Oprecht geloven in vrijheid (II): Achtergrond en essentie van de vrijheid van godsdienst

Hieronder het kader van de bijdrage in Ars Aequi (zie deel I van de miniserie), dat gebruikt wordt bij de analyse van de diverse casus die hierna volgen. 

Het idee van vrijheid van godsdienst maakt onderdeel uit van veel religies en bestond reeds in samenlevingen voor de moderniteit. Het is zeker ook onlosmakelijk verbonden met het concept van de moderne mensenrechten. Het wordt bepleit in de geschriften van verlichtingsdenkers en stond reeds in de eerste moderne constituties.

De vrijheid van godsdienst behoort ook tot de authentieke constitutionele traditie in Nederland. Immers, het feit dat de Habsburgse staat uit loyaliteit met de katholieke kerk de nieuwe religie – het protestantisme – bestreed, deed de Nederlandse protestanten uiteindelijk in opstand komen tegen de staat zelf. Alhoewel de vrijheid die religieuze minderheden in de Republiek der Verenigde Nederlanden genoten naar huidige mensenrechtenstandaarden ontoereikend zal worden geacht, kwam door de vrijheid die zij destijds in Nederland genoten tot uitdrukking dat de afwezigheid van dwang en beperking als het gaat om de keuzes die mensen maken op basis van hun geweten, levensbeschouwing of geloofsovertuiging tot de inherente rechten behoort die ieder mens heeft.

Toen, maar nu nog steeds, heeft de godsdienstvrijheid een belangrijke functie in het geheel van grondrechten en democratische-rechtsstatelijke principes. Zij vervult een essentiële functie, niet alleen voor ‘pockets of resistance’ van orthodox gelovigen in een toenemend seculiere maatschappij, maar voor eenieder, inclusief vrijdenkers, agnosten en de ‘unconcerned’. Immers, dankzij de godsdienstvrijheid kan niemand, dat wil zeggen noch de staat, noch de meerderheid van de bevolking, noch de buurman ons voorschrijven wat wij moeten geloven of niet geloven.

Vrijheid en diversiteit zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Mensen verschillen van elkaar en zullen uiteenlopende keuzes maken in het leven. Pogingen om de samenleving te homogeniseren botsen dus per definitie met de keuzes van individuen en leiden voor die individuen tot een onvrij gevoel. Naarmate mensen vrijer zijn in het maken van hun eigen keuzes, het bepalen van een eigen identiteit, wordt de samenleving pluriformer. En hoe pluriformer de samenleving hoe groter de vrijheid moet zijn om te voorkomen dat mensen worden beperkt.

Het seculariteitsbeginsel (de scheiding van kerk en staat) dient ingevuld te worden in het licht van de godsdienstvrijheid. Een lezing van seculariteit die leidt tot beperking van de vrijheid van godsdienst is een poging de samenleving te homogeniseren en daarmee de andere kant van de medaille van de theocratie.

Seculariteit, gelezen in het licht van de godsdienstvrijheid, brengt met zich mee dat de staat niet mag oordelen over de theologische of inhoudelijke juistheid van een bepaalde religieuze opvatting. In dat licht is in de Nederlandse jurisprudentie het beginsel van interpretatieve terughoudendheid ontwikkeld. In de door minister De Graaf (D66) totstandgebrachte ‘Nota Grondrechten in de pluriforme samenleving’ (2004) wordt hierover gezegd dat dit beginsel ‘is gebaseerd op de overweging dat het op godsdienstig terrein niet aan buitenstaanders (inclusief overheidsorganen) is om uit te maken wat een gelovige onder (het belijden van) zijn godsdienst heeft te verstaan, een overweging die des te meer klemt in geval van confrontatie met een "vreemde" godsdienst’.

Desondanks is de vrijheid van godsdienst uiteraard geen absoluut recht. Evenals andere grondrechten kan deze vrijheid onder een in de jurisprudentie gedetailleerd ontwikkelde beperkingsclausule worden begrensd. Het Europese mensenrechtensysteem hanteert in dit verband de begrippen van ‘legitiem doel’, ‘voorzien bij wet’ en ‘noodzakelijk in een democratische samenleving’. Het doel van een rechtmatige inperking van het grondrecht moet bijvoorbeeld gelegen zijn in bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Anderzijds moet de in het geding zijnde vrijheid daarmee slechts zover worden beperkt als strikt noodzakelijk is. Mede daarom hanteert de rechter onder de beperkingsclausule van het EVRM de criteria van proportionaliteit en subsidiariteit. Is het middel erger dan de kwaal of zijn redelijke alternatieven niet toegepast, dan is de beperking uit den boze. In andere rechtssystemen, waaronder Canada en Zuid-Afrika, wordt hierbij ook wel de figuur van de ‘reasonable accomodation’ gebruikt. Bij maatregelen die bepaalde individuen of gemeenschappen buitenproportioneel raken dient een redelijke aanpassing te worden gezocht die het doel van de maatregel kan verzoenen met het grondrecht dat geraakt wordt.

Be Sociable, Share!