Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (V)

In december 2017 presenteerde ik een paper over bovengenoemd onderwerp tijdens de Staatsrechtconferentie aan de Universiteit Maastricht. Dit paper verschijnt binnenkort als hoofdstuk in de bundel ‘Begrenzende soevereiniteit’, onder redactie van Sascha Hardt, Aalt Willem Heringa en Antonia Waltermann.

In een serie van zes wekelijkse blogposts zal hier het paper alvast te lezen zijn. Voor de gefinaliseerde versie, voorzien van notenapparaat, zij verwezen naar de bundel. Het behoeft geen betoog dat het onderwerp hernieuwde actualiteitswaarde heeft, onder meer met het oog op de a.s. verkiezingen voor het Europees Parlement.

  1. Hoe nu verder? (vervolg)

Voor wie bovenstaande nog altijd te abstract blijft, is er inmiddels door het Tweede-Kamerlid Bisschop (SGP) een initiatiefnota gepresenteerd, waarin maar liefst 20 min of meer concrete stappen worden geformuleerd om in de richting van een statenbond te gaan. De nota, getiteld ‘De lidstaten weer aan het roer!’, is bedoeld als alternatief voor de toekomstscenario’s die de Europese Commissie in 2017 heeft geformuleerd. Kenmerkend voor deze scenario’s is dat de politieke en economische integratie alleen nog maar zal worden geïntensiveerd. Hiertegenover doen onder meer in populistische partijen scenario’s de ronde waarin Nederland de EU verlaat of de EU als geheel desintegreert. Bisschop beoogt in zijn nota een tussenweg te schetsen tussen deze beide uitersten.

Alvorens deze tussenweg in meer detail weer te geven, verdienen de ‘constructiefouten’ aandacht, die de initiatiefnota waarneemt als het gaat om de EU. Als gevolg van deze fouten, kan het proces van sluipende Europeanisering en daarmee uitholling van de soevereiniteit van de nationale lidstaten doorgang blijven vinden. Het betreft achtereenvolgens: ‘Onduidelijke grenzen aan de bevoegdheden van de Europese Unie (…) Té politieke rol van de Europese Commissie (…) Europees Hof als politieke macht (…) Geringe formele invloed nationale parlementen op Europese besluitvorming’. Het gaat mij er hier nu niet om deze punten stuk voor stuk te bespreken. Op onderdelen worden zij weersproken door en in de staatsrechtelijke literatuur. Wel kan worden geconstateerd dat het hier stuk voor stuk om kernpunten gaat, waarover het staatsrechtelijke debat meer dan nu zou behoren te gaan.

De ‘concrete aanbevelingen en beslispunten’ die Bisschop vervolgens formuleert, zijn het waard hier volledig weer te geven. Te vaak gaapt er een kloof tussen inzichten ontleend aan de constitutionele theorie en de dagelijkse parlementaire en politieke praktijk. Het lijstje uit de initiatiefnota laat, hoe men ook aankijkt tegen de diverse punten, tenminste zien dat operationalisering niettemin een haalbare kaart is:

