Upcoming meeting of the Tradition Project, Rome, December 12-13

I look forward to participating in the third session of the St. John’s Law School Center for Law and Religion’s Tradition Project, “The Value of Tradition in the Global Context,” in Rome this week.

‘December 12, 2018
9.00 – 13.00
LUMSA University – Jubilee Complex
Via di Porta Castello, 44 – Rome

LUMSA University is co-organizing and hosting two major international conferences in  November and December one dealing with fundamental rights and conflicts between rights, the other with the value of tradition in a globalised world.
The first, November 15-16, will discuss “Fundamental Rights and Conflicts Among Rights“. The second, to be held on December 12-13, The Value of Tradition in the Global Context will explore the tension  between tradition and globalisation, between identities, by their nature local, and global government, by its nature centralising. What are the understandings of tradition at the global level? How is the relationship between local traditions and global government to be construed? How does  tradition relate to liberalism, nationalism and populism? and to human rights? (…)

Keynote address: Justice Samuel A. Alito Jr., United States Supreme Court
Keynote respondents: Prof. Dr. Giuseppe Dalla Torre (President Vatican State Tribunal, Emerito LUMSA University), Hon. Prof. Ugo De Siervo (Presidente Emerito della Corte costituzionale italiana), Prof. Dr. Chantal Delsol (Emérite et Membre Académie des Sciences morales et politiques), Hon. Prof. Andrès Ollero (Tribunal Constitucional de España)

Moderator: Dr. R. R. Reno, First Things

Twenty scholars in law, politics, philosophy, from Europe and the USA will then discuss the themes in four workshops upon invitation.

Workshop participants: Prof. Pasquale Annicchino (European University Institute), Prof. Richard Garnett (University of Notre Dame), Prof. Eduardo Gianfrancesco (LUMSA University), Prof. John McGinnis (Northwestern University), Prof. Fabio Macioce (LUMSA University), Prof. Anna Moreland (Villanova University), Prof. Jide Nzelibe (Northwestern University), Prof. Andrea Pin (University of Padua), Prof. Emilia Powell (University of Notre Dame), Prof. Kristina Stoeckl (University of Innsbruck), Prof.  John Tasioulas (King’s College London), Prof. Hans-Martien Ten Napel (Leiden University), Prof. Marco Ventura (University of Siena, Fondazione Bruno Kessler di Trento), Prof. Adrian Vermeule (Harvard University)

Conference Conveners: Prof. Marc O. DeGirolami (St. John’s University), Prof. Monica Lugato (LUMSA University), Prof. Michael P.  Moreland (Villanova University), Prof. Mark L. Movsesian (St. John’s University)

REGISTRATION: eventi@lumsa.it, R.S.V.P. BY DECEMBER 7, 2018

Simultaneous translation will be provided.

The Programme
The Playbill’

Source: https://www.lumsa.it/en/value-tradition-global-context.

For a podcast on the topic with Center Director Mark Movsesian and Associate Director Marc DeGirolami, see:

Legal Spirits Episode 003: Tradition in the Global Context

Winner of the International Award for Excellence for The International Journal of Religion and Spirituality in Society, Volume 8

‘Champaign, Ill., USA – 16 November 2018 – The Religion in Society Research Network is pleased to announce the selection of “The Significance of Communal Religious Freedom for Liberal Democracy,” Hans-Martien ten Napel, as the winner of the International Award for Excellence for Volume 8 of The International Journal of Religion and Spirituality in Society. This article was selected for the award from among the highest-ranked articles emerging from the peer-review process and according to the selection criteria outlined in the peer-review guidelines.

About The International Journal of Religion and Spirituality in Society: The International Journal of Religion and Spirituality in Society aims to create an intellectual frame of reference for the academic study of religion and spirituality and to create an interdisciplinary conversation on the role of religion and spirituality in society. The journal addresses the need for critical discussion on religious issues—specifically as they are situated in the present-day contexts of ethics, warfare, politics, anthropology, sociology, education, leadership, artistic engagement, and the dissonance or resonance between religious tradition and modern trends.’

About the awarded article:

The main argument of my recent book Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom. To Be Fully Human (Routledge, 2017) is that the so-called ‘New Critics of Religious Freedom’ in fact, consciously or unconsciously, criticize liberal democracy as such. Now, it has become quite common for liberal democracy to be criticized not just outside the West, but also from within the West. My book constitutes an exception to this rule in that it is written in defense of liberal democracy and, consequently, also in defense of the so-called liberal conception of the right to religious freedom. The awarded article reflects the same argument that the book aims to make. Earlier versions of the article were presented during the XXI World Congress of the International Association for the History of Religions, Erfurt, Germany, 23-29 August 2015; the Cardiff Festival for Law and Religion, Cardiff, Wales, 5-6 May 2017; and the Annual Conference of the International Society of Public Law, Copenhagen, Denmark, 5-7 July 2017. In its emphasis on the role of anthropology, among other things, the article also reflects the Acton University Conference in Grand Rapids, Michigan, that I attended from 20-23 June 2017. If I remember correctly, I wrote its final draft during the flight home from that occasion. I am grateful to the two anonymous referees from whose comments on that draft the article benefited greatly. Hopefully, the publication of this article and the current award will help to open the eyes of scholars outside my discipline to what I consider to be the beauty of liberal democracy in general and the right to religious freedom in particular as it was initially conceived during the seventeenth and eighteenth centuries.

