wel voluit de gelegenheid, wat een scharnierpunt vormt in de politieke geschiedenis van Nederland.

Inmiddels maakte het bij de grondwetsherziening van 1917 eveneens gewijzigde kiesstelsel het makkelijker voor kleinere groeperingen om met succes aan de verkiezingen deel te nemen. Het meerderheidsstelsel met districten was namelijk vervangen door een stelsel van evenredige vertegenwoordiging waarbij het gehele land als kiesdistrict gold. Een van de gevolgen hiervan was de oprichting van de Staatkundig-Gereformeerde Partij (SGP). De Coalitie beschikte na de verkiezingen van 1918, mede dankzij de sterkere vertegenwoordiging van de katholieken, over precies de helft van het aantal Kamerzetels.

Literatuur

Carlson-Thies, S. W. (1993). Democracy in the Netherlands: Consociational or Pluriform? Toronto: University of Toronto Press.

Rijnbende, R. J. (red.) (1992). ‘Een onderwijsbestel met toekomst…’. 75 jaar onderwijspacificatie 1917-1992. Meppel: Ten Brink.

Rooy, P. de (2005). De pacificatie van 1917. Het nationale zelfbeeld was voortaan "eenheid in verdeeldheid". Historisch Nieuwsblad, 15 (3).

New post at Leiden Law Blog: No More Promised Land Waiting at the End of the Road for EU?

On 18 March 2012 I wrote a post on a new essay by Joseph Weiler on Europe as ‘political messianism’. The essay is also referred to in an article which appeared today on Leiden Law Blog: http://leidenlawblog.nl/articles/no-more-promised-land-waiting-at-the-end-of-the-road-for-eu. Have a look at this new blog of Leiden Law School, and check out the post which concludes as follows:

‘In sum, whether one views the EU as constitutional or administrative in nature, its perspectives in terms of democratic legitimacy appear to be rather gloomy. With no easy fixes available, Leiden University’s decision to launch the theme ‘Law, Democracy and Governance: Legitimacy in a Multilevel Setting’ as a core aspect of its research strategy can be considered a timely one indeed.’

Canon van de Christendemocratie (I): het kabinet-Kuyper

Foto: Foto-persbureau Dirk Hol

Op 22 mei a.s. wordt het eerste exemplaar van ‘De Canon van de Christendemocratie’ uitgereikt aan vier oud-premiers. Deze canon schetst in veertig lemma’s de geschiedenis van het CDA en zijn voorgangers ARP, CHU en KVP. De canon is totstandgebracht door een redactie bestaande uit prof. dr. Raymond Gradus (directeur Wetenschappelijk Instituut voor het CDA), prof. dr. George Harinck (hoogleraar Geschiedenis aan de Vrije Universiteit), dr. Alexander van Kessel (onderzoeker aan het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis), drs. Karin Hoentjen (Hoofd Beleid CDA Partijbureau) en ondergetekende. Hieronder kunt u alvast de voorlaatste, iets uitgebreidere, versie lezen van mijn lemma over het kabinet-Kuyper:

‘Voor ons staat de zaak dan ook eenvoudig zoo: Sluit ge de Roomschen buiten de hedendaagsche Christenheid, dan is de Protestantsche geloovige Christenheid met handen en voeten gebonden, en voor altoos, aan de ongeloovige meerderheid overgeleverd, en wordt alle verzet tegen het Revolutiebeginsel doelloos’, aldus Kuyper in zijn deputatenrede van 17 april 1901.