‘Hervorming van de Europese Unie

  1. Gebaseerd op de principes subsidiariteit, proportionaliteit, optimale verscheidenheid en gedifferentieerde samenwerking, maakt het kabinet in samenwerking met gelijkgezinde lidstaten een gedegen alternatief voor het voorkeursscenario van de Europese Commissie, zoals uiteengezet in het Witboek en de discussienota’s.
  2. Het kabinet streeft naar het schrappen van de zinsnede “een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa” uit de preambule en artikel 1 van het VEU. Als hiervoor onvoldoende steun blijkt te zijn onder de andere lidstaten, streeft het kabinet naar een overeenkomst met de EU waarin Nederland wordt uitgesloten van de zinsnede “een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa”, dan wel naar een andere interpretatie van deze zinsnede die benadrukt dat er binnen de EU ruimte is voor gedifferentieerde vormen van samenwerking, vastgelegd in een protocol dat toegevoegd wordt aan de Verdragen.
  3. Om de sluipende bevoegdheidsoverdracht van de lidstaten naar de EU een halt toe te roepen, verdient de bevoegdheidsverdeling tussen de EU en de lidstaten in artikelen 2–6 VWEU te worden aangescherpt. In plaats dat artikel 6 VWEU de aanvullende bevoegdheden van de EU beschrijft, somt het nieuwe artikel de exclusieve bevoegdheden van de lidstaten op.
  4. Bij iedere nieuwe wijziging van VEU en/of VWEU wordt een document opgesteld, vergelijkbaar met de Nederlandse “memorie van toelichting” en de Franse “Exposé des motifs”, waaruit kan worden opgemaakt wat de reikwijdte van het handelen van de EU mag zijn. Deze “memorie van toelichting” vormt het kader waarbinnen de Europese Commissie en het Europees Hof van Justitie nieuwe Europese wet- en regelgeving gaat opstellen en interpreteren.
  5. Nederland gaat zich sterk maken voor een meer ambtelijke en minder politieke rol voor de Europese Commissie.
  6. De Europese Commissie verliest het recht om op eigen initiatief de lidstaten te ondersteunen, te coördineren of aan te vullen op beleidsterreinen waarvoor de lidstaten primair verantwoordelijk zijn (op basis van artikel 6 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie, VWEU). Dit kan in de toekomst enkel nog na een expliciet verzoek daartoe van de Raad waarover het met gekwalificeerde meerderheid besluit.
  7. Nederland neemt het initiatief om de omvang van het Meerjarig Financieel Kader na 2020 naar beneden bij te stellen en blokkeert voorstellen waardoor de EU-begroting groeit.
  8. Het kabinet onderzoekt de mogelijkheden om in Europees verband vaker gebruik te maken van “horizonbepalingen”. Europese regelgeving zou periodiek moeten worden geëvalueerd, eventueel worden beëindigd of aangepast en opnieuw bekrachtigd. Ten minste het VEU en het VWEU zouden een begrensde geldigheidstermijn moeten krijgen.
  9. Het kabinet bepleit dat de EU door middel van het “one in, two out”-systeem gaat kappen in de Europese regelgeving. Bij de invoering van elke nieuwe bepaling worden er twee bestaande geschrapt.
  10. Een permanente werkgroep, bestaande uit vertegenwoordigers van de Raad en de nationale parlementen, gaat onderzoeken of in het licht van subsidiariteit, proportionaliteit en optimale verscheidenheid, Europese wetten, regels of programma’s moeten worden geschrapt of dat de verantwoordelijkheid hiervoor weer terug kan worden gegeven aan de lidstaten.
  11. Door de toevoeging van een speciale procedure aan het VEU wordt het veel gemakkelijker voor een lidstaat om gebruik te maken van een zogenaamde opt-out.
  12. Er worden geen verdere stappen gezet in het wijzigen van unanimiteitsbesluitvorming naar (gekwalificeerde) meerderheidsbesluitvorming.
  13. In nieuwe Europese regelgeving komt veel meer nadruk te liggen op de diversiteit van de lidstaten en de ruimte voor de lidstaten om wetten en regelgeving verschillend uit te voeren, naar gelang de bestuurlijk-juridische of cultuur-historische kenmerken van een lidstaat dit vergen.
  14. Het kabinet treedt in overleg met andere EU-lidstaten om de drempel voor de gele- en oranje-kaart-procedures te verlagen en daarnaast een rode-kaart-procedure in te voeren.
  15. Goedkeuring en wijziging van EU-verdragen moet plaatsvinden met een twee-derde meerderheid van stemmen in beide Kamers der Staten-Generaal.
  16. Het kabinet houdt voorstellen tegen waarin het Europees parlement een meer “transnationaal” karakter krijgt, zoals de invoering van Europese kieslijsten bij Parlementsverkiezingen.Hervorming van de Economische en Monetaire Unie
  17. Het kabinet stelt een wijziging van het VEU voor waardoor het lidmaatschap van de EU wordt losgemaakt van deelname aan de EMU en de onomkeerbaarheid van de euro wordt geschrapt.
  18. Het kabinet werkt samen met gelijkgezinde lidstaten om het oprichten van nog meer impliciete of expliciete transferstructuren te voorkomen. 

  19. Het kabinet treedt in overleg met de andere eurolanden over het gewenste kader voor het beleid en mandaat van de Europese Centrale Bank (aanbeveling initiatiefnota-Omtzigt).
  20. De Nederlandse regering stelt in de Europese Raad / Eurogroep voor om een adequate exit-strategie op te stellen voor het verlaten van de EMU, zodat het voor eurolanden die zonder transfers geen toekomst hebben zowel juridisch (zie aanbeveling 17) als praktisch mogelijk wordt de eurozone te verlaten.’

Zie ook:

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (IV)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (III)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (II)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (IV)

In december 2017 presenteerde ik een paper over bovengenoemd onderwerp tijdens de Staatsrechtconferentie aan de Universiteit Maastricht. Dit paper verschijnt binnenkort als hoofdstuk in de bundel ‘Begrenzende soevereiniteit’, onder redactie van Sascha Hardt, Aalt Willem Heringa en Antonia Waltermann.

In een serie van vijf à zes wekelijkse blogposts zal hier het paper alvast te lezen zijn. Voor de gefinaliseerde versie, voorzien van notenapparaat, zij verwezen naar de bundel. Het behoeft geen betoog dat het onderwerp hernieuwde actualiteitswaarde heeft, onder meer met het oog op de a.s. verkiezingen voor het Europees Parlement.

  1. Hoe nu verder?

Onder deze omstandigheden lijken de auteurs van de Mastermonografie, in een reflex die representatief lijkt voor het staatsrechtelijke denken in Nederland, te opteren voor grondwetswijziging teneinde de Grondwet weer in overeenstemming te brengen met de gewijzigde omstandigheden. Een daartoe strekkend voorstel van de Staatscommissie Grondwet uit 2010, dat ertoe strekte in art. 90 Gw toe te voegen dat de regering niet alleen de internationale, maar ook de Europese rechtsorde bevordert, zou volgens Van der Burg en Voermans de ‘grondwettelijke eenkennigheid’ niet voldoende hebben weggenomen: het voorstel gaf ‘duidelijk blijk van een Haagse, “Binnenhofcentrische” benadering. De voornaamste kenmerken van de EU: de samenwerking met gelijkgezinde staten en de overdracht van bevoegdheden worden niet genoemd.’