Read the awarded article here: https://religioninsociety.com/journal/awards#block-2.

See also:

Article on ‘The Significance of Communal Religious Freedom for Liberal Democracy’ in the International Journal of Religion & Spirituality in Society

Artikel ‘Geloof in de liberale democratie’ in Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid

Paper presentation during XXI World Congress of the International Association for the History of Religions

 

Bijeenkomst onderzoekersnetwerk Religie en Recht over ‘Het juridische begrip van godsdienst’

Op vrijdag 30 november a.s. hoop ik aan de Vrije Universieit de e.v. bijeenkomst van het onderzoekersnetwerk Religie en Recht voor te zitten.

Voor deze bijeenkomst is mr. dr. A. (Jos) Vleugel (Universiteit Utrecht) uitgenodigd om een inleiding te verzorgen over ‘Het juridische begrip van godsdienst’. Hij schreef een dissertatie over dit onderwerp en promoveerde hierop aan de Radboud Universiteit Nijmegen op 21 september jl.

Voor meer informatie: https://www.ru.nl/rechten/@1174590/promotie-jos-vleugel-juridische-begrip-godsdienst/

Gelet op het feit dat het een bijeenkomst van een onderzoekersnetwerk betreft, zullen vooral ook de vragen aan de orde komen waar de auteur tegen aanliep bij het schrijven van zijn proefschrift.

De bijeenkomst begint om 15.00u en zal rond 17.00 worden afgesloten. De locatie is zaal HB 1-B-04 (VU-PThU).

Wie belangstelling heeft de middag bij te wonen, kan zich aanmelden door een bericht te zenden aan: info@religie-recht.nl.

‘Wie kunnen deelnemen?

Het onderzoekersnetwerk Recht en Religie staat open voor een ieder die aantoonbaar wetenschappelijk onderzoek doet of heeft gedaan op het terrein waar recht en religie elkaar raken. Dit kunnen niet alleen juristen en theologen (“kerkjuristen”) zijn, maar ook onderzoekers uit andere disciplines wier onderzoek zich op dit terrein begeeft.’

Bron: https://www.centre-religion-law.org/nl/netwerk/38-onderzoekersnetwerk-recht-en-religie

Zie ook:

Artikel ‘Geloof in de liberale democratie’ in Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid

Video debat ‘(A)theïsme – Brengt religie meer vrede, of meer oorlog?’, De Balie, 8 april 2018

Lid, promotiecommissie, D. van der Blom, ‘De verhouding van staat en religie in een veranderende Nederlandse samenleving’, 6 juli 2016

Opiniebijdrage ‘Rechtsstaat onder druk. De commissie-Remkes probeert het populisme in te dammen in plaats van te kanaliseren’

In de boeiende laatste aflevering van CW.  Nieuws- en opinieblad voor gelovig Nederland staat ook een bijdrage van mijn hand n.a.v. de tussenrapportage van de staatscommissie parlementair stelsel. De bijdrage is getiteld: ‘Helpt een referendum tegen populisme?  Democratie en rechtsstaat moeten met elkaar in balans zijn. Maar hoe…’

Uit het artikel:

‘De commissie denkt dat door invoering van constitutionele toetsing de weerbaarheid van de rechtsstaat wordt versterkt. Maar is het ook een antwoord op de populistische uitdaging waarvoor de democratische rechtsstaat op dit moment staat? Dat een deel van de kiezers vervreemd is geraakt van de politiek, komt eerder voort uit te veel juridische inkadering van de politieke besluitvorming, bijvoorbeeld vanuit Brussel, dan een tekort daaraan. Als er dan ook nog eens extra juridisch kan worden getoetst, wordt dat probleem alleen maar groter. De commissie wil immers ook de constitutionele toetsing vooraf, door onder meer de Eerste Kamer, verder versterken.’

Lees het volledige artikel hier:

pu2018CW 08

pu2018CW 09

Bron: https://www.cw-opinie.nl/

Zie voorts:

Nieuwe Kroniek van het constitutioneel recht in het Nederlands Juristenblad

Bijdrage aan bundel Brieven aan de Staatscommissie (2009)

Co-auteur, rapport De Nederlandse Grondwet geëvalueerd (2009)

Nieuwe Kroniek van het constitutioneel recht in het Nederlands Juristenblad

Onlangs verscheen in het Nederlands Juristenblad een nieuwe Kroniek van het constitutioneel recht, waaraan ik – samen met de gewaardeerde collegae van de Leidse afdeling Staats- en Bestuursrecht – sinds 2005 heb meegeschreven (met een enkele onderbreking).

