Oprecht geloven in vrijheid (III): casus islam in het gedoogakkoord

In het artikel in Ars Aequi worden, aan de hand van het kader uit deel II van deze miniserie, de volgende actuele casus behandeld: het gedoogakkoord, het boerka-verbod, weigerambtenaren en de SGP, en ritueel slachten en mannenbesnijdenis. In deze post staat de eerste casus centraal.

In bijlage I bij het gedoogakkoord VVD-CDA-PVV staat te lezen:

‘De drie partijen VVD, PVV en CDA verschillen van mening over aard en karakter van de islam. De scheidslijn zit hem in het karakteriseren van de islam als óf religie óf (politieke) ideologie.

Partijen accepteren elkaars verschil van inzicht hierover en zullen hier ook op grond van hun eigen opvattingen naar handelen.’

 

Dit van 30 juni 2010 daterende ‘agreement to disagree’ vervulde primair een politieke functie in de zin dat het voor VVD en CDA de politieke samenwerking met de PVV legitimeerde. Ook is het aannemelijk dat de intentie ervan was de grondrechtenbescherming van moslims door de wetgever te blijven waarborgen, mede gelet op de expliciete vermelding van de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van onderwijs in het regeerakkoord van het kabinet-Rutte.

Niettemin valt, indien wij door een juridische bril naar de verklaring kijken, op dat de drie partijen de veronderstelling lijken te delen dat slechts aanhangers van ‘religies’ de bescherming van de godsdienstvrijheid kunnen inroepen. Maar wie bepaalt dan wat een religie is, coalitie- en gedoogpartners, de regering, de rechter, een overheidsorgaan voor godsdienstzaken? Dit is niet louter een hypothetische vraag, in verschillende delen van de wereld was of is dit aan de orde. Zo is Duitsland bij herhaling bekritiseerd voor het feit dat Scientology niet als geloofsgemeenschap maar als commerciële vereniging wordt aangemerkt.

Hiervoor haalden wij reeds de neutraliteit van de staat en de terughoudendheid van overheidsorganen aan, die gepast is als het gaat om godsdienstbeleving. Mede op basis van die uitgangspunten wordt in verschillende rechtssystemen ervoor gekozen om de subjectieve beleving en de oprechte overtuiging van de individuele gelovige centraal te stellen bij invulling van het begrip ‘godsdienst/religie’. Dit geldt voor Scientology-aanhangers, maar zeker ook voor hen die betekenis ontlenen aan de islam, los ervan of zij orthodox of vrijzinnig zijn, tot welke stroming zij behoren en welke etnische achtergrond zij hebben. En de bescherming van dit grondrecht geldt zoals gezien ook voor ‘niet-religieuze’ levensovertuigingen of geloven.

Niet alleen het standpunt van de PVV maar ook de gezamenlijke verklaring botst, de goede intenties ten spijt, dus welbeschouwd met de invulling van de godsdienstvrijheid door de rechterlijke macht in Nederland, Straatsburg en verschillende andere democratische rechtsstaten. De vraag is welke consequentie dit heeft. Het gedoogakkoord heeft immers geen juridische betekenis of directe rechtsgevolgen. Maar het gedoogakkoord behelst wel politieke afspraken tussen drie partijen die de conditio sine qua non zijn voor het bestaan van het minderheidskabinet-Rutte. De met de godsdienstvrijheid strijdige gezamenlijke verklaring heeft daarmee in ieder geval in politieke zin invloed op de godsdienstvrijheid in Nederland, los ervan of zij in concrete en specifieke gevallen kan leiden tot onaanvaardbare inbreuken op dit grondrecht.

Be Sociable, Share!