De reden om, ondanks het feit dat deze niet wezenlijk afwijkt van het Nederlandse staatsrechtelijke denken, juist de Mastermonografie hier aan te halen, is dat deze vervolgens een boeiende relatie legt met de Duitse houding jegens de Europese integratie: ‘In de Bondsrepubliek Duitsland is men nog steeds niet bereid de voorrang van het Unierecht volledig te aanvaarden. Daar gaat men uit van de gedachte dat het volk bij de Grondwet een aantal machten in het leven heeft geroepen en dat de geconstitueerde machten gebonden zijn aan de Grondwet, ook wanneer zij meewerken aan de totstandkoming en het functioneren van internationale organisaties. In Duits perspectief zijn de instellingen van de E(E)G en van de EU overheidsinstellingen die althans gedeeltelijk gebaseerd zijn op de Duitse Grondwet en de soevereiniteit van het Duitse volk. Zij ontlenen hun gezag aan de Duitse Grondwet en zijn daarom ook aan die Grondwet gebonden.’

Over het Bundesverfassungsgericht (BVerfGE) stelt de mastermonografie dat dit ‘een eigen opvatting [heeft] over het Europees Parlement, die verder in Europa weinig weerklank zal vinden. De eigen opvatting van het BverfGE komt ongeveer op het volgende neer: Duitsland mag en moet meewerken aan de Europese integratie, maar zij moet wel baas blijven in eigen land. De Grondwet staat niet toe dat Duitsland opgaat in een Europese bondsstaat. Volgens het Bundesverfassungsgericht wordt de Europese Unie in het Verdrag van Lissabon ook niet als een bondsstaat geconstrueerd. De EU is een samenwerkingsverband van soevereine staten.’

De vraag die ik in deze bijdrage zou willen opwerpen, is of dit staatsrechtelijk gesproken nu wel zo’n vreemde opvatting is van het Bundesverfassungsgerichten, zo ja, waarom precies? Dit temeer, daar het Hof hier direct aan toevoegde, dat zijn positie geen afbreuk beoogde te doen aan het beginsel van loyale samenwerking zoals dit verankerd is in het Unierecht. Een van de rechters die heeft meegeschreven aan de betreffende arresten van het Duitse constitutionele hof, Udo Di Fabio, schreef in dit verband reeds in 2005 ‘dass das politische Europa vor der Frage steht, ob es um eine eigene Identität als originäre Gemeinschaft ringen und auf diese setzen soll oder ob es weiterhin Staatengemeinschaft, also eine abgeleitete Gemeinschaft zweiter Ordnung bleiben und für deren Stärkung werben soll’.

Deze formulering van het dilemma waarvoor de EU zich gesteld ziet, sluit nauw aan bij hetgeen hierboven werd opgemerkt over hoe vanuit de klassieke constitutionele theorie tegen de huidige EU wordt aangekeken. Maar het is bijvoorbeeld ook een positie die gelijkenis vertoont met het conservatievere staatsrechtelijke denken in de Verenigde Staten. Zo kraakt de voormalige Amerikaanse diplomaat in Europa Todd Huizinga in een recent, provocatief boek kritische noten over wat hij de ideologie van het ‘global governance’-denken noemt. Volgens deze ervaringsdeskundige komt ‘global governance’ uiteindelijk neer op ‘the usurpation of democratic self-government by a democratically unaccountable group of globalist elites’. Volgens Huizinga, ‘the global governance ideology is engaging the Western democracies in a zero-sum conflict between two irreconcilable visions for political life, a conflict centering on the most basic question of politics: “Who determines the laws under which we shall live?”Again, this is “a moral struggle over the first principles of government and politics”’.

Kort en goed, is het de stelling van Huizinga dat een overdracht van soevereine bevoegdheden zoals binnen de EU heeft plaatsgevonden een bedreiging vormt voor de uitgangspunten van de liberale democratie. Dat staatsbestuur in de 21steeeuw mogelijk is zonder een dergelijke overdracht van soevereine bevoegdheden, bewijzen onder meer de Verenigde Staten, die bij verdragen min of meer standaard het volgende voorbehoud opnemen: ‘The United States will not accept any treaty requirement incompatible with the Constitution of the United States of America.’

Aldus wordt tevens duidelijk wat de Verenigde Staten als de onopgeefbare kern van hun nationale soevereiniteit zien, alsmede de constitutioneel-theoretische grondslag daarvoor: ‘the Constitution is the supreme law to which the American people are subject. Anything that conflicts with the Constitution cannot be binding on the American people nor on the American government which serves them.’

Voor Huizinga betekent dit, net zomin als voor het Duitse constitutionele hof, dat hij tegen de EU als zodanig is. Integendeel, hij geeft aan zijn boek juist te hebben geschreven uit bewondering voor de EU en de bijdrage die deze na de Tweede Wereldoorlog heeft geleverd aan de hechte en vriendschappelijke samenwerking tussen Europese mogendheden. Een hervormde EU die zich organiseert als een verbond van soevereine staten zou volgens hem op dat fundament kunnen voortbouwen. Zonder een dergelijke hervorming ziet het perspectief voor Europa er echter een stuk somberder uit: in dat geval hebben de lidstaten ‘a choice between self-government and the slow suicide of liberal democracy’.