De aanhef ervan luidt als volgt:

‘Referendum exit? Constitutionele toetsing in de ijskast? In deze kroniek van het constitutionele recht proberen we de constitutionele “highlights” van het afgelopen jaar zo goed mogelijk in kaart te brengen. Ondanks de geschetste constitutionele ontwikkelingen kunnen we vaststellen dat er in de kern van ons constitutionele bestel juist niet veel is gewijzigd. De echte constitutionele veranderingen vinden doorgaans buiten de klassieke kaders van de formele Grondwetswijziging plaats. Het laatste woord hierover is nog niet gezegd, zeker niet nu de staatscommissie Parlementair Stelsel in haar voorlopig rapport juist pleit voor de invoering van een correctief referendum en een vorm van constitutionele toetsing. Dit neemt echter niet weg dat in de kroniek zo nu en dan sprake is van turbulentie, zoals in de Koninkrijksrelaties en de onder (hoog)spanning staande verhoudingen binnen de Europese Unie als het gaat om de kernwaarden van de rechtsstaat in Hongarije en Polen. En dan hebben we het nog niet over de precieze gevolgen van de Brexit, of het arrest van het Gerechtshof Den Haag in de Urgenda-zaak, dat juist gewezen werd bij de correctie van de drukproeven. Voldoende voer voor deze kroniek.’

Wie toegang heeft, kan de volledige kroniek hier lezen: https://www.navigator.nl/document/id9dcac00ef54345e3a6b813ee490d81d5?ctx=WKNL_CSL_85.

Zie ook:

Kroniek van het Nederlands en Europees constitutioneel recht

Masterprofileringsvak Vergelijkend Constitutioneel Recht over ‘Frontier Research’

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (VI) (slot)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (VI) (slot)

  1. Tot besluit

Het is uiteraard niet per definitie zo dat Nederland een dergelijke positie zou kunnen of moeten overnemen. Vanuit constitutioneel-theoretisch perspectief verdient het juist de voorkeur een stap vooruit te maken, althans voor wie openstaat voor zekere parallellen tussen de Verenigde Staten in de tijd dat The Federalist Papers verschenen en het Europa van nu. De politieke omstandigheden van dit moment maken evenwel dat het weinig realistisch is een dergelijke optie te bepleiten.

Mede in het licht van deze situatie, kan het Nederlandse staatsrecht er profijt bij hebben de inhoudelijke meningsverschillen die ten aanzien van het onderwerp overdracht van soevereine bevoegdheden aan de EU ook wetenschappelijk wel degelijk bestaan te expliciteren. Bij divergentie tussen de geschreven constitutie en een gegroeide staatkundige praktijk, is aanpassing van de geschreven constitutie nu eenmaal niet de enig denkbare optie.

In augustus 2017 verscheen in The New York Times een artikel getiteld ‘New on This Fall’s Law School Syllabus: Trump’. De gedachte achter dit artikel was dat (staatsrecht)juristen in onder meer hun onderwijs de handen vol zouden krijgen aan de constitutionele misstappen van de president van de Verenigde Staten.

De verkiezing van Trump tot president in 2016 kan ook nog op een andere manier het onderwijs en onderzoek van staatsrechtjuristen stempelen. Dan gaat het minder om de persoon en diens concrete beleid, dan wel het gebrek daaraan, maar om de onderliggende mengeling van conservatieve en populistische ideeën die tot zijn verkiezing heeft bijgedragen.

Zo werden tijdens de jaarvergadering van de American Political Science Association in augustus 2017 in San Francisco diverse panels gewijd aan vragen als: ‘Does Trumpism exist?’ De antwoorden hierop liepen uiteen, maar zeker is dat er zoiets als constitutioneel conservatisme bestaat. Dit vormt een tegenhanger van de meer gangbare, progressief-liberale wijze waarop aan Amerikaanse law schools, en tot op zekere hoogte ook in Europa, het staatsrecht bedreven pleegt te worden. In het constitutionele conservatisme bestaat meer aandacht voor de klassieke constitutionele theorie, waarin een meer natuurrechtelijke benadering niet op voorhand achterhaald wordt geacht.

In deze bijdrage heb ik voor de variatie eens dit constitutionele conservatisme gebruikt als een handvat om de vraag te beantwoorden of in de 21ste eeuw staatsbestuur zonder overdracht van soevereine bevoegdheden mogelijk is. Speciale aandacht daarbij is uitgegaan naar de gevolgen van een dergelijke overdracht van soevereine bevoegdheden aan de EU voor de constitutionele verhoudingen in het algemeen en de positie van de wetgever in het bijzonder.

Meer aandacht voor deze gevolgen zou niet alleen de vitaliteit van de liberale democratie in Europa ten goede kunnen komen. Het maakt tevens de ontstane kloof tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk, die mede hierop betrekking had, kleiner, ongeacht of de Brexit nu wel of niet als onomkeerbaar wordt beschouwd. Binnen staatsrechtelijk Nederland kan hernieuwde aandacht voor de gevolgen van soevereiniteitsoverdracht aanleiding geven tot een herbezinning op de positie die het Duitse constitutionele hof inneemt jegens het proces van Europese integratie. Het is positief dat de Staatsrechtconferentie 2017 alleen al door het thema ‘Globalisering als uitdaging voor nationale soevereiniteit’ te agenderen hieraan een bijdrage heeft geleverd, ook al zullen de opvattingen te dien aanzien uiteen blijven lopen.

Zie voorts:

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (V)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (IV)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (III)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (V)

In december 2017 presenteerde ik een paper over bovengenoemd onderwerp tijdens de Staatsrechtconferentie aan de Universiteit Maastricht. Dit paper verschijnt binnenkort als hoofdstuk in de bundel ‘Begrenzende soevereiniteit’, onder redactie van Sascha Hardt, Aalt Willem Heringa en Antonia Waltermann.