Nadat het kabinet-Mackay in 1891 was gevallen, duurde het – mede als gevolg van de aanzienlijke politieke verdeeldheid in antirevolutionaire en katholieke kring – tien jaar alvorens er een nieuw Coalitiekabinet werd gevormd, het kabinet-Kuyper. Dit na een verkiezing waarbij de confessionele partijen (rechts) maar liefst 58 van de in totaal 100 zetels hadden behaald. Kuyper, die zijn aanvankelijke reserves jegens samenwerking met de katholieken geleidelijk had laten varen, beriep zich ter verdediging van de hernieuwde samenwerking in Coalitieverband op de gedachte van de ‘Antithese’. Bij het aangaan van politieke bondgenootschappen diende volgens hem bepalend te zijn de vraag of een bepaalde groepering de soevereiniteit van God op het terrein van de staatkunde als leidend beginsel wenste te erkennen. Aldus beschouwd, waren protestanten en katholieken, hoewel zij organisatorisch gescheiden optrokken, politiek meer op elkaar aangewezen dan men op grond van de godsdienstige overtuigingen en historie van beide volksgroepen in eerste instantie zou verwachten.

Belangrijke wetgevende activiteit heeft het kabinet-Kuyper, dat op 1 augustus 1901 aantrad, ontplooid op het terrein van het onderwijs. Zo strekte zijn hoger-onderwijswet ertoe afgestudeerden aan de door Kuyper in 1880 opgerichte Vrije Universiteit dezelfde rechten te verlenen als wie zijn titel had behaald aan een rijksuniversiteit. Weliswaar wees de Eerste Kamer dit wetsvoorstel in eerste instantie af, maar toen Kuyper haar vervolgens ontbond, verloren de liberalen er hun meerderheid. Nadat het kabinet het verworpen wetsvoorstel opnieuw had ingediend, werd het wel door beide Kamers aanvaard. Als gevolg van een wijziging van de lager-onderwijswet verbeterde de positie van het bijzonder onderwijs eveneens, waardoor het aantal bijzondere scholen tussen 1905 en 1910 aanzienlijk zou stijgen.

Van sociale wetgeving kwam daarentegen beduidend minder terecht, mogelijk mede omdat tijdens de kabinetsformatie de afdeling Arbeid onder Kuypers ministerie van Binnenlandse Zaken was komen te ressorteren, waaronder ook Onderwijs reeds viel. Aannemelijk is voorts dat de spanning tussen Kuypers organische samenlevingsvisie enerzijds en de maatschappelijke werkelijkheid anderzijds bemoeilijkend heeft gewerkt. De organische maatschappijvisie bracht een terughoudende opstelling van de overheid met zich mee. Het maatschappelijk middenveld was evenwel nog niet tot volle bloei gekomen en stelde zich bovendien deels onwelwillend op.

De wijze waarop het kabinet reageerde op de spoorwegstakingen van 1903 heeft evenmin bijgedragen aan zijn sociale gezicht. Het kabinet diende niet zoals gebruikelijk bij brief, maar in persoon namens de koningin wetsvoorstellen in bij de Tweede Kamer die onder meer staking door ambtenaren en spoorwegpersoneel moesten verbieden. Na een mislukte, nieuwe spoorwegstaking werden deze ‘dwangwetten’ overigens in hoog tempo aanvaard.

Als gevolg van een en ander vergrootte de tegenstelling tussen confessionelen en socialisten. Ook meer in het algemeen groeide het kabinet uit tot een van de meest omstreden kabinetten in onze politieke geschiedenis. De verkiezingsstrijd van 1905 stond geheel in het teken van de keuze voor of tegen Kuyper. Door samenwerking van links bij de herstemmingen, bleef rechts steken op 48 zetels. Op 3 juli 1905 bood het kabinet-Kuyper zijn ontslag aan.

Na een kort intermezzo, was het kabinet-Heemskerk (1908-1913) het derde en laatste Coalitie-kabinet vóór het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Evenals eerder het kabinet-Kuyper, werd dit kabinet, behalve door antirevolutionairen en katholieken, vanuit de Kamer ook loyaal gesteund door de christelijk-historischen.

Literatuur

 

Kuiper, D. Th. & Schutte, G. J. (red.) (2001). Het kabinet Kuyper 1901 – 1905. Jaarboek voor de geschiedenis van het Nederlands Protestantisme na 1800. Zoetermeer: Meinema.