Men zou hiertegen in kunnen brengen dat de plaats van de Grondwet in het constitutionele bestel in de Verenigde Staten, en ook in Duitsland, een andere is dan in Nederland. Dat is juist, aangezien in Nederland vanouds een tamelijk minimalistische opvatting heeft geheerst aangaande het belang van de Grondwet. Parlementair historicus J.Th.J. van den Berg heeft er onlangs echter niet ten onrechte op geattendeerd dat het wellicht tijd is deze visie te heroverwegen. Wat dat betreft, had de taakopdracht van de Staatscommissie parlementair stelsel nog wel wat ruimer gekund.

Zie voorts:

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (III)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (II)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (I)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (III)

In december 2017 presenteerde ik een paper over bovengenoemd onderwerp tijdens de Staatsrechtconferentie aan de Universiteit Maastricht. Dit paper verschijnt binnenkort als hoofdstuk in de bundel ‘Begrenzende soevereiniteit’, onder redactie van Sascha Hardt, Aalt Willem Heringa en Antonia Waltermann.

In een serie van vijf à zes wekelijkse blogposts zal hier het paper alvast te lezen zijn. Voor de gefinaliseerde versie, voorzien van notenapparaat, zij verwezen naar de bundel. Het behoeft geen betoog dat het onderwerp hernieuwde actualiteitswaarde heeft, onder meer met het oog op de a.s. verkiezingen voor het Europees Parlement.

  1. De kloof tussen norm en werkelijkheid

Wanneer we nu vanuit het perspectief van de wat meer natuurrechtelijke constitutionele theorie naar de Europese Unie (EU) kijken, dan is het eerste gebrek dat opvalt, dat er geen duidelijk identificeerbare ‘regering’ valt aan te wijzen. Dit is vanouds wel een belangrijke voorwaarde voor in elk geval democratische legitimiteit. Binnen nationale staten als Nederland is er dan ook sprake van dergelijke regeringen. Zoals Möllers betoogt, is er welbeschouwd in Europees verband geen oplossing voor deze tekortkoming. Het is een gevolg van de fase van integratie waarin de EU zich bevindt, of eigenlijk: is blijven steken.

De rechtsfilosoof Andreas Kinneging heeft er ruim tien jaar geleden reeds op gewezen, dat een dergelijke onvoltooid karakter van de Europese staatsvorming vanuit klassiek constitutioneel theoretisch perspectief als problematisch valt aan te merken. Historisch gezien zijn er, naast eenheidsstaten, welbeschouwd slechts federale staten en statenbonden te onderscheiden. De gedachte dat de EU een nieuw soort tussenvorm zou kunnen vormen tussen deze twee, dan wel een voortdurend voorschrijdend proces zou inhouden, valt in het gunstigste geval als postmodern aan te merken: ‘Unidentified political objects do not and cannot exist.’ Toch is dit de mythe waarmee de Europese integratie nu al verscheidene decennia, ook staatsrechtelijk, wordt gerechtvaardigd.

Inmiddels heeft deze Europese schemertoestand, die vanuit het oogpunt van democratische legitimiteit derhalve niet verkiesbaar is, ‘de invloed en de zelfstandige beslissingsmacht van het Nederlandse parlement verkleind’. Onder deze omstandigheden is een dergelijke overdracht van bevoegdheden echter, zoals de Staatscommissie parlementair stelsel in haar probleemverkenning vaststelde, ‘niet vrij van problemen’: ‘Zo is er nog steeds sprake van een democratisch tekort, vooral omdat op EU niveau een volwaardig parlementair stelsel ontbreekt: het ontbreekt aan een Europese regering die op alle beleidsterreinen verantwoordelijk is aan en het vertrouwen behoeft van het         Europees Parlement. Burgers in Nederland ervaren het Europees Parlement bovendien ook niet als hùn parlement. Hoewel het verdrag van Lissabon het Europees Parlement meer bevoegdheden heeft gekregen [sic], is het door de Tweede Kamer gehanteerde argument dat de Nederlandse parlementaire zeggenschap is overgenomen door het Europees Parlement niet houdbaar. Nog steeds geldt immers voor het optreden van een Nederlandse bewindspersoon in een vergadering van de Europese Raad van Ministers ministeriële verantwoordelijkheid ten opzichte van het Nederlandse parlement. Kortom het juiste samenstel van checks and balances ontbreekt op het niveau van de EU.’

Dit laatste werd in de staatsrechtelijke literatuur reeds eerder beaamd, en vormt naast de afwezigheid van een duidelijk identificeerbare regering een tweede gebrek, hoewel er zeker ook tegengeluiden waarneembaar zijn. Ik noem hier, in chronologische volgorde, drie voorbeelden van auteurs die de gevolgen van het proces van Europese integratie voor de trias politica hebben besproken. Allereerst heeft Leonard Besselink er in een artikel over de invloed van Europa op de binnenlandse constitutionele verhoudingen op gewezen, dat de traditionele trias mede daardoor op de kop is gezet. Vanouds stond de wetgevende macht daarin centraal. De uitvoerende macht had tot taak de door de wetgever vastgestelde wetten uit te voeren en de rechterlijke macht diende ertoe daarbij rijzende geschillen te beslechten. Inmiddels zijn de uitvoerende en de rechterlijke macht echter de twee dominante staatsmachten geworden, terwijl de wetgevende macht in de verdrukking is geraakt. Dit is zeker niet exclusief het gevolg van de Europese integratie. De opkomst van de sociale rechtsstaat is een eerdere en minstens zo belangrijke oorzaak. De Europeanisering heeft dit proces wel versterkt. Ook in 2005, het jaar van het referendum over de Europese Grondwet, signaleerde Besselink reeds een gebrek aan debat over deze toch wezenlijke zaken.