In een serie van zes wekelijkse blogposts zal hier het paper alvast te lezen zijn. Voor de gefinaliseerde versie, voorzien van notenapparaat, zij verwezen naar de bundel. Het behoeft geen betoog dat het onderwerp hernieuwde actualiteitswaarde heeft, onder meer met het oog op de a.s. verkiezingen voor het Europees Parlement.

  1. Hoe nu verder? (vervolg)

Voor wie bovenstaande nog altijd te abstract blijft, is er inmiddels door het Tweede-Kamerlid Bisschop (SGP) een initiatiefnota gepresenteerd, waarin maar liefst 20 min of meer concrete stappen worden geformuleerd om in de richting van een statenbond te gaan. De nota, getiteld ‘De lidstaten weer aan het roer!’, is bedoeld als alternatief voor de toekomstscenario’s die de Europese Commissie in 2017 heeft geformuleerd. Kenmerkend voor deze scenario’s is dat de politieke en economische integratie alleen nog maar zal worden geïntensiveerd. Hiertegenover doen onder meer in populistische partijen scenario’s de ronde waarin Nederland de EU verlaat of de EU als geheel desintegreert. Bisschop beoogt in zijn nota een tussenweg te schetsen tussen deze beide uitersten.

Alvorens deze tussenweg in meer detail weer te geven, verdienen de ‘constructiefouten’ aandacht, die de initiatiefnota waarneemt als het gaat om de EU. Als gevolg van deze fouten, kan het proces van sluipende Europeanisering en daarmee uitholling van de soevereiniteit van de nationale lidstaten doorgang blijven vinden. Het betreft achtereenvolgens: ‘Onduidelijke grenzen aan de bevoegdheden van de Europese Unie (…) Té politieke rol van de Europese Commissie (…) Europees Hof als politieke macht (…) Geringe formele invloed nationale parlementen op Europese besluitvorming’. Het gaat mij er hier nu niet om deze punten stuk voor stuk te bespreken. Op onderdelen worden zij weersproken door en in de staatsrechtelijke literatuur. Wel kan worden geconstateerd dat het hier stuk voor stuk om kernpunten gaat, waarover het staatsrechtelijke debat meer dan nu zou behoren te gaan.

De ‘concrete aanbevelingen en beslispunten’ die Bisschop vervolgens formuleert, zijn het waard hier volledig weer te geven. Te vaak gaapt er een kloof tussen inzichten ontleend aan de constitutionele theorie en de dagelijkse parlementaire en politieke praktijk. Het lijstje uit de initiatiefnota laat, hoe men ook aankijkt tegen de diverse punten, tenminste zien dat operationalisering niettemin een haalbare kaart is:

‘Hervorming van de Europese Unie

  1. Gebaseerd op de principes subsidiariteit, proportionaliteit, optimale verscheidenheid en gedifferentieerde samenwerking, maakt het kabinet in samenwerking met gelijkgezinde lidstaten een gedegen alternatief voor het voorkeursscenario van de Europese Commissie, zoals uiteengezet in het Witboek en de discussienota’s.
  2. Het kabinet streeft naar het schrappen van de zinsnede “een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa” uit de preambule en artikel 1 van het VEU. Als hiervoor onvoldoende steun blijkt te zijn onder de andere lidstaten, streeft het kabinet naar een overeenkomst met de EU waarin Nederland wordt uitgesloten van de zinsnede “een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa”, dan wel naar een andere interpretatie van deze zinsnede die benadrukt dat er binnen de EU ruimte is voor gedifferentieerde vormen van samenwerking, vastgelegd in een protocol dat toegevoegd wordt aan de Verdragen.
  3. Om de sluipende bevoegdheidsoverdracht van de lidstaten naar de EU een halt toe te roepen, verdient de bevoegdheidsverdeling tussen de EU en de lidstaten in artikelen 2–6 VWEU te worden aangescherpt. In plaats dat artikel 6 VWEU de aanvullende bevoegdheden van de EU beschrijft, somt het nieuwe artikel de exclusieve bevoegdheden van de lidstaten op.
  4. Bij iedere nieuwe wijziging van VEU en/of VWEU wordt een document opgesteld, vergelijkbaar met de Nederlandse “memorie van toelichting” en de Franse “Exposé des motifs”, waaruit kan worden opgemaakt wat de reikwijdte van het handelen van de EU mag zijn. Deze “memorie van toelichting” vormt het kader waarbinnen de Europese Commissie en het Europees Hof van Justitie nieuwe Europese wet- en regelgeving gaat opstellen en interpreteren.
  5. Nederland gaat zich sterk maken voor een meer ambtelijke en minder politieke rol voor de Europese Commissie.
  6. De Europese Commissie verliest het recht om op eigen initiatief de lidstaten te ondersteunen, te coördineren of aan te vullen op beleidsterreinen waarvoor de lidstaten primair verantwoordelijk zijn (op basis van artikel 6 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie, VWEU). Dit kan in de toekomst enkel nog na een expliciet verzoek daartoe van de Raad waarover het met gekwalificeerde meerderheid besluit.
  7. Nederland neemt het initiatief om de omvang van het Meerjarig Financieel Kader na 2020 naar beneden bij te stellen en blokkeert voorstellen waardoor de EU-begroting groeit.
  8. Het kabinet onderzoekt de mogelijkheden om in Europees verband vaker gebruik te maken van “horizonbepalingen”. Europese regelgeving zou periodiek moeten worden geëvalueerd, eventueel worden beëindigd of aangepast en opnieuw bekrachtigd. Ten minste het VEU en het VWEU zouden een begrensde geldigheidstermijn moeten krijgen.
  9. Het kabinet bepleit dat de EU door middel van het “one in, two out”-systeem gaat kappen in de Europese regelgeving. Bij de invoering van elke nieuwe bepaling worden er twee bestaande geschrapt.
  10. Een permanente werkgroep, bestaande uit vertegenwoordigers van de Raad en de nationale parlementen, gaat onderzoeken of in het licht van subsidiariteit, proportionaliteit en optimale verscheidenheid, Europese wetten, regels of programma’s moeten worden geschrapt of dat de verantwoordelijkheid hiervoor weer terug kan worden gegeven aan de lidstaten.
  11. Door de toevoeging van een speciale procedure aan het VEU wordt het veel gemakkelijker voor een lidstaat om gebruik te maken van een zogenaamde opt-out.
  12. Er worden geen verdere stappen gezet in het wijzigen van unanimiteitsbesluitvorming naar (gekwalificeerde) meerderheidsbesluitvorming.
  13. In nieuwe Europese regelgeving komt veel meer nadruk te liggen op de diversiteit van de lidstaten en de ruimte voor de lidstaten om wetten en regelgeving verschillend uit te voeren, naar gelang de bestuurlijk-juridische of cultuur-historische kenmerken van een lidstaat dit vergen.
  14. Het kabinet treedt in overleg met andere EU-lidstaten om de drempel voor de gele- en oranje-kaart-procedures te verlagen en daarnaast een rode-kaart-procedure in te voeren.
  15. Goedkeuring en wijziging van EU-verdragen moet plaatsvinden met een twee-derde meerderheid van stemmen in beide Kamers der Staten-Generaal.
  16. Het kabinet houdt voorstellen tegen waarin het Europees parlement een meer “transnationaal” karakter krijgt, zoals de invoering van Europese kieslijsten bij Parlementsverkiezingen.Hervorming van de Economische en Monetaire Unie
  17. Het kabinet stelt een wijziging van het VEU voor waardoor het lidmaatschap van de EU wordt losgemaakt van deelname aan de EMU en de onomkeerbaarheid van de euro wordt geschrapt.
  18. Het kabinet werkt samen met gelijkgezinde lidstaten om het oprichten van nog meer impliciete of expliciete transferstructuren te voorkomen. 

  19. Het kabinet treedt in overleg met de andere eurolanden over het gewenste kader voor het beleid en mandaat van de Europese Centrale Bank (aanbeveling initiatiefnota-Omtzigt).
  20. De Nederlandse regering stelt in de Europese Raad / Eurogroep voor om een adequate exit-strategie op te stellen voor het verlaten van de EMU, zodat het voor eurolanden die zonder transfers geen toekomst hebben zowel juridisch (zie aanbeveling 17) als praktisch mogelijk wordt de eurozone te verlaten.’

Zie ook:

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (IV)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (III)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (II)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (IV)

In december 2017 presenteerde ik een paper over bovengenoemd onderwerp tijdens de Staatsrechtconferentie aan de Universiteit Maastricht. Dit paper verschijnt binnenkort als hoofdstuk in de bundel ‘Begrenzende soevereiniteit’, onder redactie van Sascha Hardt, Aalt Willem Heringa en Antonia Waltermann.

In een serie van vijf à zes wekelijkse blogposts zal hier het paper alvast te lezen zijn. Voor de gefinaliseerde versie, voorzien van notenapparaat, zij verwezen naar de bundel. Het behoeft geen betoog dat het onderwerp hernieuwde actualiteitswaarde heeft, onder meer met het oog op de a.s. verkiezingen voor het Europees Parlement.

  1. Hoe nu verder?

Onder deze omstandigheden lijken de auteurs van de Mastermonografie, in een reflex die representatief lijkt voor het staatsrechtelijke denken in Nederland, te opteren voor grondwetswijziging teneinde de Grondwet weer in overeenstemming te brengen met de gewijzigde omstandigheden. Een daartoe strekkend voorstel van de Staatscommissie Grondwet uit 2010, dat ertoe strekte in art. 90 Gw toe te voegen dat de regering niet alleen de internationale, maar ook de Europese rechtsorde bevordert, zou volgens Van der Burg en Voermans de ‘grondwettelijke eenkennigheid’ niet voldoende hebben weggenomen: het voorstel gaf ‘duidelijk blijk van een Haagse, “Binnenhofcentrische” benadering. De voornaamste kenmerken van de EU: de samenwerking met gelijkgezinde staten en de overdracht van bevoegdheden worden niet genoemd.’