Op het Europese vlak zelf is de situatie, volgens zijn voormalige Utrechtse collega Deirdre Curtin, niet veel beter: ‘At the international and European level the principle of separation of powers is not applied and has never been. In the context of the European Union there has never even been lip service paid to the principle of separation of powers.’

Tenslotte signaleren ook de auteurs van de mastermonografie Unierecht in de Nederlandse rechtsorde een onmiskenbare kloof tussen de suggestie die de Nederlandse Grondwet wekt aangaande soevereiniteit en de wetgevingspraktijk: ‘Wie als buitenstaander de Nederlandse Grondwet leest, zou de indruk kunnen krijgen dat Nederland een soevereine staat is, waar de wetgever de hoogste staatsmacht is en waar de overheid overeenkomstig de bepalingen betreffende de sociale grondrechten zorgt voor het welzijn van de ingezetenen. In werkelijkheid wordt de inhoud van de Nederlandse wetgeving in sterke mate beheerst door Europese bepalingen en heeft de lidstaat Nederland op het gebied van bijvoorbeeld de sociale grondrechten nog maar een beperkte zelfstandigheid.’

Zie voorts:

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (I)

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (II)

Paper-presentatie tijdens Staatsrechtconferentie over ‘Globalisering als uitdaging voor nationale soevereiniteit’ in Maastricht

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (II)

In december 2017 presenteerde ik een paper over bovengenoemd onderwerp tijdens de Staatsrechtconferentie aan de Universiteit Maastricht. Dit paper verschijnt binnenkort als hoofdstuk in de bundel ‘Begrenzende soevereiniteit’, onder redactie van Sascha Hardt, Aalt Willem Heringa en Antonia Waltermann.

In een nieuwe serie van vijf à zes wekelijkse blogposts zal hier het paper alvast te lezen zijn. Voor de gefinaliseerde versie, voorzien van notenapparaat, zij verwezen naar de bundel. Het behoeft geen betoog dat het onderwerp hernieuwde actualiteitswaarde heeft, onder meer met het oog op de a.s. verkiezingen voor het Europees Parlement.

  1. De norm

Er valt, zoals wij hierna nog zullen zien, een neiging in het Nederlandse staatsrecht te bespeuren om – enigszins positivistisch – de gevolgen van het Europese integratieproces te accepteren voor wat die zijn. Hiertegenover wordt in deze bijdrage juist, bij wijze van gedachtenexperiment, een meer natuurrechtelijke benadering beproefd. Het natuurrecht heeft, mede als gevolg van het sinds de 20steeeuw overheersende positivisme, geen goede naam. Daarom is het extra van belang te omschrijven wat ik er in het bestek van deze serie blogposts onder versta. Dan moet allereerst worden vastgesteld dat de verscheidenheid binnen het natuurrechtelijke denken aanzienlijk is. Het verbindende idee tussen de diverse benaderingen is evenwel, zoals een Amerikaanse website het verwoordt, ‘an agreement as to the natural (as distinguished from conventional or man-made) character of principles of right and wrong, and of justice and injustice. Philosophers and statesmen who think and act within this shared understanding agree that the standards that ought to guide the ordering of political and social life are accessible to human reason.’

Wanneer we deze omschrijving hanteren, dan vallen binnen deze traditie zowel klassieke en middeleeuwse denkers als Aristoteles, Plato, Cicero en Thomas van Aquino, als denkers die aan de basis hebben gestaan van het moderne constitutionalisme, zoals Thomas Hobbes, John Lockeen Montesquieu. Het is tevens zo dat een klassieker van het staatsrecht als The Federalist Papers, hoewel het eerste voluit moderne constitutionele tractaat, niettemin nog voluit in deze traditie staat.

Voor werken in de natuurrechtelijke traditie, in de hierboven bedoelde ruime zin van het woord, hoeft evenwel niet altijd relatief ver te worden teruggegaan in de tijd. Zo zijn er ook hedendaagse auteurs die bewust klassieke leerstukken van het staatsrecht, zoals dat van de trias politica, trachten te actualiseren voor de huidige tijd. Een voorbeeld daarvan is Christoph Möllers. In zijn standaardwerk The Three Branches (2013) merkt Möllers op, dat ‘[c]ombining the normative idea of liberty with the institutional preconditions of liberty – a project that the American constitutional fathers set out in the Federalist Papers – seems today to be an exceptional quest. Pursuing it, however, is as worthwhile today as it was back then’. Hoewel het dus tegenwoordig niet bepaald in de mode is om constitutioneel recht en constitutionele theorie met elkaar te verbinden, beproeft hij dit niettemin. De reden hiervoor is gelegen in het feit dat, volgens Möllers, ‘comparative constitutional law needs a theoretical and normative framework beyond both empirical quantitative research and individual comparative case analysis: it needs a move to conceptualism’.

Zie voorts:

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (I)

Call for Papers, Panel on Public Theology and its potential for Law and Religion scholarship

Co-editor and co-author, volume The Powers That Be. Rethinking the Separation of Powers. A Leiden Response to Möllers (2015)

 

Overdracht van soevereine bevoegdheden aan de Europese Unie: ‘A Moral Struggle Over the First Principles of Government and Politics’? (I)

In december 2017 presenteerde ik een paper over bovengenoemd onderwerp tijdens de Staatsrechtconferentie aan de Universiteit Maastricht. Dit paper verschijnt binnenkort als hoofdstuk in de bundel ‘Begrenzende soevereiniteit’, onder redactie van Sascha Hardt, Aalt Willem Heringa en Antonia Waltermann.

In een nieuwe serie van vijf à zes wekelijkse blogposts zal hier het paper alvast te lezen zijn. Voor de gefinaliseerde versie, voorzien van notenapparaat, zij verwezen naar de bundel. Het behoeft geen betoog dat het onderwerp hernieuwde actualiteitswaarde heeft, onder meer met het oog op de a.s. verkiezingen voor het Europees Parlement.

  1. Inleiding

Op 9 februari 2018 meldde SC Online, dat de Europese begrotingsdans weer was begonnen. Een dag eerder had dezelfde publicatie onder de titel ‘Parlement vroegtijdig betrekken bij begrotingsplannen’ aandacht geschonken aan het proefschrift van Michal Diamant over de invloed van het Europees economisch bestuur op het budgetrecht van het Nederlandse parlement. Hoewel het budgetrecht formeel intact is gebleven, dreigt het materieel als gevolg van dit Europees economisch bestuur geleidelijk verder uitgehold te raken. Dezelfde Diamant waarschuwde op 13 februari 2018 tijdens een deskundigenbijeenkomst de Eerste Kamer voor het gebrek aan democratische legitimiteit van de nieuwe voorstellen van de Europese Commissie om de Economische en Monetaire Unie verder te verdiepen.

De trend dat een nationaal parlement als het Nederlandse de begroting inhoudelijk steeds minder kan beïnvloeden, roept de vraag op hoe dit vanuit staatkundig perspectief moet worden beoordeeld. Het politieke staatsrecht kan, wil het betekenis houden, immers niet volstaan met het beschrijven van de ontwikkelingen die zich voordoen. Er dient ook een evaluatie te volgen. Dit geldt zeker ook voor een zo ingrijpend fenomeen als de Europese integratie en de hieruit voortvloeiende Europese rol van regering en Staten-Generaal. Het budgetrecht betreft een kernrecht van het parlement. Historisch heeft het ten grondslag gelegen aan de opkomst ervan: ‘no taxation without representation’. De vraag rijst of het vroegtijdig betrekken van het parlement bij de begrotingsvoornemens, zoals geopperd door Diamant en anderen, voldoende helpt. Afgezien hiervan, wordt het probleem nog vergroot door het feit dat niet alleen het budgetrecht in het geding is. Ook meer in het algemeen dreigt de Europese integratie de rol van nationale parlementen verder uit te hollen dan op grond van andere ontwikkelingen internationaal reeds het geval was. Dit heeft te maken met het feit dat het een vorm van transnationale samenwerking betreft, die vergaande gevolgen heeft voor de soevereiniteit van de lidstaten.

In hetgeen volgt, ga ik allereerst in op de vraag wat als norm kan gelden bij de evaluatie van ontwikkelingen in het politieke staatsrecht als de hierboven geschetste. Vervolgens wordt geconstateerd dat er een kloof is ontstaan tussen norm en werkelijkheid als het gaat om het Europese integratieproces in zijn huidige vorm. Op deze probleemanalyse volgt een paragraaf waarin een suggestie wordt gedaan over hoe nu verder. De bijdrage sluit af met een conclusie.

Wordt vervolgd.

Zie ook:

Paper-presentatie tijdens Staatsrechtconferentie over ‘Globalisering als uitdaging voor nationale soevereiniteit’ in Maastricht

Contribution to volume on ‘Rethinking Europe’s Constitution’ (2007)

Co-redacteur en co-auteur, bundel De betekenis van de Europese Grondwet voor de Nederlandse staatsinstellingen (2005)

 

 

Article on ‘The Significance of Communal Religious Freedom for Liberal Democracy’ in the International Journal of Religion & Spirituality in Society

The abstract of the article reads as follows:

‘Leading US scholar of constitutional interpretation Michael Paulsen has developed an interesting theory of religious freedom called “The Priority of God.” Paulsen distinguishes, first of all, a liberal conception of religious freedom, according to which it is widely assumed that religious truth exists in a society and the state is tolerant towards various faiths and other traditions. The US, however, has developed in the direction of a modern conception of religious freedom, which no longer recognizes religious truth although the state remains tolerant. Moreover, still according to Paulsen, several European countries have adopted a postmodern conception of religious freedom. This conception does not only no longer recognize religious truth, but also implies a considerably less tolerant state, as secularism becomes the established “religion.” This view paradoxically resembles the preliberal stance of religious intolerance out of the conviction that religious truth exists. In response to such developments, the current article makes a case for the classical liberal position with respect to religious freedom. A liberal religious freedom conception forms the best guarantee that societal institutions will be able to fulfill their constitutional functions of a check on the government and as “seedbeds of virtue.”’

See https://cgscholar.com/bookstore/works/the-significance-of-communal-religious-freedom-for-liberal-democracy?category_id=common-ground-publishing.