De reden om, ondanks het feit dat deze niet wezenlijk afwijkt van het Nederlandse staatsrechtelijke denken, juist de Mastermonografie hier aan te halen, is dat deze vervolgens een boeiende relatie legt met de Duitse houding jegens de Europese integratie: ‘In de Bondsrepubliek Duitsland is men nog steeds niet bereid de voorrang van het Unierecht volledig te aanvaarden. Daar gaat men uit van de gedachte dat het volk bij de Grondwet een aantal machten in het leven heeft geroepen en dat de geconstitueerde machten gebonden zijn aan de Grondwet, ook wanneer zij meewerken aan de totstandkoming en het functioneren van internationale organisaties. In Duits perspectief zijn de instellingen van de E(E)G en van de EU overheidsinstellingen die althans gedeeltelijk gebaseerd zijn op de Duitse Grondwet en de soevereiniteit van het Duitse volk. Zij ontlenen hun gezag aan de Duitse Grondwet en zijn daarom ook aan die Grondwet gebonden.’

Over het Bundesverfassungsgericht (BVerfGE) stelt de mastermonografie dat dit ‘een eigen opvatting [heeft] over het Europees Parlement, die verder in Europa weinig weerklank zal vinden. De eigen opvatting van het BverfGE komt ongeveer op het volgende neer: Duitsland mag en moet meewerken aan de Europese integratie, maar zij moet wel baas blijven in eigen land. De Grondwet staat niet toe dat Duitsland opgaat in een Europese bondsstaat. Volgens het Bundesverfassungsgericht wordt de Europese Unie in het Verdrag van Lissabon ook niet als een bondsstaat geconstrueerd. De EU is een samenwerkingsverband van soevereine staten.’

De vraag die ik in deze bijdrage zou willen opwerpen, is of dit staatsrechtelijk gesproken nu wel zo’n vreemde opvatting is van het Bundesverfassungsgerichten, zo ja, waarom precies? Dit temeer, daar het Hof hier direct aan toevoegde, dat zijn positie geen afbreuk beoogde te doen aan het beginsel van loyale samenwerking zoals dit verankerd is in het Unierecht. Een van de rechters die heeft meegeschreven aan de betreffende arresten van het Duitse constitutionele hof, Udo Di Fabio, schreef in dit verband reeds in 2005 ‘dass das politische Europa vor der Frage steht, ob es um eine eigene Identität als originäre Gemeinschaft ringen und auf diese setzen soll oder ob es weiterhin Staatengemeinschaft, also eine abgeleitete Gemeinschaft zweiter Ordnung bleiben und für deren Stärkung werben soll’.

Deze formulering van het dilemma waarvoor de EU zich gesteld ziet, sluit nauw aan bij hetgeen hierboven werd opgemerkt over hoe vanuit de klassieke constitutionele theorie tegen de huidige EU wordt aangekeken. Maar het is bijvoorbeeld ook een positie die gelijkenis vertoont met het conservatievere staatsrechtelijke denken in de Verenigde Staten. Zo kraakt de voormalige Amerikaanse diplomaat in Europa Todd Huizinga in een recent, provocatief boek kritische noten over wat hij de ideologie van het ‘global governance’-denken noemt. Volgens deze ervaringsdeskundige komt ‘global governance’ uiteindelijk neer op ‘the usurpation of democratic self-government by a democratically unaccountable group of globalist elites’. Volgens Huizinga, ‘the global governance ideology is engaging the Western democracies in a zero-sum conflict between two irreconcilable visions for political life, a conflict centering on the most basic question of politics: “Who determines the laws under which we shall live?”Again, this is “a moral struggle over the first principles of government and politics”’.

Kort en goed, is het de stelling van Huizinga dat een overdracht van soevereine bevoegdheden zoals binnen de EU heeft plaatsgevonden een bedreiging vormt voor de uitgangspunten van de liberale democratie. Dat staatsbestuur in de 21steeeuw mogelijk is zonder een dergelijke overdracht van soevereine bevoegdheden, bewijzen onder meer de Verenigde Staten, die bij verdragen min of meer standaard het volgende voorbehoud opnemen: ‘The United States will not accept any treaty requirement incompatible with the Constitution of the United States of America.’

Aldus wordt tevens duidelijk wat de Verenigde Staten als de onopgeefbare kern van hun nationale soevereiniteit zien, alsmede de constitutioneel-theoretische grondslag daarvoor: ‘the Constitution is the supreme law to which the American people are subject. Anything that conflicts with the Constitution cannot be binding on the American people nor on the American government which serves them.’

Voor Huizinga betekent dit, net zomin als voor het Duitse constitutionele hof, dat hij tegen de EU als zodanig is. Integendeel, hij geeft aan zijn boek juist te hebben geschreven uit bewondering voor de EU en de bijdrage die deze na de Tweede Wereldoorlog heeft geleverd aan de hechte en vriendschappelijke samenwerking tussen Europese mogendheden. Een hervormde EU die zich organiseert als een verbond van soevereine staten zou volgens hem op dat fundament kunnen voortbouwen. Zonder een dergelijke hervorming ziet het perspectief voor Europa er echter een stuk somberder uit: in dat geval hebben de lidstaten ‘a choice between self-government and the slow suicide of liberal democracy’.

Men zou hiertegen in kunnen brengen dat de plaats van de Grondwet in het constitutionele bestel in de Verenigde Staten, en ook in Duitsland, een andere is dan in Nederland. Dat is juist, aangezien in Nederland vanouds een tamelijk minimalistische opvatting heeft geheerst aangaande het belang van de Grondwet. Parlementair historicus J.Th.J. van den Berg heeft er onlangs echter niet ten onrechte op geattendeerd dat het wellicht tijd is deze visie te heroverwegen. Wat dat betreft, had de taakopdracht van de Staatscommissie parlementair stelsel nog wel wat ruimer gekund.