See also:

Upcoming Speaking Engagement: Conference on ‘Public Spirit and Public Virtue’, December 6, 2017, Washington, DC

Upcoming Speaking Engagement: 2017 ICON∙S Conference on ‘Courts, Power, and Public Law’, Copenhagen, July 5-7

Paper presentation during XXI World Congress of the International Association for the History of Religions

 

Book Review of Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom in Journal of Markets & Morality

I am grateful to Prof. Jan Klos Hab. Ph.D. for taking the effort to write a review of my book for the Journal of Markets & Morality.

Jan Klos is a Professor at the John Paul II Catholic University of Lublin, Poland, Faculty of Philosophy, Department of Particular Ethics. He specializes in the history of social and political doctrines. Courses taught include philosophical foundations of political doctrines, foundations of American democracy, and political system of America.

In the review, Klos raises several interesting points regarding the book, to which I hope to respond some other time.

On p. 206, Prof. Klos writes:

‘The author does well to stress the importance of such nonstate actors as families and schools in the efforts to check the power of the state. Political and legal constitutionalism collaborate, as we know, in the separation between the legislative, the executive, and the judiciary. This kind of separation, however, does not in and of itself suffice for a mature civil society to be formed. I think that this point should be especially emphasized. With regard to constitutionalism and the right to freedom of religion or belief, more is needed than separation of political and legal powers. As Professor ten Napel writes, one should also “acknowledge that a communal dimension to this right exists” (148).’

The review ends as follows:

‘To sum up, the book Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom: To Be Fully Human is a well-written text on such important issues for contemporary societies as freedom of religion or belief in its communal form, freedom of conscience, and civic activity. It attempts to show an integral approach to the human being. This integral approach should strive to create such an ethos in which a full development of the human being is possible. By a full development is meant such a condition in which this being can manifest his or her beliefs not only within the privacy of his or her home but also in public without any fear of oppression or discrimination. If citizens are forced to hide their religious views, they are doomed to be inauthentic selves, and will always feel a kind of schizophrenia.’

You can read the whole review here:

http://www.marketsandmorality.com/index.php/mandm/issue/view/43

‘Journal of Markets & Morality is a peer-reviewed academic journal published by the Acton Institute for the Study of Religion & Liberty. The journal promotes intellectual exploration of the relationship between economics and morality from both social science and theological perspectives.’

See also:

Review of book on ‘Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom. To Be Fully Human’

Boekbespreking van Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom. To Be Fully Human in Radix. Tijdschrift over geloof, wetenschap en samenleving

Press Release: ‘Hans-Martien ten Napel has book published “Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom. To Be Fully Human”’

Boekbespreking van Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom. To Be Fully Human in Radix. Tijdschrift over geloof, wetenschap en samenleving

 

In de onlangs uitgekomen tweede aflevering uit 2018 van Radix. Tijdschrift over geloof, wetenschap en samenleving staat een nieuwe recensie van mijn boek Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom. To Be Fully Human van de hand van R.J. (Robert) van Putten MSc MA.

Uit de recensie:

‘Ten Napels boek is een rechtstheoretische studie, grotendeels geschreven tijdens een scholarship aan Princeton, binnen een programma waarin verbinding wordt gelegd tussen juridische en theologische studies.’ (p. 152)

‘Het boek is voor de auteur een poging om zijn onderzoekslijnen rond recht, religie en constitutie van de afgelopen decennia bijeen te brengen en met een eigen these over religieuze vrijheid en de democratische rechtsstaat te komen.’ (ibid.)

‘Het is steeds ingebed in de persoonlijke intellectuele zoektocht van de auteur, legt verbindingen met het Nederlandse denken en doen, maar is vooral een grondige bijdrage aan discussies binnen het domein van het constitutioneel recht.’ (ibid.)

Het slot van de recensie luidt als volgt:

‘In deze hoofdstukken weet Ten Napel centrale noties uit de sociale en politieke filosofie van de brede christendemocratische traditie soepel in te zetten voor zijn betoog, waarbij hij steeds de bredere relevantie ervan betoogt. Dat wil zeggen, hij maakt zijn lezers – en dus vooral ook zijn vakgenoten in het constitutioneel recht – duidelijk dat zijn visie niet alleen van betekenis is voor religieuzen, maar vooral ook het project van een liberaal-democratische samenleving en rechtsstaat als zodanig ondersteunt. Ten Napel is zich nadrukkelijk bewust van het feit dat hij een relatief ongebruikelijk boek heeft geschreven. Op heel eloquente manier behandelt hij dan ook “anticipated criticism”, namelijk dat zijn boek te normatief zou zijn voor de discipline van het constitutioneel recht. Het gaat inherent om “essentially contested concepts”, waardoor een normatief perspectief onvermijdelijk is. En gegeven het feit dat de theologie van grote invloed is geweest op centrale concepten als constitutionalisme, democratie en religieuze vrijheid zou het eerder vreemd zijn wanneer inzichten uit de christelijke traditie buiten beschouwing zouden moeten blijven.

Ten Napel heeft al met al een heel fraai boek opgeleverd. Het is vooral ook een boek dat het verdient breder gelezen te worden dan binnen de kringen van de internationale constitutionele rechtswetenschap. Juist ook voor het Nederlandse publieke debat vormt dit boek nadrukkelijk een theoretische versterking tegenover al te secularistische (en daarmee potentieel zelfondermijnende) benaderingen van democratie, rechtsstaat en religieuze vrijheid. Er staat, kortom, veel op het spel met deze thematiek. Niets minder dan To be fully human.’ (p. 154)

De auteur van de recensie is als docent en promovendus verbonden aan de afdeling Bestuurswetenschappen & Politicologie van de Vrije Universiteit Amsterdam.

Het tijdschrift Radix is ‘een multidisciplinair, wetenschappelijk kwartaaltijdschrift dat een platform biedt voor artikelen op de kruispunten van geloof, wetenschap en samenleving’ en wordt uitgegeven door ForumC.

Bron, en bestelinformatie: https://www.forumc.nl/radix/recente-nummers.

Zie voorts:

Review of book on ‘Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom. To Be Fully Human’

Artikel ‘Geloof in de liberale democratie’ in Tijdschrift voor Religie, Recht en Beleid

Press Release: ‘Hans-Martien ten Napel has book published “Constitutionalism, Democracy and Religious Freedom. To Be Fully Human”’

 

Chapter in forthcoming volume on Religion, Pluralism, and Reconciling Difference

The description of the volume, edited by W. Cole Durham Jr. and Donlu Thayer, reads as follows:

‘We live in an increasingly pluralized world. This sociological reality has become the irreversible destiny of humankind. Even once religiously homogeneous societies are becoming increasingly diverse. Religious freedom is modernity’s most profound if sometimes forgotten answer to the resulting social pressures, but the tide of pluralization threatens to overwhelm that freedom’s stabilizing force.

Religion, Pluralism, and Reconciling Difference is aimed at exploring differing ways of grappling with the resulting tensions, and then asking, will the tensions ultimately yield poisonous polarization that erodes all hope of meaningful community? Or can the tradition and the institutions protecting freedom of religion or belief be developed and applied in ways that (still) foster productive interactions, stability, and peace?

This volume brings together vital and thoughtful contributions treating aspects of these mounting worldwide tensions concerning the relationship between religious diversity and social harmony. The first section explores controversies surrounding religious pluralism from different starting points, including religious, political, and legal standpoints. The second section examines different geographical perspectives on pluralism. Experts from North and South America, Europe, Africa, and the Middle East address these issues and suggest not only how social institutions can reduce tensions, but also how religious pluralism itself can bolster needed civil society.’

For the table of contents of the volume, see: https://www.routledge.com/Religion-Pluralism-and-Reconciling-Difference/Jr-Thayer/p/book/9781472464071.

My chapter is titled: ‘Western “Civic Totalism”, Sovereignty of the People, and the Need for Limited Government’.

For more information, and to order, see: https://www.routledge.com/Religion-Pluralism-and-Reconciling-Difference/Jr-Thayer/p/book/9781472464071.

See also:

Paper presentation during third bi-annual ICLARS conference in Virginia, United States

Blogpost ‘Religious Freedom, Eastern Ethical Monism, and Western “Civic Totalism”‘

International Conference on “The Rule of Law with Chinese Characteristics in Transition”

Signatory to Amicus effort in Lautsi case before European Court of Human Rights (2010)

In 2010, Notre Dame Professor of Law Paolo Carozza led ‘a group of more than 50 law professors from 15 countries who have submitted written comments asking the Grand Chamber of the European Court of Human Rights to overturn a seven-judge panel’s ruling that crucifixes may not be displayed in Italian classrooms. (…)

“The challenges of religious pluralism in contemporary Europe can’t be resolved through the false premise that banning religious symbols from public spaces is somehow a ‘neutral’ position,” Carozza said. “Pluralism must be achieved through a genuine dialogue among the religious traditions of the European peoples, a dialogue that becomes impossible if the symbols representing the historic traditions of the continent are excised from public life, including education.”

Working with European colleagues, Carozza assembled a coalition of prominent legal scholars from across Europe, including former constitutional court judges from three countries, to intervene as amicus curiae in the case. The group is being represented by The Becket Fund for Religious Liberty. (…)

In their friend-of-the-court brief, the law professors argue that the panel’s ruling needlessly threatens the wide variety of religious symbols on display on public property all over Europe, including national flags, coats of arms, and public art. The professors also warn that the panel’s decision risks setting off a widespread conflict between government and religion. Given the wide diversity of religious practices across Europe, it makes little sense to try to create a secularist “common denominator.” Rather, they contend, the Court should give states substantial leeway to structure the church-state relationship in harmony with tradition, history and culture.

“One of the cornerstones of the construction of modern Europe was precisely the acceptance of a wide variety of practices regarding religion and public life in the various states of the region,” Carozza said. “The European Court of Human Rights has in its best moments been protective of that rich and important diversity of cultures among the peoples of Europe, but the Chamber in this case betrayed that ideal by imposing a very narrow and uniform model of what is required of the state.”’

Source: https://italianstudies.nd.edu/news/law-professor-carozza-organizes-amicus-effort-in-european-crucifix-case/.

You can read the brief, to which I was a signatory and which was rejected by the Court, here:

See also:

A Test of Faith? Religious Diversity and Accommodation in the European Workplace

Article in Muslim World Journal of Human Rights (2011)

Chapter in volume on Law and Religion in the 21st Century. Relations between States and Religious Communities (2010)