Zie voorts:

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (III)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (II)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (I)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (III)

In december 2017 presenteerde ik een paper over bovengenoemd onderwerp tijdens de Staatsrechtconferentie aan de Universiteit Maastricht. Dit paper verschijnt binnenkort als hoofdstuk in de bundel ‘Begrenzende soevereiniteit’, onder redactie van Sascha Hardt, Aalt Willem Heringa en Antonia Waltermann.

In een serie van vijf à zes wekelijkse blogposts zal hier het paper alvast te lezen zijn. Voor de gefinaliseerde versie, voorzien van notenapparaat, zij verwezen naar de bundel. Het behoeft geen betoog dat het onderwerp hernieuwde actualiteitswaarde heeft, onder meer met het oog op de a.s. verkiezingen voor het Europees Parlement.

  1. De kloof tussen norm en werkelijkheid

Wanneer we nu vanuit het perspectief van de wat meer natuurrechtelijke constitutionele theorie naar de Europese Unie (EU) kijken, dan is het eerste gebrek dat opvalt, dat er geen duidelijk identificeerbare ‘regering’ valt aan te wijzen. Dit is vanouds wel een belangrijke voorwaarde voor in elk geval democratische legitimiteit. Binnen nationale staten als Nederland is er dan ook sprake van dergelijke regeringen. Zoals Möllers betoogt, is er welbeschouwd in Europees verband geen oplossing voor deze tekortkoming. Het is een gevolg van de fase van integratie waarin de EU zich bevindt, of eigenlijk: is blijven steken.

De rechtsfilosoof Andreas Kinneging heeft er ruim tien jaar geleden reeds op gewezen, dat een dergelijke onvoltooid karakter van de Europese staatsvorming vanuit klassiek constitutioneel theoretisch perspectief als problematisch valt aan te merken. Historisch gezien zijn er, naast eenheidsstaten, welbeschouwd slechts federale staten en statenbonden te onderscheiden. De gedachte dat de EU een nieuw soort tussenvorm zou kunnen vormen tussen deze twee, dan wel een voortdurend voorschrijdend proces zou inhouden, valt in het gunstigste geval als postmodern aan te merken: ‘Unidentified political objects do not and cannot exist.’ Toch is dit de mythe waarmee de Europese integratie nu al verscheidene decennia, ook staatsrechtelijk, wordt gerechtvaardigd.

Inmiddels heeft deze Europese schemertoestand, die vanuit het oogpunt van democratische legitimiteit derhalve niet verkiesbaar is, ‘de invloed en de zelfstandige beslissingsmacht van het Nederlandse parlement verkleind’. Onder deze omstandigheden is een dergelijke overdracht van bevoegdheden echter, zoals de Staatscommissie parlementair stelsel in haar probleemverkenning vaststelde, ‘niet vrij van problemen’: ‘Zo is er nog steeds sprake van een democratisch tekort, vooral omdat op EU niveau een volwaardig parlementair stelsel ontbreekt: het ontbreekt aan een Europese regering die op alle beleidsterreinen verantwoordelijk is aan en het vertrouwen behoeft van het         Europees Parlement. Burgers in Nederland ervaren het Europees Parlement bovendien ook niet als hùn parlement. Hoewel het verdrag van Lissabon het Europees Parlement meer bevoegdheden heeft gekregen [sic], is het door de Tweede Kamer gehanteerde argument dat de Nederlandse parlementaire zeggenschap is overgenomen door het Europees Parlement niet houdbaar. Nog steeds geldt immers voor het optreden van een Nederlandse bewindspersoon in een vergadering van de Europese Raad van Ministers ministeriële verantwoordelijkheid ten opzichte van het Nederlandse parlement. Kortom het juiste samenstel van checks and balances ontbreekt op het niveau van de EU.’

Dit laatste werd in de staatsrechtelijke literatuur reeds eerder beaamd, en vormt naast de afwezigheid van een duidelijk identificeerbare regering een tweede gebrek, hoewel er zeker ook tegengeluiden waarneembaar zijn. Ik noem hier, in chronologische volgorde, drie voorbeelden van auteurs die de gevolgen van het proces van Europese integratie voor de trias politica hebben besproken. Allereerst heeft Leonard Besselink er in een artikel over de invloed van Europa op de binnenlandse constitutionele verhoudingen op gewezen, dat de traditionele trias mede daardoor op de kop is gezet. Vanouds stond de wetgevende macht daarin centraal. De uitvoerende macht had tot taak de door de wetgever vastgestelde wetten uit te voeren en de rechterlijke macht diende ertoe daarbij rijzende geschillen te beslechten. Inmiddels zijn de uitvoerende en de rechterlijke macht echter de twee dominante staatsmachten geworden, terwijl de wetgevende macht in de verdrukking is geraakt. Dit is zeker niet exclusief het gevolg van de Europese integratie. De opkomst van de sociale rechtsstaat is een eerdere en minstens zo belangrijke oorzaak. De Europeanisering heeft dit proces wel versterkt. Ook in 2005, het jaar van het referendum over de Europese Grondwet, signaleerde Besselink reeds een gebrek aan debat over deze toch wezenlijke zaken.

Op het Europese vlak zelf is de situatie, volgens zijn voormalige Utrechtse collega Deirdre Curtin, niet veel beter: ‘At the international and European level the principle of separation of powers is not applied and has never been. In the context of the European Union there has never even been lip service paid to the principle of separation of powers.’

Tenslotte signaleren ook de auteurs van de mastermonografie Unierecht in de Nederlandse rechtsorde een onmiskenbare kloof tussen de suggestie die de Nederlandse Grondwet wekt aangaande soevereiniteit en de wetgevingspraktijk: ‘Wie als buitenstaander de Nederlandse Grondwet leest, zou de indruk kunnen krijgen dat Nederland een soevereine staat is, waar de wetgever de hoogste staatsmacht is en waar de overheid overeenkomstig de bepalingen betreffende de sociale grondrechten zorgt voor het welzijn van de ingezetenen. In werkelijkheid wordt de inhoud van de Nederlandse wetgeving in sterke mate beheerst door Europese bepalingen en heeft de lidstaat Nederland op het gebied van bijvoorbeeld de sociale grondrechten nog maar een beperkte zelfstandigheid.’

Zie voorts:

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (I)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (II)

Paper-presentatie tijdens Staatsrechtconferentie over ‘Globalisering als uitdaging voor nationale soevereiniteit’ in Maastricht

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (II)

In december 2017 presenteerde ik een paper over bovengenoemd onderwerp tijdens de Staatsrechtconferentie aan de Universiteit Maastricht. Dit paper verschijnt binnenkort als hoofdstuk in de bundel ‘Begrenzende soevereiniteit’, onder redactie van Sascha Hardt, Aalt Willem Heringa en Antonia Waltermann.

In een nieuwe serie van vijf à zes wekelijkse blogposts zal hier het paper alvast te lezen zijn. Voor de gefinaliseerde versie, voorzien van notenapparaat, zij verwezen naar de bundel. Het behoeft geen betoog dat het onderwerp hernieuwde actualiteitswaarde heeft, onder meer met het oog op de a.s. verkiezingen voor het Europees Parlement.

  1. De norm

Er valt, zoals wij hierna nog zullen zien, een neiging in het Nederlandse staatsrecht te bespeuren om – enigszins positivistisch – de gevolgen van het Europese integratieproces te accepteren voor wat die zijn. Hiertegenover wordt in deze bijdrage juist, bij wijze van gedachtenexperiment, een meer natuurrechtelijke benadering beproefd. Het natuurrecht heeft, mede als gevolg van het sinds de 20steeeuw overheersende positivisme, geen goede naam. Daarom is het extra van belang te omschrijven wat ik er in het bestek van deze serie blogposts onder versta. Dan moet allereerst worden vastgesteld dat de verscheidenheid binnen het natuurrechtelijke denken aanzienlijk is. Het verbindende idee tussen de diverse benaderingen is evenwel, zoals een Amerikaanse website het verwoordt, ‘an agreement as to the natural (as distinguished from conventional or man-made) character of principles of right and wrong, and of justice and injustice. Philosophers and statesmen who think and act within this shared understanding agree that the standards that ought to guide the ordering of political and social life are accessible to human reason.’

Wanneer we deze omschrijving hanteren, dan vallen binnen deze traditie zowel klassieke en middeleeuwse denkers als Aristoteles, Plato, Cicero en Thomas van Aquino, als denkers die aan de basis hebben gestaan van het moderne constitutionalisme, zoals Thomas Hobbes, John Lockeen Montesquieu. Het is tevens zo dat een klassieker van het staatsrecht als The Federalist Papers, hoewel het eerste voluit moderne constitutionele tractaat, niettemin nog voluit in deze traditie staat.

Voor werken in de natuurrechtelijke traditie, in de hierboven bedoelde ruime zin van het woord, hoeft evenwel niet altijd relatief ver te worden teruggegaan in de tijd. Zo zijn er ook hedendaagse auteurs die bewust klassieke leerstukken van het staatsrecht, zoals dat van de trias politica, trachten te actualiseren voor de huidige tijd. Een voorbeeld daarvan is Christoph Möllers. In zijn standaardwerk The Three Branches (2013) merkt Möllers op, dat ‘[c]ombining the normative idea of liberty with the institutional preconditions of liberty – a project that the American constitutional fathers set out in the Federalist Papers – seems today to be an exceptional quest. Pursuing it, however, is as worthwhile today as it was back then’. Hoewel het dus tegenwoordig niet bepaald in de mode is om constitutioneel recht en constitutionele theorie met elkaar te verbinden, beproeft hij dit niettemin. De reden hiervoor is gelegen in het feit dat, volgens Möllers, ‘comparative constitutional law needs a theoretical and normative framework beyond both empirical quantitative research and individual comparative case analysis: it needs a move to conceptualism’.

Zie voorts:

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (I)

Call for Papers, Panel on Public Theology and its potential for Law and Religion scholarship

Co-editor and co-author, volume The Powers That Be. Rethinking the Separation of Powers. A Leiden Response to Möllers (2015)